[vereniging 1] , uit [plaats 1] , en
[vereniging 2] , uit [plaats 2] ,
gezamenlijk eisers
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op het handhavingsverzoek van
17 april 2025, inzake de [straat 1] tussen de [straat 2] en de [straat 3] te Breda.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eisers hebben het college op 17 april 2025 een brief verstuurd inhoudende onder meer een verzoek tot (aanvullende) handhaving ten aanzien van de [percelen] , [sectie] , nummers [perceelnummer 1] , [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] betreffende alle denkbare handelingen die in strijd zijn met de natuurbestemming ter plaatse. Daarbij wordt ook het uitwegen op de [straat 1] vanaf het [perceel] , nummer [perceelnummer 4] en het opnieuw inslaan van piketpaaltjes om de vijf meter met draad ertussen als afbakening tussen de agrarische en natuurbestemming genoemd. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eisers hebben het college op 2 juli 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.Op enkele andere verzoeken uit de brief van 17 april 2025 heeft het college op 25 juli 2025 alsnog een reactie gegeven. De rechtbank heeft eisers bij brief van 16 maart 2026 verzocht om kenbaar te maken of deze brief aanleiding geeft tot intrekking van het beroep ten aanzien van deze overige verzoeken. Eisers hebben bij brief van 30 maart 2026 aangegeven dat het beroep beperkt is tot het handhavingsverzoek en niet ziet op de overige verzoeken.
Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit op het handhavingsverzoek heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 29 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.