ECLI:NL:RBZWB:2026:3375

ECLI:NL:RBZWB:2026:3375

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-04-2026
Zaaknummer C/02/420204 / FA RK 24-1239
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Nadere beschikking over eenhoofdig gezag

Uitspraak

2. De verdere beoordeling

De tussenbeschikking van 31 oktober 2025

De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 31 oktober 2025, waarin is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar minstens één uur per week onder regie van de GI, waarbij de eventuele uitbreiding geschiedt zoals onder 2.9 van die beschikking is omschreven. Het verzoek van de man ten aanzien van het gezag is aangehouden. De rechtbank constateerde namelijk dat partijen het eens waren over de aanhouding van het verzoek betreffende het gezag. Zij achtte het daarbij, net als de Raad, te vroeg om nu al te beslissen op het verzoek. De vrouw had stappen gezet waardoor het in het belang van [minderjarige] was om het gezamenlijk gezag in stand te houden. Die ontwikkeling was echter nog pril. Het was van belang dat de vrouw liet zien dat zij deze ingeslagen weg kon vervolgen.

Het (gewijzigde) verzoek

Aan de orde is thans nog het gewijzigde verzoek van de man hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] , alsmede hiervan aantekening te maken in het gezagsregister, dan wel subsidiair, te verklaren voor recht dat de vrouw is geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] , in die zin dat de man zonder toestemming en met uitsluiting van de vrouw bevoegd is om eenzijdig de opvoedbeslissingen over [minderjarige] te maken totdat de hulpverlening vaststelt dat de vrouw weer in staat is tot uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag, dan wel die voorwaarden aan de schorsing van de uitoefening van het ouderlijk gezag te verbinden, welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen. Daarnaast heeft de man zijn verzoek inzake de zorgregeling gewijzigd, waarbij hij primair verzoekt te bepalen dat de tussen de vrouw en [minderjarige] geen omgang zal zijn waarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] zal worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot omgang met [minderjarige] iedere woensdag van 15:00 tot 16:00 uur onder begeleiding van het CJG, dan wel onder begeleiding van een derde, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de vrouw daadwerkelijk tijdens de omgang aanwezig zal zijn en zal aantonen dat zij niet onder invloed van verdovende middelen is, dan wel een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen en onder de voorwaarden welke de rechtbank in goede justitie zal bepalen.

De verdere standpunten

De man voert ter onderbouwing van zijn gewijzigde verzoek het volgende aan. De afgelopen maanden hebben wederom laten zien dat communicatie tussen partijen niet mogelijk is. Zolang de vrouw niet aan zichzelf zal werken en dit ook zal aantonen, is gezamenlijk ouderlijk gezag in strijd met het belang van [minderjarige] . Om die reden verzoekt de man primair te bepalen dat hij belast zal zijn met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] . Subsidiair verzoekt de man te verklaren voor recht dat de vrouw is geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] , nu gelet op de psychische gesteldheid van de vrouw thans is voldaan aan de voorwaarde dat de vrouw – al dan niet tijdelijk – in de onmogelijkheid verkeert om het gezamenlijk ouderlijk gezag uit te oefenen. Ten aanzien van het gewijzigde verzoek inzake de zorgregeling meent de man dat het op dit moment in het belang van [minderjarige] is dat er duidelijkheid en rust komt. De vrouw dient eerst behandeling te krijgen, mee te werken aan de hulpverlening en voor een langere en stabiele periode clean te zijn. De man is namelijk van mening dat de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw niet kan worden gewaarborgd zolang zij niet van de benodigde behandeling heeft geprofiteerd. Hoewel jarenlang is gewerkt aan contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige] , moet vastgesteld worden dat er nog steeds geen structureel en veilig contact is. De onvoorspelbaarheid van het contact met de vrouw brengt op dit moment meer schade toe aan [minderjarige] dan dat hij hiervan profiteert. De vrouw dient na al die jaren de daad bij het woord te voegen en daadwerkelijk hulpverlening in te schakelen. Pas dan kunnen partijen in overleg met de betrokken hulpverlening bespreken hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden opgestart. Hoewel de man graag zou zien dat [minderjarige] goed contact heeft met de vrouw en hij dit contact altijd zal stimuleren, heeft hij er weinig vertrouwen in dat de situatie in de komende periode wel zal verbeteren. Het voorgaande maakt dat het vaststellen van een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] onder de huidige omstandigheden in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Om die reden verzoekt hij primair te bepalen dat de tussen de vrouw en [minderjarige] geen omgang zal zijn. Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot omgang met [minderjarige] iedere woensdag van 15:00 tot 16:00 uur onder begeleiding van het CJG, dan wel onder begeleiding van een derde, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de vrouw daadwerkelijk aanwezig zal zijn en zal aantonen dat zij niet onder invloed van verdovende middelen is.

