ECLI:NL:RBZWB:2026:3479

ECLI:NL:RBZWB:2026:3479

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 02-122877-22
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Poging doodslag schieten wapen in hoofd en handelen in strijd met 26 Wet Wapens en Munitie. Geen noodweer(exces). Forse overschrijding redelijke termijn. Gevangenisstraf 4 jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-122877-22

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. [slachtoffer 1] , benadeelde partij, heeft ter zitting gebruik gemaakt van zijn spreekrecht en was vergezeld van mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda. Het onderzoek ter terechtzitting is op 15 april 2026 gesloten.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op [slachtoffer 1] heeft geschoten en hem heeft geraakt in de hals, primair tenlastegelegd als poging doodslag en subsidiair tenlastegelegd als zware mishandeling;2. in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten en op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen met een bezemsteel, primair tenlastegelegd als poging doodslag dan wel zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling; 3. een omgebouwd alarmpistool voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 in de primaire variant (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen. Vaststaat dat [slachtoffer 1] via zijn arm en kaak een kogel in de hals heeft gekregen en dat die kogel afkomstig was van het vuurwapen dat verdachte voorhanden had en heeft afgevuurd. De verklaring van verdachte over het per ongeluk afgaan van het vuurwapen is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig. Zowel [slachtoffer 1] als zijn vader [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] of vader) hebben verklaard dat verdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Deze verklaringen vinden ondersteuning in het afweerletsel op de arm van [slachtoffer 1] . Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] .

De officier van justitie acht feit 2 niet bewezen en vordert daarvoor vrijspraak.

De officier van justitie acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Bij feit 1 wordt niet ontkend dat verdachte heeft geschoten en dat daarbij [slachtoffer 1] is geraakt met een kogel, maar wordt door de verdediging gesteld dat verdachte hiertoe niet het opzet heeft gehad. Het wapen is afgegaan tijdens een worsteling met [slachtoffer 1] en het wapen ging per ongeluk af. Verdachte dacht ook dat het een alarmpistool was en geen scherpschietend wapen en heeft dus gedwaald ten opzichte van het wapen dat hij voorhanden had. Het opzet bij dit feit 1 kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Daarom dient vrijspraak te volgen. Subsidiair is een beroep gedaan op noodweer.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2. Van dit feit dient verdachte dan ook vrijgesproken te worden.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1:

Feiten en omstandigheden

Op basis van de inhoud van het dossier, hetgeen op zitting is besproken alsmede de beelden die in het dossier zitten en op zitting zijn voorgehouden, stelt de rechtbank vast dat er op 14 mei 2022 in de avond een aantal incidenten plaatsvonden.

Incident 1

Op 14 mei 2022, tussen 19:00 en 20:00 uur, liet verdachte zijn honden uit in de straat waar hij woonde, te weten aan de [straat] in [plaats] . Verdachte zag [slachtoffer 3] te hard door de straat rijden. Verdachte stak zijn middelvinger op. Er ontstond een flinke discussie tussen [slachtoffer 3] en verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij daarbij [slachtoffer 3] heeft geslagen.

Incident 2

Verdachte ging naar huis en besloot met zijn bedrijfsbus op zoek te gaan naar [slachtoffer 3] . Op beelden van de [winkel] (Multimediabestand [winkel] -ch9main 2022051420002-2022051421002) is te zien dat verdachte om 20:00:55 uur op de kruising reed, draaide en in de richting van de auto van [slachtoffer 3] reed en daarbij bijna de auto van [slachtoffer 3] raakte. De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze beelden er geen andere uitleg mogelijk is dan dat verdachte daar bewust op [slachtoffer 3] inreed.

Verdachte is daarna terug naar huis gereden. Op camerabeelden van de achtertuin van verdachte is te zien dat verdachte in zijn achtertuin zit en om 20.39 uur een wapen in de hand heeft en dit laadt.

Op beelden van de [winkel] (de Multimediabestanden genummerd ch05_20220514203156, ch05- 2022051405539, ch05_2022051405532 en ch05_20220514205812) is te zien dat verdachte daarna weer meermalen in de omgeving heeft rondgereden. Verdachte is daarna terug naar huis gegaan.

