RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446604 / JE RK 26-546
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de GI op 27 maart 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij (spoed)beschikking van 10 januari 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2023 en tot 24 januari 2023. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, met ingang van 10 januari 2023 en tot 24 januari 2023. De beslissing werd genomen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
Bij beschikking van 23 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht van Stichting
Jeugdbescherming west Zeeland gesteld met ingang van 24 januari 2023 en tot 24 januari
2024. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag,
te weten bij de vader, verleend, met ingang van 24 januari 2023 en tot 24 april 2023.
De voornoemde beschikkingen van 10 en 23 januari 2023 zijn voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] betreft bij beschikking van 8 juni 2023 bekrachtigd door het hof ‘s-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 17 april 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd tot 24 januari 2024.
Bij beschikking van 17 januari 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 januari 2024 en tot 24 januari 2025. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk (bij beschikking van 20 januari 2026) tot 24 april 2026.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, een machtiging uithuisplaatsing verlenen.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
Volgens de telefonische informatie van de GI heeft er vrijdag 27 maart 2026 in de avond een woordenwisseling en daarna een geweldsincident tussen [minderjarige] en zijn moeder plaatsgevonden. De aanleiding was dat [minderjarige] niet op stap met zijn vrienden mocht. De emotie/spanning bij [minderjarige] is dusdanig hoog opgelopen dat hij de moeder met een stoel heeft geslagen waardoor de stoelpoot is afgebroken, hij de moeder aan haar haren door de gang heeft getrokken en haar op haar hoofd heeft geslagen, als gevolg waarvan de moeder letsel heeft opgelopen en naar de huisartsenpost moest. [minderjarige] is na het incident weggelopen en naar het jeugdhonk gegaan. Volgens de GI bevestigt [minderjarige] het verhaal van de fysieke agressie. Doordat de situatie zodanig uit de hand is gelopen, kan [minderjarige] niet terug naar huis ondanks dat de moeder wel bereid is om [minderjarige] thuis op te vangen. De GI vindt dit voor nu niet verantwoord. Ook [minderjarige] wilde op dat moment niet terug naar huis. Alternatieven zoals een plek in het netwerk zijn er niet en ook kan [minderjarige] niet naar de vader. Met de vader heeft [minderjarige] op dit moment geen contact, omdat er een jaar geleden bij hem thuis ook een dergelijk geweldsincident richting zijn partner heeft plaatsgevonden. Er is plek voor [minderjarige] bij de [crisisgroep] in Vlissingen, waarbij het de hoop is dat [minderjarige] binnen twee weken terug naar de moeder kan. Gekeken moet worden of en hoe dit mogelijk is.
Gezien de situatie vindt de kinderrechter het niet verantwoord dat [minderjarige] terug naar de moeder gaat. Nu er ook geen alternatieven binnen het netwerk beschikbaar zijn, is de kinderrechter van oordeel dat een spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is om zijn acute veiligheid te waarborgen. Belangrijk is dat de rust wederkeert. Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
De belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen mondelinge behandeling. In afwachting van de mondelinge behandeling zal de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 27 maart 2026 en tot 10 april 2026. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. Een nadere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 maart 2026 en tot 10 april 2026;
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van donderdag 2 april 2026 om 15:15 uur, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. S.E. van de Merbel voor de duur van 45 minuten;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, (de advocaat van) de moeder en de vader;
bepaalt dat [minderjarige] via een aparte brief wordt uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. Zuijdweg, kinderrechter, op 27 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 30 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Vork als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.