uitspraak van 23 januari 2026 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[verzoekster] (verzoekster in zaaknummer 26/169, mede namens haar minderjarige zoon) en [verzoeker] (verzoeker in zaaknummer 26/172, de meerderjarige zoon van verzoekster), uit [plaats 1] , hierna gezamenlijk: verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele (het college), verweerder.
Inleiding
1. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen twee besluiten van het college van 11 december 2025 (bestreden besluiten) over de overplaatsing van verzoekers naar een nieuwe opvanglocatie met ingang van 14 januari 2026. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 19 januari 2026. Verzoekers zijn verschenen. Het college werd vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] . Zij werden bijgestaan door mr. drs. A. Schreijenberg.
OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden
2. Verzoekers zijn afkomstig uit Oekraïne. Vanwege de oorlog in dit land sinds februari 2022, vluchtten vele Oekraïense burgers naar Nederland. Verzoekers verblijven in een opvanglocatie aan het [adres 1] . Hun woning heeft drie slaapkamers. Deze woning deelden zij met een ander ontheemd gezin van drie personen, waardoor zij konden beschikken over anderhalve kamer. Na overplaatsing van dat gezin hadden zij de afgelopen periode de gehele woning voor henzelf ter beschikking.
Het college heeft in de bestreden besluiten aan verzoekers per 14 januari 2026 een nieuwe plaats toegewezen op grond van artikel 9 van de Regeling Opvang Ontheemden Oekraïne (RooO). De nieuwe opvanglocatie is gelegen aan [adres 2] in [plaats 2] , en is voorzien van één kamer. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Zij heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het standpunt van het college
3. Het college stelt dat hij gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om verzoekers naar de opvanglocatie aan [adres 2] in [plaats 2] over te plaatsen. Hij heeft in zijn afweging onder meer betrokken dat alle gezinsleden samen worden geplaatst, en dat zoveel als mogelijk rekening wordt gehouden met leeftijd, mobititeit in relatie tot voorzieningen, medische omstandigheden, of dieren in de opvanglocatie zijn toegestaan, en sociale omstandigheden/ervaringen. Alleenstaanden worden op een eenpersoonskamer geplaatst. Volgens het college ligt aan zijn besluiten een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag, waarbij – naast het algemeen belang bij een goede verdeling van opvangplekken – ook de persoonlijke situatie van betrokkenen is meegewogen.
Verzoeksters standpunt
4. Verzoekster stelt dat de toegewezen woonruimte ongeschikt is voor haar en haar twee kinderen van 7 en 18 jaar oud vanwege ernstige vervuiling en gevaarlijke omstandigheden. De vloerbedekking, muren, matrassen, kussens en gordijnen zijn zichtbaar vervuild en beschadigd, en de sanitaire voorzieningen verkeren in een zeer slechte staat, wat basale hygiëne onmogelijk maakt. Daarnaast vormt een metalen rekje met scherpe punten bij de keukenuitgang een direct veiligheidsrisico. Verzoekster stelt verder dat de verhuizing naar de nieuwe woonruimte een acuut gezondheidsrisico oplevert, gelet op haar hartklachten en de recent door haar onder-gane gaenocoligische operatie waardoor zij is aangewezen op (eigen) hygiënische sanitaire voorzieningen. De nieuwe opvanglocatie ligt bovendien ver van haar huidige woning, wat voor haar als alleenstaande moeder zonder auto een grote praktische en emotionele belasting is. Verzoekster stelt dat de verhuizing ook oneerlijk is, omdat andere bewoners in betere omstandigheden blijven wonen. Verder is er onduidelijkheid over welke kamer aan haar gezin wordt toegewezen, waardoor de besluitvorming onvoldoende bepaald is.
Toetsingskader voorzieningenrechter
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Daarbij zal de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen beslissing niet in stand kan blijven, moeten worden beantwoord. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Relevante wet- en regelgeving
6. De relevante bepalingen in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG, de Richtlijn) en de RooO luiden als volgt.
Artikel 13 van de Richtlijn
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen te hunner beschikking krijgen om huisvesting te vinden.
Artikel 2 van de RooO
1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de opvang van ontheemden. (…)
Artikel 5 van de RooO
1. De opvangvoorziening voldoet aan een toereikend huisvestingsniveau, waaronder ten minste wordt begrepen de aanwezigheid van een adequate bescherming tegen weersinvloeden, van verwarming, sanitaire voorzieningen en zit- en slaapgelegenheid.
2. Indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.
3. Van de in het eerste lid genoemde criteria kan worden afgeweken gedurende de eerste acute opvang.
Artikel 9 van de RooO
1. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt in welke opvangvoorziening binnen de gemeente een ontheemde wordt geplaatst en is bevoegd een ontheemde naar een andere voorziening binnen de gemeente over te plaatsen.
2. Bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, zorgt het college van burgemeester en wethouders ervoor dat de eenheid van het gezin in de mate van het mogelijke en met instemming van de betrokken gezinsleden bewaard wordt.
Artikel 15 van de RooO
1. Het college van burgemeester en wethouders houdt bij uitvoering van deze regeling rekening met de specifieke situatie van kwetsbare ontheemden zoals minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen.
Beoordeling van het spoedeisend belang
7. Verzoekster heeft het spoedeisend belang in beide zaken onderbouwd door te stellen dat de uitkomst van de bezwaarprocedures niet kan worden afgewacht, omdat de combinatie van sterk vervuilde woon- en sanitaire voorzieningen met haar medische situatie een reëel en acuut risico vormt. De voorzieningenrechter ziet in deze gestelde omstandigheden, in samenhang met de (uiteindelijk) aangezegde verhuisdatum, voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen in deze zaken.
Is sprake van connexiteit in de procedure van verzoeker in zaaknummer 26/172?
8. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) 'connexiteit'. Het formele connexiteitsvereiste houdt in dat er naast het verzoek om een voorlopige voorziening ook sprake zijn van een bezwaar- of beroepszaak. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het college om zowel haar als haar kinderen over te plaatsen naar een andere opvangvoorziening. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat verzoekster bezwaar heeft gemaakt namens verzoeker in de procedure met zaaknummer 26/172, tegen het besluit dat op hem betrekking heeft. De voorzieningen-rechter concludeert daarom dat in genoemde zaak is voldaan aan het vereiste van de (formele) connexiteit.
Inhoudelijke beoordeling door de voorzieningenrechter
9. Niet in geschil is dat het college op grond van artikel 9, eerste lid, van de RooO bevoegd is tot het overplaatsen van verzoekers naar een nieuwe opvanglocatie. De vraag is of het college in dit geval gebruik mocht maken van die bevoegdheid. Het college heeft een groot belang om de aanwezige opvangcapaciteit optimaal te benutten vanwege het aantal op te vangen ontheemden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bij de toegewezen woonvoorziening gaat om een 'fatsoenlijk onderkomen' als bedoeld in artikel 13 van de Richtlijn, en of daarin sprake is van een 'toereikend huisvestingsniveau' als bedoeld in artikel 5 van de RooO. Verder is de vraag of het college voldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere opvang- en veiligheidsbehoeften van verzoekers, mede nu zij door de bestreden besluiten nog maar over één kamer kunnen beschikken.
10. De stelling van verzoekster dat de bestreden besluiten onvoldoende bepaald zijn omdat onduidelijk is welke woonruimte feitelijk aan haar gezin wordt toegewezen slaagt niet. Tijdens de zitting is gebleken dat deze onduidelijkheid niet meer aan de orde is.
11. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in de bestreden besluiten onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom de toegewezen woonvoorziening voldoet aan genoemde criteria, en waarom voldoende rekening is gehouden met de bijzondere opvang- en veiligheidsbehoeften van verzoekers, zoals vereist op grond van de RooO en de Richtlijn. De bestreden besluiten bevatten namelijk enkel een algemene belangenafweging met vermelding van de aandachtpunten waarmee rekening zou zijn gehouden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit gebrek wel worden hersteld bij het nemen van de beslissing(en) op bezwaar, door alsnog in een meer op verzoekers toegespitste motivering te voorzien. De voorzieningenrechter acht daarbij het volgende van belang.
12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekers aan genoemde criteria in de Richtlijn en de RooO geen aanspraak kunnen ontlenen op een bepaald aantal slaapkamers of minimale oppervlakte aan woonruimte. Ook een eventuele achteruitgang op deze aspecten ten opzichte van de huidige woonsituatie maakt nog niet dat bij de nieuwe opvangvoorziening niet is voldaan aan genoemde criteria. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het college steekhoudend heeft toegelicht waarom de toegewezen woonruimte in [plaats 2] (ook) voldoet aan de relevante criteria. Wat betreft de omvang van de leefruimte is gebleken dat in de slaapkamer een tweepersoons- en een eenpersoonbed en verschillende (ingebouwde) kasten staan. Ook is er nog ruimte voor (bijvoorbeeld) een tafel met stoelen. Verzoekers kunnen verder beschikken over gezamenlijke voorzieningen (twee toiletten, een douche en een keuken) die moeten worden gedeeld met maximaal zes andere personen. Verzoekster stelt dat zij belang heeft bij het niet hoeven delen van sanitaire voorzieningen met anderen dan haar gezin vanwege haar operatie in september 2025. Zij wijst op een door haar overgelegde medische verklaring. Deze is echter opgesteld in de Oekraïense taal en bovendien niet leesbaar. Deze verklaring biedt dan ook geen aanknopingspunten om te concluderen dat een bijzondere behoefte bestaat aan eigen sanitaire voorzieningen. Verzoekster heeft verder op de zitting verklaard dat zij geen medische klachten meer heeft. Verder zijn de gestelde hartproblemen niet onderbouwd met medische stukken. Verzoekers hebben ter onderbouwing van de door hen gestelde vervuiling en gevaarlijke omstandigheden van de toegewezen woonruimte ter zitting foto's getoond. De voorzieningerechter stelt vast dat de nieuwe locatie een oud(er) gebouw is met enige gebruikssporen. Op basis van de getoonde situatie is de toestand ervan echter niet zodanig dat voorshands moet worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat een aantal aandachtpunten zijn te verhelpen door schoon te maken of (klein) onderhoud te plegen, en dat de kussens en de matrassen – zoals ook bevestigd door het college ter zitting – met behulp van de aanwezige begeleiding in het gebouw kunnen worden vervangen. Andere aandachtpunten staan niet in de weg aan een hygiënisch gebruik van de woonruimte. Het door verzoekers gestelde gevaar van het metalen rekje kan verder worden weggenomen door dit (losstaande) rekje weg te halen De voorzieningenrechter merkt op dat het betreffende rekje blijkens een getoonde foto op de zitting al is verplaatst naar een doodlopende gang. Verzoeker heeft ter zitting benadrukt dat het onwenselijk is dat hij als meerderjarige samen met zijn moeder in een kamer moet wonen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat deze situatie niet ideaal is, is de kamer van verzoekers primair bedoeld als slaapruimte en kunnen zij ook gebruik maken van de gezamenlijke ruimtes in het gebouw. Verzoeker kan, zoals opgemerkt door het college ter zitting, omdat hij meerderjarig is bovendien een aanvraag indienen voor een eigen woonruimte. In het bestreden besluit is het college uitgegaan van de wens van ontheemden om als gezin te worden gehuisvest. Verzoeksters enkele stelling dat de nieuwe opvanglocatie ver ligt van haar huidige woning geeft evenmin aanleiding voor de conclusie dat de toegewezen woonruimte niet voldoet aan de toepasselijke criteria.
13. Verzoekers stellen verder dat de wijze van herhuisvesting onrechtvaardig is in vergelijking met andere bewoners in een vergelijkbare positie. De voorzieningenrechter vat dit betoog op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Dit beroep slaagt voorshands niet, omdat verzoekers niet met concrete gegevens heeft onderbouwd dat het college in hun geval anders heeft beslist dan in vergelijkbare gevallen.
Conclusie
14. Gezien het voorgaande heeft het college het belang om tot een optimale verdeling van schaarse opvangcapaciteit te komen zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoekers om niet overgeplaatst te worden. De bestreden besluiten zullen naar verwachting van de voorzieningenrechter standhouden na heroverweging in bezwaar. De verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening worden daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.Onderkant formulier