Incident 3

Blijkens camerabeelden staan er vervolgens rond 21.45 uur drie mannen bij de voordeur van de woning van verdachte aan de [straat] in [plaats] . Verdachte was op dat moment thuis met zijn vrouw en zwager. Een man loopt om 21.46.52 uur met een zwarte stang of balk langs de voordeur (de rechtbank begrijpt uit de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij dat is). Dit blijkt een zware deurklink te zijn. Om 21.46.48 uur staat NN3 voor de deur in provocerende houding (de rechtbank begrijpt uit de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij dat is). Op dat moment vonden er vernielingen plaats. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij die vernielingen heeft toegebracht. [slachtoffer 2] loopt om 21.47.10 uur door het grind van de voortuin naar het steegje. [slachtoffer 1] loopt om 21:47:38 uur met de zwarte staaf (deurklink) in zijn rechterhand in de richting van het steegje. Een onbekend gebleven man loopt ook richting het steegje. Om 21:47:55 rent [slachtoffer 3] in de berm aan de voorkant van het huis, waarna hij in de richting van het steegje kijkt. Om 21.48.20 uur komt [slachtoffer 1] teruggerend vanaf de zijde van het steegje. Om 21.49:25 en 21.49.52 rijden respectievelijk een zwarte bestelbus en een VW Golf bij de woning van verdachte weg.

Er bleken diverse vernielingen aan de woning, de bedrijfsbus en auto van verdachte te zijn gepleegd.

[slachtoffer 1] meldde zich de volgende dag samen met [slachtoffer 2] bij de politie en verklaarde dat hij in het steegje was neergeschoten door verdachte. Hij is later met spoed geopereerd omdat er een kogel in zijn hals bleek te zitten, die moest worden verwijderd. De kogel had net een slagader ontweken (de rechtbank begrijpt: net niet geraakt). Volgens de medische informatie is de kogel in de arm in- en uitgegaan en door de onderkaak links in de hals gekomen. De kaak was verbrijzeld en is door middel van een dubbele plaat en schroef vastgezet.

Tussenconclusie:

Niet ter discussie staat dat [slachtoffer 1] is geraakt met een kogel uit het wapen dat verdachte bij zich droeg en dat het wapen in de steeg is afgegaan tussen, zoals blijkt uit de camerabeelden, 21.47.38 uur en 21.48.20 uur.

Opzet?

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag (primair) dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (subsidiair).

Om tot een bewezenverklaring van een poging doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank dient daarom in eerste instantie de vraag te beantwoorden of van vol opzet of van voorwaardelijk opzet sprake is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer te doden. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet bestaat als verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Of het gaat om voorwaardelijk opzet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans tijdens de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Namens verdachte is betoogd dat er geen opzet was op het schieten. In de eerste plaats omdat verdachte niet wist dat het een scherpschietend pistool was. Hij had het wapen nooit eerder gebruikt en ging ervan uit dat het om een alarmpistool ging. In de tweede plaats is betoogd dat het wapen is afgegaan omdat verdachte werd geslagen tegen zijn linkerhand. Verdachte heeft dus niet gericht op [slachtoffer 1] geschoten volgens de verdediging.

Dat verdachte niet wist dat het om een scherpschietend vuurwapen ging, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De verbalisant die het handelen van verdachte in zijn tuin met het vuurwapen voorafgaand aan het schietincident heeft beschreven, heeft diverse handelingen beschreven die maken dat de rechtbank oordeelt dat verdachte moet hebben geweten dat het om een scherpschietend wapen ging. Immers, verdachte ging volgens de beelden voorzichtig met het wapen om door zijn vinger niet aan de trekker te houden. Op de beelden is te zien dat verdachte het patroonmagazijn uit het pistool haalde en dat er iets lichts schitterde. Dit duidt erop dat er een kogel in het patroonmagazijn zat. Ook inspecteerde hij het magazijn en sloeg op de onderzijde van het magazijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zeer routinematig met het wapen omging. Dat hij het wapen dus nooit eerder had gebruikt en niet wist dat het een scherpschietend wapen was, is niet aannemelijk geworden.

Over wat er in de steeg precies is gebeurd, zijn verschillende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft hierover verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het steegje probeerden over zijn schutting te komen, dat hij een bezemsteel heeft gepakt en hen heeft geprobeerd af te weren. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en de vrouw van verdachte hebben verklaard dat verdachte over de schutting hing met zijn lichaam. Over de bezemsteel heeft geen van de getuigen verklaard, zodat het afweren met een bezemsteel door verdachte niet aannemelijk is geworden. Ook is niet aannemelijk geworden dat de mannen over de schutting probeerden te komen, enerzijds omdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dit hebben ontkend en anderzijds omdat ook de vrouw van verdachte zei dat zij niet over de schutting konden komen. De rechtbank gaat er op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en de vrouw van verdachte vanuit dat verdachte over de schutting hing en dat er toen is geschoten.

Verdachte heeft verklaard dat het wapen per ongeluk afging omdat er tegen zijn arm werd getikt terwijl hij het wapen in zijn hand had. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het kan zijn dat hij de arm van verdachte raakte, maar dat het wapen op hem werd gericht en toen is afgegaan. Hij heeft zijn arm omhoog gedaan om zich te beschermen en is eerst door zijn arm en vervolgens in de kaak geschoten. [slachtoffer 2] verklaarde ook dat het wapen vanaf boven naar beneden op [slachtoffer 1] werd gericht.

