RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-094468-25
vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is op 11 juli 2025 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer en is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen haar gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1: samen met een ander of alleen [aangever 1] letsel heeft toegebracht door te slaan, schoppen en/of krabben. Dit is op verschillende manieren ten laste gelegd;
2: hoofdagent [aangever 2] heeft mishandeld door te slaan en/of te stompen.
3. De voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding.
Ter zitting is gebleken dat er onduidelijkheid bestond over de manier waarop de verweten feiten die zien op [aangever 1] ten laste zijn gelegd. Er zijn namelijk twee dagvaardingen onder hetzelfde parketnummer uitgebracht, waarbij de redactie van de strafrechtelijke verwijten verschilt. De rechtbank gaat in haar beoordeling uit van de tenlastelegging zoals opgenomen in de bijlage waarbij de feiten als primair/subsidiair ten laste zijn gelegd. Deze tenlastelegging volgt uit de meest recente dagvaarding die aan verdachte werd verstuurd. De rechtbank gaat ervan uit dat deze tenlastelegging de eerder uitgezonden tenlastelegging vervangt en dat die eerdere tenlastelegging abusievelijk niet is ingetrokken. De officier van justitie en de raadsman hebben te kennen gegeven eveneens uit te gaan van betreffende dagvaarding. Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van het plegen van openlijk geweld. De rechtbank kan wel tot een bewezenverklaring komen van de onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde mishandelingen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Feit 1 primair
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van verdachte, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd jegens aangever. Tevens volgt daaruit dat dit op de openbare weg heeft plaatsgevonden. De volgende vraag die de rechtbank dient te beoordelen is of verdachte dit geweld in vereniging heeft gepleegd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Aangever verklaart dat op het moment dat hij door verdachte werd mishandeld, verdachte een man riep die verderop in de straat stond. Deze man kwam naar hen toegelopen en begon zich ermee te bemoeien. Hij begon aangever ook te duwen en te slaan en hij riep daarbij ‘je moet niet aan mijn zus komen’. De vriendin van aangever – getuige [getuige] – verklaart ook dat er een man aan kwam gelopen en naar verdachte toeliep. Hij begon aangever te slaan en te trappen, terwijl verdachte ondertussen ook nog steeds bezig was met slaan en schoppen. Getuige [getuige] verklaart daarbij ook dat zij gehoord heeft dat de man iets zei in de zin van ‘niet tegen mijn zus, man’.
Aangever geeft een signalement van de man die hem samen met verdachte heeft mishandeld en benoemt daarbij onder andere dat diegene een fors postuur had en een beige shirt droeg. De broer van verdachte en tevens medeverdachte voldoet aan dit signalement gezien de politiefoto van hem in het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om aan te nemen dat verdachte samen met een ander geweld heeft toegepast jegens aangever en dat die ander de broer van verdachte is. Aangever en zijn vriendin verklaren beide over een tweede persoon die geweld heeft gebruikt, over de omstandigheden waaronder dit is gebeurd en over de uitlatingen die door deze persoon zijn gedaan. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze verklaringen. Zij kennen verdachte en haar broer niet en niet kan worden ingezien waarom zij op dat punt zouden liegen. Dat andere getuigen het geweld door meerdere personen kennelijk niet hebben waargenomen, doet hier niet aan af.
Deze getuigen verklaren wel over een man, maar die man heeft de ruzie juist proberen te sussen en de scooter van aangever op de stoep gezet, hetgeen overigens ook door aangever en zijn vriendin wordt bevestigd. Gezien echter de gegeven signalementen van de kleding van de desbetreffende man is dit onmiskenbaar een ander dan medeverdachte. Dit wordt overigens ook door verdachte bevestigd nu zij het in haar verklaring heeft over iemand die zij niet kende en die haar naar huis stuurde.
Voor een bewezenverklaring van het openlijk en in vereniging plegen van geweld moet vast komen te staan dat – in dit geval de beide verdachten - een voldoende significante of wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake, zodat de onder feit 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Feit 2.
Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit en daarvoor geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2025076168, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met 69.
De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 maart 2025 (p. 62-67);
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 26 maart 2025 (p. 24-25);
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (p.26-28); - het proces-verbaal van aangifte door verbalisant [aangever 2] van 26 maart 2025 (p. 29-31).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. primair
op 26 maart 2025 te Tilburg, openlijk, te weten aan de Burchtstraat (ter hoogte van Hertogstraat te Tilburg), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , door die [aangever 1] meermalen:
- te slaan tegen de arm en het gezicht en
- te schoppen en/of te trappen tegen het been, en
- te krabben in de nek;
2
op 26 maart 2025 te Tilburg, een ambtenaar, [aangever 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [aangever 2] te slaan tegen de kaak en de schouder.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 100 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met het opleggen van een taakstraf en wijst erop dat verdachte niet bereid is mee te werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met haar broer schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever. Nadat zij door aangever werd aangesproken op haar rijgedrag, stopte ze de auto, stapte uit en ging direct over tot het mishandelen van aangever. Ook betrok zij haar broer bij dit volstrekt zinloze geweld. Door dit geweld heeft aangever letsel opgelopen. Naast de fysieke gevolgen van het incident heeft hij ook last gehad van gevoelens van angst. Nu dit geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg en diverse getuigen dit hebben gezien, versterkt dit ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft verdachte een agent mishandeld door hem meerdere keren te slaan, toen de politie haar en haar broer kwam aanhouden. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. De reclassering heeft op 27 juni 2025 een rapport over haar opgesteld en geadviseerd bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Betrokkene zou toen bij de reclassering hebben aangegeven open te staan voor begeleiding. Volgens de raadsman van verdachte zou dat niet (meer) het geval zijn.
De rechtbank ziet – gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport – aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, maar gelet op het standpunt van de verdediging geen door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan te verbinden.
Op basis van de oriëntatiepunten voor straftoemeting neemt de rechtbank als uitgangspunt voor de strafoplegging voor een openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel ten gevolge hebbend een taakstraf van 150 uur. Verdachte heeft daarnaast ook nog een politieagent mishandeld. Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde geweld en de rol van verdachte bij de openlijke geweldpleging, die groter was dan de rol van haar broer, acht de rechtbank alles afwegende een taakstraf voor de duur van 180 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Het opleggen van het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur voor verdachte. Ondanks dat verdachte zelf geen behoefte lijkt te hebben aan hulp en begeleiding, volgt uit het reclasseringsrapport wel dat in het leven van verdachte diverse factoren spelen die het recidiverisico mogelijk verhogen. Met de voorwaardelijke straf en de proeftijd van twee jaar, beoogt de rechtbank ervoor te zorgen dat verdachte een volgende keer niet impulsief handelt, maar eerst nadenkt en vervolgens afziet van het toepassen van geweld.
7. De benadeelde partijen
[aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 1.514,26 voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 714,26, waarvan € 14,26 materiële schade (reiskosten) en € 700,00 immateriële schade, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de (immateriële) schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 26 maart 2025.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu de omvang van de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
[aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 433,00 voor feit 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat zij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 350,00, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 26 maart 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 141, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
Feit 2: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake
van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij [aangever 1]
Ten aanzien van feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 714,26, waarvan € 14,26 aan materiële schade en € 700,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] , € 714,26 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Benadeelde partij [aangever 2]
Ten aanzien van feit 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 350,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] , € 350,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en
mr. E.G.F. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2026.
Mrs. Donders en Vliegenberg zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
10. Bijlage I
De tenlastelegging
1
zij op of omstreeks 26 maart 2025 te Tilburg, openlijk, te weten aan de
Burchtstraat (ter hoogte van Hertogstraat te Tilburg), in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] ,
door die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal:
- ( met kracht) te slaan en/of te stompen tegen de arm en/of het been en/of het
gezicht en/of het hoofd, althans op/tegen het lichaam, en/of
- ( met kracht) te schoppen en/of te trappen tegen het been, althans op/tegen het
lichaam, en/of
- te krabben en/of te krassen op/tegen de nek, althans op/tegen het lichaam;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 26 maart 2025 te Tilburg, [aangever 1] heeft mishandeld
door die [aangever 1] , meermalen, althans eenmaal:
- ( met kracht) te slaan en/of te stompen tegen de arm en/of het been en/of het
gezicht en/of het hoofd, althans op/tegen het lichaam, en/of
- ( met kracht) te schoppen en/of te trappen tegen het been, althans op/tegen het
lichaam, en/of
- te krabben en/of te krassen op/tegen de nek, althans op/tegen het lichaam;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
zij op of omstreeks 26 maart 2025 te Tilburg, een ambtenaar, [aangever 2]
(hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) gedurende en/of terzake van de
rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [aangever 2] ,
meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of te stompen op/tegen de
kaak en/of het gezicht en/of het hoofd en/of de schouder, althans op/tegen het
lichaam;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van
Strafrecht )