ECLI:NL:RBZWB:2026:3360

ECLI:NL:RBZWB:2026:3360

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 11726692 \ CV EXPL 25-1928
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Rente op eeuwigdurende toonderobligaties uit 19e eeuw. Eiser heeft geen recht op rente vanaf 1871, maar slechts op rente vanaf 2017.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: 11726692 \ CV EXPL 25-1928

Vonnis van 22 april 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: G.C.A. Rottink,

tegen

GEMEENTE MIDDELBURG,

zetelend te Middelburg,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

gemachtigde: mr. N.L. de Groot-Bouter.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 mei 2025, met producties 1 t/m 5,- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 7,- de brieven aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de e-mail van de gemachtigde van [eisende partij] van 22 maart 2026,

- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eisende partij] is sinds 2010 in het bezit van toonderobligaties, die door de Gemeente in de 19e eeuw zijn uitgegeven. De obligaties die in het bezit zijn van [eisende partij] hebben een totale nominale waarde van fl. 10.800,00 en zijn niet opzegbaar of aflosbaar en in beginsel eeuwigdurend.

[eisende partij] heeft de Gemeente gesommeerd om over de periode 1871 tot 2010 tot betaling van 2,5% rente en vanaf 2011 tot betaling van 3% rente over te gaan.

3. Het geschil

[eisende partij] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 20.176,00 en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

[eisende partij] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eisende partij] is sinds 2010 houder van rentedragende obligaties. De overeengekomen rentevoet is 3%. [eisende partij] betwist dat de rente in 1871 is verlaagd naar 0,5%. Omdat de Gemeente sinds 1871 0,5% rente heeft uitgekeerd, maakt [eisende partij] aanspraak op betaling van 2,5% rente vanaf 1871 tot 2010 en op betaling van 3% rente vanaf 2010 tot heden. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 20.176,00.

De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. Op de obligaties staat vermeld dat deze recht geven op een rente van 3% die echter niet anders zal worden betaald, dan voor zodanig gedeelte als jaarlijks zal worden aangekondigd. Bij raadsbesluit van 26 juli 1871 is bepaald dat de rente 0,5% bedraagt. Sindsdien is altijd 0,5% rente over de uitgegeven obligaties uitbetaald. Het besluit zelf is op 17 mei 1940 door een brand verloren gegaan, maar dat de rente destijds is verlaagd, blijkt uit overgelegde krantenartikelen uit de periode 1871-1887. Voor zover [eisende partij] al een vordering heeft, is sprake van verjaring. De Gemeente betwist ook dat sprake is van subrogatie voor wat betreft de gevorderde rente van voor het moment dat [eisende partij] houder is van de obligaties.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. [eisende partij] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Weliswaar heeft de gemachtigde van [eisende partij] per e-mail van 22 maart 2026 aangegeven niet te zullen verschijnen, maar uit het bericht is niet af te leiden dat [eisende partij] zelf niet zou verschijnen. Ook is niet verzocht om een aanhouding van de zitting. De mondelinge behandeling is daarom doorgegaan.

De kantonrechter kan uit het niet-verschijnen op de mondelinge behandeling de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. In dit geval verbindt de kantonrechter aan dit niet-verschijnen van [eisende partij] op de zitting de gevolgtrekking dat hij de stellingen van de Gemeente niet (langer) weerspreekt.

De kantonrechter stelt voorop dat het aan [eisende partij] is om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de bij hem in bezit zijnde obligaties recht geven op uitbetaling van een rente van 3%. [eisende partij] heeft geen afschrift van de obligaties overgelegd, maar de Gemeente erkent daarop dit rentepercentage staat vermeld. [eisende partij] heeft echter niet weersproken dat op de obligaties daarnaast staat dat hiervan slechts zal worden betaald een “zodanig gedeelte als jaarlijks zal worden aangekondigd”. Dit betekent dat het op de weg van [eisende partij] ligt om ook te stellen en te onderbouwen voor welk deel van de rente de Gemeente heeft aangekondigd dat recht bestaat op uitbetaling. Dit heeft hij niet gedaan.