Wat er ook van de verklaring van verdachte zij, het wapen kan naar het oordeel van de rechtbank alleen zijn afgegaan als verdachte zijn vinger aan de trekker had. Verdachte heeft daarmee het risico genomen dat het wapen zou kunnen afgaan. Volgens het wapenonderzoek dat plaats heeft gevonden, is er ook nog een tweede keer getracht te schieten. Ook dit maakt het verhaal van verdachte over het per ongeluk afgaan van het wapen niet aannemelijk. Dat er gericht is geschoten op [slachtoffer 1] leidt de rechtbank vervolgens af uit enerzijds de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hierover en anderzijds uit het letsel bij [slachtoffer 1] aan zijn arm. [slachtoffer 1] heeft zich nog af willen weren door zijn arm op te heffen en voor zijn gezicht te houden en is daarbij door zijn arm geschoten. Er was logischerwijze geen afweerletsel geweest bij [slachtoffer 1] als er niet gericht op hem was geschoten.

Naar het oordeel van de rechtbank had dit handelen van verdachte naar algemene ervaringsregels tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden. Verdachte heeft zijn vinger aan de trekker gehad en heeft daadwerkelijk gericht op het hoofd van [slachtoffer 1] geschoten. [slachtoffer 1] is in de kaak geraakt en de kogel is in de nek/hals beland. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal gedeelte van het menselijk lichaam is. Door zijn handelen heeft verdachte de aanmerkelijk kans in het leven geroepen dat hij het hoofd zou raken. Dat zou levensbedreigend bloedverlies tot gevolg kunnen hebben. Deze gedraging van verdachte kan verder naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 3:

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 14 april 2026;

- het proces-verbaal bevindingen van team forensische opsporing, afdeling wapens, munitie en explosieven, opgenomen op dossierpagina 526 e.v. van het eindproces-verbaal Dauphin met dossiernummer: 2022123365-2022124414-2022126000-ZB4R022044 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 751.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair:op 14 mei 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen een kogel in het gezicht en/of de hals, van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.op 14 mei 2022 te [plaats] een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en munitie, te weten een omgebouwd alarmpistool, voorhanden heeft gehad;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval/aanranding door aangever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte probeerde zijn aanvallers buiten de deur te houden. Zij kwamen met vijf personen naar zijn woning. Hij probeerde hen tegen te houden bij de schutting en werd met een stalen buis op zijn hoofd geslagen. De familie [slachtoffer 1] had op dat moment al meerdere vernielingen toegebracht. Verdachte moest er ernstig voor vrezen dat hij mishandeld zou worden als de familie [slachtoffer 1] toegang zou krijgen tot zijn perceel en moest ervoor vrezen dat zij de boel kort en klein zouden slaan. Dat hij zich had voorzien van een illegaal vuurwapen in verband met de aanval door de familie [slachtoffer 1] , is onvoldoende om in de weg te staan aan het slagen van een beroep op noodweer. De verdediging is dan ook van mening dat aan de eisen van noodweer is voldaan en dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, maar dat verdachte zich daaraan had kunnen en moeten onttrekken. Verdachte stond aan de ene kant van de schutting en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan de andere kant. De schutting was ongeveer 1.80 tot 1.90 meter hoog. Er was op dat moment een reële mogelijkheid om zich te onttrekken. Ook toen verdachte, uitgaande van zijn verklaring, op het hoofd werd geslagen, had hij zich nog kunnen onttrekken. Subsidiair is betoogd dat het gekozen middel, namelijk een pistool in verhouding tot een ijzeren staaf, niet proportioneel was.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Op grond van bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich aan de ene kant van de schutting bevond en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met de onbekende derde man aan de andere kant van de schutting stond. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] komt geen geslaagd beroep op noodweer toe. Zij zochten zelf de confrontatie op en hadden een deurklink bij zich. De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte. Immers, drie personen stonden in het steegje en er waren al vernielingen gepleegd aan eigendommen van verdachte. Verdachte kon zich op dat moment niet onttrekken aan de situatie. Echter de gekozen gedraging van verdachte - als verdedigingsmiddel - staat in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte had anders kunnen en moeten handelen. Verdachte stond achter een schutting en had in de lucht kunnen schieten. Door over de schutting te hangen en met een wapen gericht op [slachtoffer 1] te schieten, heeft verdachte excessief gereageerd en de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Verdachte heeft een te zwaar middel gebruikt in deze situatie. De gedraging van verdachte staat niet in redelijke verhouding tot de aanranding en er is dus niet voldaan aan de eis van proportionaliteit. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde feit is daarom strafbaar,