Namens de vrouw is ter zitting verzocht de beslissing op het gewijzigde verzoek van de man ten aanzien van het gezag aan te houden. Het is namelijk van belang dat eerst wordt ingezet op een ouderschapsbemiddelingstraject, dat op korte termijn zal starten. Dit traject wordt ingezet om de ouders in de toekomst samen een opvoedrol te geven en zodat zij samen beslissingen kunnen nemen in het belang van [minderjarige] . Het is daarom niet passend om op dit moment te beslissen dat de man voortaan alleen is belast met het gezag over [minderjarige] . Daar komt bij dat de vrouw graag een stabiele rol wil gaan spelen in het leven van [minderjarige] . Zij ziet in dat haar verslaving hierin belemmerend werkt en gaat binnenkort starten met een hulpverleningstraject, waarschijnlijk in het buitenland. Over de zorgregeling met [minderjarige] wordt verklaard dat er in de afgelopen maanden geen contact is geweest tussen de vrouw en [minderjarige] . Dit komt doordat de GI de contactregeling in november 2025 heeft gestopt naar aanleiding van een Veilig Thuis-melding over de thuissituatie van de vrouw, terwijl er op dat moment geen kinderen aanwezig waren in de woning. Hierdoor heeft de vrouw geen eerlijke kans gehad om te laten zien dat zij de zorgregeling met [minderjarige] structureel nakomt. Ten aanzien van het gewijzigde verzoek van de man omtrent de zorgregeling wordt naar voren gebracht dat bij beschikking van 31 oktober 2025 een definitieve beslissing is genomen op de verzoeken betreffende de zorgregeling, waardoor op dit moment alleen het verzoek van de man omtrent het gezag nog ter beoordeling voor ligt aan de rechtbank.

De GI licht toe dat bij de moeder nog steeds sprake van verslavingsproblematiek, waardoor haar gedrag onvoorspelbaar is. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder is recent hervat nadat er enige tijd geen contact is geweest doordat de GI het contact had stopgezet naar aanleiding van een Veilig Thuis-melding. De bedoeling is dat er vanaf nu iedere twee weken begeleid contact is tussen de moeder en [minderjarige] . Het eerste begeleide contactmoment is positief verlopen. Het contact zal begeleid gaan worden door SDW. Ook gaat SDW aan de slag met ouderschapsbemiddeling.

De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat nader onderzoek nodig is om een advies te kunnen geven over wat er ten aanzien van de verzoeken omtrent het gezag en de zorgregeling in het belang van [minderjarige] zou moeten worden beslist. Hoewel het zorgelijk is dat bij de vrouw een patroon zichtbaar is waarin zij keuzes maakt die niet in het belang zijn van [minderjarige] , vindt de Raad het op dit moment een te grote stap om het gezag van de vrouw over [minderjarige] te beëindigen. Het is te vroeg om te stoppen met het investeren in de samenwerking tussen partijen en er moet worden bezien of de vrouw in de komende periode zal gaan meewerken aan de benodigde hulpverlening en of zij de contactmomenten met [minderjarige] nakomt. Bovendien vreest de Raad dat het beëindigen van het gezag van de vrouw negatieve gevolgen zal hebben voor het contact tussen [minderjarige] en de vrouw. Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat er eerst wordt gekeken of er iets gaat veranderen in de situatie van de vrouw, voordat wordt beslist op de verzoeken van de man.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Ten aanzien van het gewijzigde verzoek van de man betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overweegt de rechtbank dat bij tussenbeschikking van 31 oktober 2025 een definitieve beslissing is genomen op de verzoeken van partijen betreffende een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige] en de vrouw. Dit maakt dat het verzoek van de man voor zover dit ziet op de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet meer in behandeling kan worden genomen. De rechtbank zal de man daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn (gewijzigde) verzoek.

Gezag

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:

er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;

wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat daarvan sprake is nu het partijen al enige tijd niet meer lukt om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Ook loopt het contact tussen [minderjarige] en de vrouw al langere tijd wisselend en is er in de afgelopen periode een aantal maanden in het geheel geen contact geweest tussen de vrouw en [minderjarige] . De rechtbank is daardoor van oordeel dat de omstandigheden dermate zijn gewijzigd dat de man kan worden ontvangen in zijn (gewijzigde) verzoek betreffende het gezag.

De rechtbank overweegt vervolgens dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige en zijn of haar veiligheid niet in gevaar brengt.

Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat er geen goede basis meer aanwezig is voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] . Partijen zijn namelijk al geruime tijd niet tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijke gezag over [minderjarige] in staat waardoor er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat hij klem of verloren zal raken tussen de ouders. Daartoe overweegt de rechtbank dat er tot op heden geen enkele samenwerking of communicatie mogelijk is tussen partijen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat binnen een redelijk termijn verbetering zal optreden, ook niet middels het nog op te starten ouderschapsbemiddelingstraject. Deze situatie tussen partijen duurt immers inmiddels al enige tijd voort en het is hen - ondanks de betrokkenheid van de GI sinds 2024 - niet gelukt om deze te verbeteren of hiervoor hulpverlening in te zetten. Bovendien zal de vrouw eerst aan zichzelf moeten werken voordat ouderschapsbemiddeling kan slagen. Het is de vrouw de afgelopen tijd, vanwege haar verslavingsproblematiek, immers onvoldoende gelukt om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en haar ouderschap op een goede manier vorm te geven. Het contact tussen de vrouw en [minderjarige] is wisselend verlopen en terwijl sprake is van een zeer beperkte zorgregeling lukt het de vrouw tot op heden niet structureel om de contactmomenten met [minderjarige] na te komen. Hierdoor wordt [minderjarige] geconfronteerd met een moeder die niet consequent invulling geeft aan haar contacten met hem. Gebleken is dat de vrouw de schuld hiervan ten dele bij de GI legt, maar tegelijkertijd mag de vrouw haar eigen rol hierin niet onderschatten. De vrouw heeft haar verslavingsproblematiek namelijk nog niet onder controle, terwijl daartoe verschillende pogingen zijn gedaan sinds de start van de ondertoezichtstelling. Dat de vrouw nu stelt dat zij behandeling zal aangaan, stelt de rechtbank onvoldoende gerust. Zij heeft in de afgelopen jaren immers op meerdere momenten gesteld behandeling aan te gaan, zodat zij de moeder voor [minderjarige] kan zijn die zij wil zijn, maar heeft tot op heden geen enkel hulpverleningstraject met succes afgerond. De rechtbank heeft er daardoor onvoldoende vertrouwen in dat de reeds enige tijd bestaande situatie op korte termijn zal verbeteren. Dit terwijl het van belang is dat de man vooruit kan en beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige] . Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het de vrouw, ondanks de betrokkenheid van de GI en de aangeboden hulpverlening, niet lukt om adequaat invulling te geven aan haar rol als gezaghebbende ouder. Dit maakt dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk acht dat de man voortaan met het eenhoofdig gezag over hem wordt belast. Het gewijzigde verzoek van de man zal daarom worden toegewezen. Omdat het primaire verzoek van de man wordt toegewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan beoordeling van het subsidiaire verzoek.

De rechtbank benadrukt dat de beslissing om de man voortaan met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten niet betekent dat de vrouw vanaf nu geen betekenisvolle rol meer speelt in het leven van [minderjarige] . De vrouw blijft altijd de moeder van [minderjarige] en is daarom erg belangrijk in zijn leven. De rechtbank gunt de vrouw, en [minderjarige] in het bijzonder, een goed contact met elkaar, waarbij de belangen van [minderjarige] voorop worden gesteld. De man heeft aangegeven dat hij positief en structureel contact met de vrouw erg belangrijk vindt voor [minderjarige] en dat hij het contact tussen [minderjarige] en de vrouw zal blijven stimuleren en faciliteren. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat beide partijen, in samenwerking met de GI, zich blijven inspannen voor het contact tussen de vrouw en [minderjarige] .

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

3. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, voortaan alleen aan de man toekomt;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn gewijzigde verzoek betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Voorn

Griffier

  • mr. Van der Meer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand