RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/445986 / KG ZA 26-126
Vonnis in kort geding van 17 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eisende partij] H.O.D.N. [bedrijf],
zaakdoende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. M. Smits,
tegen
1. [gedaagde partij 1] ,
2. [gedaagde partij 2],
3. [gedaagde partij 3],
allen wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 3] en samen [gedaagde partijen] ,
advocaat: mr. R.R.E. Nobus.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 april 2026, met producties 1 t/m 25,- de conclusie van antwoord,- de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de pleitnota van mr. Smits. Namens [gedaagde partijen] is enkel mr. Nobus verschenen.
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eisende partij] verhuurt via haar website vakantiehuizen in Frankrijk. [gedaagde partijen] hebben op 30 juli 2025 een vakantiewoning in [plaats 3] gehuurd van 20 september 2025 tot en met 27 september 2025.
Op 24 september 2025 hebben [gedaagde partijen] telefonisch bij [eisende partij] geklaagd over de vakantiewoning. [eisende partij] heeft per e-mail van 24 september 2025 compensatie aangeboden. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben diezelfde dag volledige terugbetaling gevorderd van de huursom.
Vanaf 24 september 2025 zijn meerdere negatieve recensies online geplaatst betreffende de gehuurde vakantiewoning.
[eisende partij] heeft meerdere voorstellen aan [gedaagde partijen] gezonden om tot een oplossing te komen. [gedaagde partijen] heeft de voorstellen niet aanvaard.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde partijen] :
a. te verbieden om nieuwe of andere recensies of andere uitlatingen online openbaar te maken, gelijkluidend aan de recensies zoals beschreven in de dagvaarding,
b. te gebieden om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de recensies die zij, al dan niet onder andere namen, online over [eisende partij] hebben geplaatst te verwijderen en deze verwijderd te houden en hen te verbieden om de recensies te bewerken, voor zover die bewerking een inhoud heeft die gelijkluidend is aan de recensies zoals beschreven in de dagvaarding,
c. te veroordelen van het betalen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de vorderingen sub a en b voldoen,
d. te veroordelen tot het betalen van buitengerechtelijke kosten van primair € 2.205,00 excl. btw en subsidiair € 925,00, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
e. te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis, tot de dag van volledige betaling,
f. te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis, tot de dag van volledige betaling.
[eisende partij] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde partijen] hebben direct, nadat zij hadden geklaagd over de gehuurde vakantiewoning, herhaaldelijk zeer negatieve recensies geplaatst die alle grenzen overschreden van wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. De uitlatingen zijn onnodig grievend en gaan verder dan het uiten van persoonlijke meningen. Zij hebben de indruk gewekt dat sprake was van meerdere ervaringen, door gebruik te maken van andere namen. De recensies zijn geplaatst op platformen met een groot bereik, wat tot schade kan leiden bij [eisende partij] . De beschuldigingen zijn niet concreet onderbouwd en zijn onrechtmatig. [eisende partij] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, welke in redelijkheid zijn gemaakt om [gedaagde partijen] te bewegen tot het verwijderen van de recensies. Uit de aard van de vorderingen vloeit voort dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij de onderhavige vorderingen.
[gedaagde partijen] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde partijen] voeren het volgende aan. [eisende partij] heeft geen spoedeisend belang bij haar vordering, nu de uitlatingen voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn verwijderd. [gedaagde partijen] betwist dat de uitlatingen onrechtmatig zijn. De zaak leent zich niet voor een behandeling in kort geding, nu niet vaststaat of de uitlatingen onrechtmatig zijn. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet worden afgewezen, omdat de gemaakte kosten moeten worden geacht te zijn inbegrepen in een eventuele proceskostenveroordeling. De gevorderde vergoeding staat niet in verhouding tot de betaalde huursom voor de vakantiewoning. Het Besluit BIK is niet van toepassing, zodat de vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet op grond daarvan kan worden toegewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisende partij] een spoedeisend belang bij haar vorderingen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde partijen] ondertussen (vrijwel) alle uitlatingen heeft verwijderd, neemt niet weg dat [eisende partij] nog steeds een spoedeisend belang heeft bij haar andere vorderingen, alsmede bij het verwijderen van de laatste uitlating. [eisende partij] is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.
Bij de beoordeling van de vorderingen sub a en b stelt de voorzieningenrechter voorop dat het uitgangspunt is dat toewijzing van de vorderingen een beperking inhoudt op het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Daarvan is sprake als de uitlatingen die [gedaagde partijen] hebben gedaan onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag of de uitlatingen van [gedaagde partijen] onrechtmatig zijn, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.
[gedaagde partijen] hebben niet betwist dat de door [eisende partij] overgelegde schermafbeeldingen van recensies allemaal door hen zijn geplaatst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Nobus namens [gedaagde partijen] gesteld dat alle uitlatingen inmiddels zijn verwijderd. [eisende partij] heeft daarop bevestigd dat de uitlatingen op één na zijn verwijderd. [gedaagde partijen] hebben niet weersproken dat er nog één recensie online staat.
Door een groot aantal negatieve uitlatingen op verschillende websites te plaatsen, onder verschillende namen, zijn [gedaagde partijen] naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder gegaan dan wat redelijk is. Voldoende aannemelijk is dat [eisende partij] door het handelen van [gedaagde partijen] is aangetast in haar goede naam en dat in een eventuele bodemprocedure wordt geoordeeld dat de uitlatingen van [gedaagde partijen] onrechtmatig zijn. Dat houdt in dat [gedaagde partijen] ten aanzien van de reviews over [eisende partij] dan wel de vakantiewoning kunnen worden beperkt in hun recht op vrijheid van meningsuiting. De voorzieningenrechter zal daarom het gevorderde verbod om nieuwe of andere recensies dan wel uitlatingen online openbaar te maken met betrekking tot de gehuurde vakantiewoning toewijzen.
Nu [gedaagde partijen] niet hebben weersproken dat thans nog één uitlating online staat, zal de voorzieningenrechter hen ook gebieden om die uitlating te verwijderen. Dit temeer nu mr. Nobus ter zitting heeft aangegeven dat de betreffende uitlating zal worden verwijderd. Aangezien de overige uitlatingen al zijn verwijderd en de laatste uitlating dient te worden verwijderd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om [gedaagde partijen] te verbieden tot het aanpassen van de recensies. Dat deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Aangezien [gedaagde partijen] pas kort voor de mondelinge behandeling van deze zaak zich bereid hebben getoond om alle recensies, kennelijk op één na, te verwijderen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een dwangsom op te leggen ten aanzien van het verbod en het gebod. De hoogte van de gevorderde dwangsom is niet weersproken, zodat de voorzieningenrechter [gedaagde partijen] zal veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoen. De gevorderde dwangsom zal naar redelijkheid worden gematigd, in die zin dat [gedaagde partijen] maximaal € 25.000,00 zal verbeuren nu de gevorderde dwangsom bij dagvaarding niet was gemaximaliseerd.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De hoofdvorderingen vallen niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De voorzieningenrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. Uit de stukken volgt dat [eisende partij] kosten heeft gemaakt voor buitengerechtelijke handelingen om [gedaagde partijen] te bewegen tot het verwijderen van de uitlatingen. De voorzieningenrechter zal de subsidiair gevorderde vergoeding van € 925,00 toewijzen, welk bedrag redelijk wordt geacht voor buitengerechtelijke kosten bij vorderingen van onbepaalde waarde. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen.
[gedaagde partijen] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
€
158,81
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.444,81
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt [gedaagde partijen] om, direct of indirect via anderen, nieuwe of andere reviews recensies of andere uitlatingen online openbaar te maken, die gelijkluidend zijn aan (de inhoud van) de recensies zoals besproken in de dagvaarding en/of die een soortgelijke strekking hebben als die recensies en die de reputatie van [eisende partij] kunnen beschadigen,
gebiedt [gedaagde partijen] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de laatste uitlating die zij over [eisende partij] online hebben staan, al dan niet onder een andere naam, te verwijderen en deze verwijderd te houden,
veroordeelt [gedaagde partijen] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor elke keer en/of iedere dag, of gedeelte daarvan, dat zij, of één van hen, niet aan de veroordeling onder 5.1. en/of aan de veroordeling onder 5.2. voldoen/voldoet, tot een maximum van € 25.000,00,
veroordeelt [gedaagde partijen] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 2 april 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partijen] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] vastgesteld op € 2.444,81, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partijen] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. Luijks, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.