Strafbaarheid van verdachte

Voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op noodweerexces, overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 41, tweede lid, Sr is bepaald dat een persoon die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, niet strafbaar is, als die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Noodweerexces kan in beeld komen wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte – handelende in een hevige gemoedsbeweging – zich op het slachtoffer richtte.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich vanaf het eerste incident al opgefokt gedroeg. Verdachte heeft op zeker moment, nog voordat de [familie van de slachtoffers] naar zijn woning kwam, zijn wapen gereed gemaakt. Hij was onrustig en is meermalen in zijn bus gestapt om in de omgeving te gaan kijken of hij [slachtoffer 3] kon vinden. Ook heeft hij er voor gekozen om een schietklaar, scherp vuurwapen bij zich te hebben. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van noodweerexces geen sprake is geweest.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Indien het tot een strafoplegging komt, verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden in het voordeel van verdachte met de omstandigheden dat verdachte bij detentie zijn woning en bedrijf zal verliezen, het feit heel veel impact heeft gehad en de redelijke termijn in strafzaken is overschreden.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en heeft daarmee een poging tot doodslag gepleegd door hiermee gericht te schieten op [slachtoffer 1] . Verdachte heeft daardoor het leven van [slachtoffer 1] op het spel gezet. Dat het schieten door verdachte geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van verdachte. [slachtoffer 1] had afweerwonden op zijn armen. De patroon was door zijn arm gegaan en door zijn kaak in zijn nek/hals terechtgekomen. Een slagader is net niet geraakt. [slachtoffer 1] moest een zeer riskante operatie ondergaan en heeft sindsdien lang moeten revalideren. Hoeveel impact dit feit heeft gehad, blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] ter zitting, waar [slachtoffer 1] verklaarde dat zijn leven ingrijpend is veranderd. Hij heeft blijvend letsel. De linkerkant van zijn kaak is volledig gevoelloos en hij moet daarvoor in de toekomst nog een aantal operaties ondergaan, waarbij het de vraag is of dit goed komt. Hij heeft volgens het medisch attest dat in het dossier zit tot eind december 2022 niet kunnen werken. [slachtoffer 1] heeft ter zitting verklaard dat hij geen financiële ondersteuning kreeg in die periode omdat hij als zelfstandige actief was. Ook heeft hij hulp van psychologen gehad, maar slaapt hij nog steeds slecht. Ter zitting was voor de rechtbank zichtbaar dat [slachtoffer 1] ’s gezicht en hals ontsierd worden door blijvende littekens.

Strafmaat:

Gelet op de ernst van het feit kan de rechtbank niet anders dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur opleggen. Bij de hoogte van die straf houdt de rechtbank rekening met een aantal strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden. Ook houdt zij rekening met het strafblad van verdachte waarop geen relevante documentatie staat.

Strafverzwarend:

De grote fysieke en blijvende lichamelijke gevolgen bij [slachtoffer 1] acht de rechtbank strafverzwarend. Ook strafverzwarend acht de rechtbank het gedrag van verdachte voorafgaand aan dit incident. Er zijn immers twee eerdere incidenten geweest waarbij verdachte zich agressief heeft opgesteld. Ook had hij het wapen al voor het incident in gereedheid gebracht.

Strafverminderend: De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 16 mei 2022 voor het eerst als verdachte is verhoord. Hij is bij dit verhoor gewezen op zijn rechten en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. De redelijke termijn heeft dus op die datum aanvang genomen. Er zijn volgens de rechtbank geen bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. De berechting in onderhavige strafzaak heeft onnodig vertraging opgelopen. Volgens de rechtbank is na twee jaar, dus op 16 mei 2024, de redelijke termijn verstreken. De rechtbank zal op 29 april 2026 uitspraak doen. De redelijke termijn is daardoor met meer dan 23 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Verdachte heeft immers door deze overschrijding van de redelijke termijn lang in onzekerheid verbleven.

Conclusie:

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest passend en zal dit ook opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: poging tot doodslag;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. D. van Kralingen en

mr. D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 14 mei 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een kogel in het gezicht en/of de hals, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art. 287 jo 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 mei 2022 te [plaats] , aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal,met een vuurwapen een kogel in het gezicht en/of de hals, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten;(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.hij op of omstreeks 14 mei 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal,- met een vuurwapen een kogel richting het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,- met een bezemsteel, in elk geval een soortgelijkend voorwerp, op het hoofd, in elk gevalop het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(art. 287 jo 302 lid 1 jo 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 mei 2022 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandelddoor meermalen, althans eenmaal, met een bezemsteel, in elk geval een soortgelijk voorwerp, op het hoofd, in elk geval op het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan;(art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.hij op of omstreeks 14 mei 2022 te [plaats] een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en munitie, te weten een omgebouwd alarmpistool, voorhanden heeft gehad;(art. 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand