RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-324314-20, 02-800613-17, 02-160236-17 en 22-005274-16
v.i.-zaaknummer: 99-000359-57
beslissing van de meervoudige kamer van 1 mei 2026 op de vordering tot achterwege blijven voorwaardelijke invrijheidstelling
In de zaak van de officier van justitie tegen:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] (België),
verblijvende in de penitentiaire inrichting in [plaats] .
1. De voorgeschiedenis
Bij onherroepelijk vonnis van de Rechtbank van eerste Aanleg, afdeling Turnhout (België), van 24 februari 2011 (vonnisnummer 274/2011) is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1460 dagen, voor in totaal 110 strafbare feiten. De tenuitvoerlegging van deze straf is overgedragen aan Nederland (parketnummer 02-324314-20).
Bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 juli 2017 (parketnummer 22-005274-16, rechtsmiddel van parketnummer 10-690105-15) is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, voor oplichting en diefstal.
Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2017 (parketnummer 02-160236-17) is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, voor verduistering.
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 augustus 2018 (parketnummer 02-800613-17) is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, voor in totaal acht strafbare feiten.
Betrokkene kwam op grond van de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.), zoals deze luidde vóór 1 juli 2021, in aanmerking voor v.i. met ingang van 9 maart 2021. Het strafrestant van betrokkene bedroeg op dat moment 937 dagen gevangenisstraf. Aan de v.i. van betrokkene werden de volgende voorwaarden gekoppeld:
- een meldplicht bij de reclassering;
- een verplichte ambulante behandeling;
- andere voorwaarden betreffende het gedrag: betrokkene werkt mee en verricht actieve inspanning voor (een traject gericht op) het verkrijgen en behouden van woonruimte en structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding, betrokkene toont een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de behandeling en betrokkene toont openheid van zaken ten aanzien van zijn financiële situatie.
Betrokkene is op 9 maart 2001 in vrijheid gesteld en zat vervolgens vanaf 26 december 2021 gedetineerd in België, waarna het v.i.-toezicht in Nederland op 23 september 2024 weer is opgestart.
De officier van justitie diende op 2 juni 2025 een vordering in tot gedeeltelijke herroeping van de v.i. van betrokkene, omdat betrokkene was vertrokken naar Spanje en zich daardoor niet aan de voorwaarden had gehouden. Bij beslissing van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 oktober 2025 is deze vordering gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat van het strafrestant alsnog 180 dagen gevangenisstraf ten uitvoer moesten worden gelegd. Naar aanleiding van deze beslissing is betrokkene vanaf 16 oktober 2025 weer gedetineerd geraakt. De voorlopige v.i.-datum na deze beslissing betrof 14 april 2026, met op die datum een strafrestant van 757 dagen gevangenisstraf.
Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2025 (parketnummer: 10-116087-25) is betrokkene veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en 60 uren taakstraf, voor rijden onder invloed van drugs en mishandeling van zijn ex-partner, beide gepleegd op 14 april 2025.
Op 12 februari 2026 is betrokkene gedagvaard in verband met een verdenking van drie fraudedelicten gepleegd in de periode van 14 november 2024 tot en met 12 oktober 2025. Deze zaak wordt naar verwachting in juni 2026 behandeld bij de rechtbank Rotterdam.
2. De procesgang
De officier van justitie heeft op 13 maart 2026 een vordering ingediend tot achterwege blijven van de v.i. Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak op 31 maart 2026 naar de meervoudige kamer verwezen.
Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie van 13 maart 2026;
- de adviezen van de penitentiaire inrichting in [plaats] (hierna: de PI) van 10 februari 2026 en 7 april 2026;
- de adviezen van de reclassering van 23 februari 2026 en 13 april 2026.
Het onderzoek is gehouden op de openbare zitting van 17 april 2026. Betrokkene is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam. Als deskundige is op de zitting gehoord [persoon] , reclasseringswerker.
3. Het beoordelingskader
Bij veroordelingen tot een vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken vóór 1 juli 2021 wordt de v.i. toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die vóór 1 juli 2021 luidden (ECLI:NL:HR:2021:984).
Volgens die regeling van de v.i. geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 Sv (oud), vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van twee derde deel van de gevangenisstraf. Op grond van artikel 6:2:12 Sv (oud) kan de v.i. echter worden uitgesteld of achterwege blijven, als één of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie.
