RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/446393 / JE RK 26-501 (Regulier verzoek)
C/02/446413 / JE RK 26-507 (Spoedverzoek)
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos uit Goes,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] (België).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak C/02/446393 / JE RK 26-501
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;
het e-mailbericht van mr. De Vos, ontvangen op 25 maart 2026;
het e-mailbericht van de vader, ontvangen op 25 maart 2026.
In de zaak C/02/446413 / JE RK 26-507
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] voorafgaand aan zijn geboorte onder toepassing van Nederlands recht erkend op 29 juli 2020. De erkenning is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen op 14 september 2020.
[minderjarige] en de moeder hebben de Nederlandse nationaliteit; de vader heeft de Belgische en de Poolse nationaliteit.
Bij beschikking van de kinderrechter van 26 september 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 26 september 2025 en tot 26 september 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn vader, de heer [de vader] , verleend met ingang van 26 september 2025 en tot 26 maart 2026.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij zijn vader in [woonplaats] (België).
3. De verzoeken
In de zaak C/02/446393 / JE RK 26-501
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, (naar de kinderrechter begrijpt: de vader), te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak C/02/446413 / JE RK 26-507
De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, (naar de kinderrechter begrijpt: de vader), voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, (naar de kinderrechter begrijpt: de vader), te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Vanwege de omstandigheid dat de vader de Belgische en de Poolse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en zo ja, welk recht van toepassing is.
[minderjarige] verblijft op basis van de eerdergenoemde machtiging tot uithuisplaatsing bij zijn vader in België. Door die machtiging tot uithuisplaatsing is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] niet gewijzigd. Een dergelijke machtiging is bedoeld als tijdelijke maatregel. Om die reden komt de Nederlandse kinderrechter nog steeds rechtsmacht toe. Aangezien de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
In de zaak C/02/446393 / JE RK 26-501 (Regulier verzoek)
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De kinderrechter overweegt als volgt. De GI heeft op 24 maart 2026, dus zeer kort voor het verstrijken van de nu geldende machtiging tot uithuisplaatsing, het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Door de GI is in het verzoekschrift aangegeven dat beide ouders het eens zijn met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.
Op 25 maart 2026 heeft mr. De Vos namens de moeder per e-mailbericht laten weten dat de moeder zich realiseert dat er in het kader van de ondertoezichtstelling nog stappen dienen te worden gezet voordat duidelijkheid kan worden gegeven over het perspectief van [minderjarige] . Om die reden stemt moeder in met de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van zes maanden, zodat deze periode benut kan worden om het GGO-traject af te ronden. Verder heeft mr. De Vos aangegeven dat de moeder afziet van een zitting.
Ook de vader heeft op 25 maart 2026 per e-mailbericht laten weten dat hij akkoord is met de door de GI verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
Op grond van de overgelegde stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor het verlengen van de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid en 1:265c, tweede lid, BW. Gelet daarop en op de instemmingen van de belanghebbenden vindt de kinderrechter een zitting niet nodig en zal zij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengen voor de duur zoals verzocht, te weten met ingang van 26 maart 2026 en tot 26 september 2026.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
In de zaak C/02/446413 / JE RK 26-507 (Spoedverzoek)
De GI heeft op 25 maart 2026 het spoedverzoek bij de rechtbank ingediend. Nu het reguliere verzoek is toegewezen, is het belang bij het spoedverzoek komen te vervallen en zal de kinderrechter het spoedverzoek om die reden afwijzen.
5. De beslissing
De kinderrechter:
In de zaak C/02/446393 / JE RK 26-501
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn vader, de heer [de vader] , met ingang van 26 maart 2026 en tot 26 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
In de zaak C/02/446413 / JE RK 26-507
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.