RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/442352 FA RK 25-6092
datum uitspraak: 7 april 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. van Reeven-Özer,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S.C.A.C. Gubbels.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 26 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 23 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Van Reeven-Özer van 10 maart 2026;
- de brief van mr. Gubbels van 11 maart 2026.
2. De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad vanaf 2019 tot medio januari 2025;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,
- deze kinderen zijn door de man erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht waarin het hoofdverblijf van de minderjarigen is bepaald en waarin een zorgregeling is vastgelegd;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen moet voldoen.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man ten behoeve van de minderjarigen te betalen onderhoudsbijdrage.
De man verzoekt, samengevat, vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
4. De beoordeling
Bij brief van 10 maart 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt. De vrouw verzoekt om de gemaakte afspraken op te nemen in een beschikking. Verder verzoekt de vrouw de zaak schriftelijk af te doen.
Bij brief van 11 maart 2026 is namens de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt op de wijze zoals weergegeven in voormelde brief van de vrouw. Ook de man heeft aangegeven dat er geen mondelinge behandeling hoeft plaats te vinden.
Uit voormelde brieven volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. Deze overeenstemming komt de rechtbank in het belang van de kinderen en niet ongegrond voor en het verzoek zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
Partijen zijn daarnaast met elkaar overeengekomen dat de eerstvolgende indexering van de kinderalimentatie zal plaatsvinden op 1 januari 2027. Uit de wet, artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek, volgt al dat een bij rechterlijke uitspraak vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege wordt geïndexeerd. De rechtbank zal deze afspraak daarom, bij gebrek aan belang, niet vastleggen in het dictum van deze beschikking.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- één keer per veertien dagen (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na school tot zondag 18:30 uur;
- in de andere week (in de even weken) op woensdag vanaf 17:00 uur tot donderdagochtend naar school;
- de kinderen worden door de man opgehaald en teruggebracht;
- gedurende de helft van de vakanties, waarbij heeft te gelden dat partijen in
januari van ieder jaar een volledige jaarplanning maken met als uitgangspunt dat:
o de tweewekelijkse vakanties worden verdeeld in die zin dat de kinderen één
week bij de ene ouder en één week bij de andere ouder zijn;
o in de zomervakantie de kinderen drie weken aaneengesloten bij iedere ouder
verblijven;
o vakanties van één week worden gewisseld, zodat de kinderen een hele week bij
een ouder verblijven;
bepaalt dat de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 175,= (honderdvijfenzeventig euro) per maand per kind, met dien verstande dat er tot
1 maart 2026 geen sprake is van enige achterstand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.