De Gemeente heeft daarentegen gemotiveerd aangevoerd dat de rente bij raadsbesluit van 26 juli 1871 is verlaagd naar 0,5% rente. De Gemeente heeft onder meer verwezen naar het bijvoegsel van de Middelburgsche Courant van 27 oktober 1887, waarin het volgende staat:

De oude gevestigde schuld der gemeente bedraagt, tengevolge der tot heden plaats gehad hebbende amortisatie en conversie in 5 pct. obligatiën, (krachtens raadsbesluit van den 26 Juli 1871, goedgekeurd door ged. Staten van Zeeland, bij hunne beschikking van den 1 September d.a.v.) eene som van f 217600. In de zitting van den gemeenteraad van 29 April 1887 werden vernietigd 29 obligatiën ad f 500, bestemd geweest om tegen uitgeloote kansbiljetten uitgegeven te worden (zie handelingen gemeenteraad 24 Maart 1886, bl. 40) en 1 obligatie ad f 200, ingekocht volgens raadsbesluit van 24 Maart 1886. (Zie handelingen 1886, bl. 41). Hierdoor is het bedrag dier schuld verminderd tot f 202900. – Hiervan is eene rente van ½ pct. verschuldigd.”

Volgens de Gemeente ziet deze passage op de destijds uitgegeven obligaties, waaronder de onderhavige, en volgt uit de laatste zin dat een rente van 0,5% verschuldigd is.

De kantonrechter oordeelt dat uit voornoemde passage kan worden afgeleid dat in ieder geval vanaf 1887 recht bestond op uitbetaling van een rente van 0,5%. Dat het (uit te betalen) rentepercentage is aangepast naar 0,5% kan ook worden afgeleid uit het feit dat, zoals [eisende partij] erkent, feitelijk sinds 1871 telkens slechts dat percentage is uitbetaald. [eisende partij] heeft dan ook niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de obligaties die hij in bezit heeft recht geven op uitbetaling van het (oorspronkelijke) rentepercentage van 3%. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de Gemeente steeds slechts een rente van 0,5% verschuldigd is geweest. De kantonrechter zal daarom de vordering afwijzen, voor zover die betrekking heeft op de gevorderde rente van 2,5% over de periode 1871 – 2010.

Omdat de obligaties rechten aan toonder zijn, dient [eisende partij] telkens met de obligaties naar het stadskantoor te komen voor uitbetaling van de tot dan opgebouwde rente. De Gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat [eisende partij] zich tweemaal op het stadskantoor heeft gemeld met de obligaties, namelijk in 2010 en in 2017. De Gemeente heeft beide keren de tot dan verschuldigde rente aan [eisende partij] uitbetaald en dit genoteerd op het zogenoemde couponblad. Omdat de Gemeente hiermee de verschuldigde rente van 0,5% tot en met 2017 al heeft betaald, wijst de kantonrechter de gevorderde rente over de periode 2010 – 2017 af.

Gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] de obligaties na 2017 aan de Gemeente heeft getoond. Weliswaar heeft [eisende partij] de Gemeente meermaals gesommeerd om tot betaling van de rente over te gaan, maar dat is met deze obligaties dus niet voldoende. De Gemeente is dan ook niet in verzuim met de uitbetaling van de rente over de periode na 2017. De kantonrechter zal daarom de vordering betreffende de rente vanaf 2017 eveneens afwijzen.

Gelet op het voornoemde kunnen de overige verweren van de Gemeente onbesproken blijven.

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de gemachtigde van de gemeente een van haar eigen werknemers is, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor het toekennen van salaris. De proceskosten van Gemeente Middelburg worden begroot op:

- verletkosten

50,00

- nakosten

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

71,50

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [eisende partij] af,

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 71,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand