[eiseres], uit [plaats], eiseres
en
de Raad van Bestuur van Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 24 november 2025 inzake de verwijdering van haar dochter als leerling van [school].
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Feiten en omstandigheden
2. De dochter van eiseres volgde onderwijs aan [school] in [plaats] (hierna: de school). Op 7 november 2025 is besloten tot verwijdering van de dochter als leerling van de school. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 24 november 2025 door de [school] ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld en aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft zich in de uitspraak van 13 maart 2026 met zaaknummer 26/749 onbevoegd verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
3. De bestuursrechter is onbevoegd om het beroep te behandelen. Hierna wordt uitgelegd waarom de bestuursrechter onbevoegd is.
Uit artikel 8:1 van de Awb volgt dat alleen tegen een besluit beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Dit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In artikel 1:1, eerste lid, van de Awb is bepaald wat onder een bestuursorgaan moet worden verstaan.
De school is onderdeel van de [school]. Deze scholengemeenschap valt onder het gezag van OMO, een privaatrechtelijke rechtspersoon. In de uitspraak van 13 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter al vastgesteld dat OMO tot doel heeft “het vormen van een onderwijsorganisatie tot het bevorderen, in stand houden en doen voortbestaan van scholen voor alle vormen van bijzonder secundair (voortgezet) onderwijs met een katholieke grondslag”. De rechtbank concludeert dat de school een bijzondere school is als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen OMO en/of de school niet als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a (een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld), van de Awb worden aangemerkt. Ten aanzien van de vraag of OMO en/of de school een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb (b-orgaan) is, is bepalend of aan hen een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van een rechtspositie is toegekend. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juli 2006, 11 oktober 2006 en van 10 juni 2015, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen beslissingen van een bijzondere instelling. Uit de uitspraken van de Afdeling volgt dat slechts sprake is van uitoefening van openbaar gezag, indien het gaat om een verklaring van het bevoegd gezag van een bijzondere school omtrent de afgifte van een getuigschrift. Daarvan is in dit geval geen sprake.
De conclusie van het voorgaande is dat er, nu OMO en/of de school geen bestuursorgaan zijn in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb, geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hieruit volgt dat er geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
Conclusie en gevolgen
4. De (bestuursrechter van de) rechtbank is onbevoegd. Dit betekent dat zij het beroep niet inhoudelijk mag behandelen.
Omdat er geen griffierecht is betaald, kan dit niet worden teruggestort.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 20 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.