4. Het advies van de reclassering
De reclassering adviseert tot het achterwege blijven van de v.i., omdat er in het geval van betrokkene geen mogelijkheden worden gezien om via een voorwaardelijk kader tot een gedragsverandering te komen. Betrokkene kampt met ontoereikende copingvaardigheden, zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze problematiek, in combinatie met een pro-crimineel netwerk en een pro-criminele attitude, maakt dat het betrokkene nooit is gelukt om langdurig uit beeld te blijven van justitie. Ook de financiële situatie en dagbesteding van betrokkene worden als criminogeen en risicoverhogend gezien. Voor de gebrekkige copingvaardigheden en het beperkte zelfinzicht bij betrokkene is een behandeling geïndiceerd. Hoewel betrokkene altijd heeft gezegd mee te zullen werken aan een behandeling, komt dit niet tot stand als hij uit detentie is. Hij legt hiervoor de verantwoordelijkheid grotendeels bij de reclassering. Dit maakt dat de reclassering weinig vertrouwen heeft in de hervatting van het v.i.-toezicht. Betrokkene lijkt niet gemotiveerd te kunnen worden door een forensisch kader en de reclassering ziet geen mogelijkheden om middels interventies bij te dragen aan risicobeperking. Het recidiverisico schat de reclassering momenteel in als hoog, gelet op de instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden van betrokkene en de hiervoor beschreven problematiek bij betrokkene. Ook het risico op onttrekking aan voorwaarden schat de reclassering in als hoog. Betrokkene hield zich eerder niet aan voorwaarden. In 2017 onttrok betrokkene zich aan reclasseringstoezicht en dit deed hij ook in 2025 toen hij vertrok naar Spanje. Daarnaast recidiveerde betrokkene in 2025 tijdens zijn v.i. – onder andere door mishandeling van zijn ex-partner – en is hij gedagvaard voor diverse vormen van fraude die tijdens zijn v.i. in 2024 en 2025 zouden zijn gepleegd.
Een v.i.-kader zou, in theorie en gelet op hoe betrokkene zichzelf presenteert, kunnen bijdragen aan een succesvolle re-integratie. De reclassering heeft echter, gezien het verloop de afgelopen jaren, niet de indruk dat enige vorm van voorwaarden het recidiverisico voldoende kan beperken. Gedurende het huidige onderzoek wordt duidelijk dat betrokkene een andere beleving heeft van het reclasseringstoezicht dan uit het dossier en de informatie vanuit de toezichthouder naar voren komt en hij doet meermaals uitspraken die haaks staan op elkaar. Dit maakt dat hij, ondanks zijn stellige uitspraken zich te zullen houden aan de voorwaarden, sociaal wenselijk en onbetrouwbaar overkomt. Deze houding maakt eveneens dat de reclassering niet tot de kern kan komen van het delictgedrag en aan delictpreventie of risicobeperking kan werken. De reclassering heeft niet de indruk dat dit patroon met de hervatting van het v.i.-toezicht doorbroken kan worden.
5. Het advies van de PI
In het advies van 10 februari 2026 adviseert de PI hervatting van de v.i. van betrokkene, maar komt hier in het advies van 7 april 2026 op terug. In laatstgenoemd advies wordt het standpunt van de reclassering overgenomen en negatief geadviseerd over hervatting van de v.i. van betrokkene. Betrokkene pleegt vanaf ongeveer zijn 15e levensjaar onophoudelijk (overwegend) vermogensdelicten, waardoor gesproken kan worden van langdurige delictpleging. Er is bij betrokkene sprake van veel instabiliteit op het gebied van wonen, werken en sociaal netwerk en een hoog risico op recidive en het onttrekken aan voorwaarden. Betrokkene is niet (afspraken)trouw, is recent tijdens zijn v.i. gerecidiveerd en lijkt hier in persoonlijkheid en handelen geen verandering in aan te kunnen brengen. Eerdere interventies om risico's terug te dringen en recidive te reduceren zijn mislukt. De toezegging van betrokkene dat het ditmaal wel gaat lukken en dat hij gemotiveerd is, vindt geen steun in zijn eerdere gedragingen.
6. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de v.i. achterwege blijft en heeft ter onderbouwing van die vordering gewezen op de adviezen van de reclassering en de PI.
7. Het standpunt van de verdediging
Betrokkene erkent dat hij in 2025 een fout heeft gemaakt door zonder toestemming van de reclassering naar het buitenland te vertrekken, vanwege problemen met zijn ex-partner, maar stelt dat het reclasseringstoezicht voor die tijd – ook in het kader van zijn v.i. – altijd goed verliep. Hij verklaart dat hij heel gemotiveerd is om te laten zien dat hij zich nu wel aan de voorwaarden kan houden, dat hij hoopt dat de rechtbank hem de kans geeft om dit te bewijzen en dat er veel voor hem op het spel staat, met name de omgang met zijn kinderen.
De verdediging betoogt dat de vordering moet worden afgewezen, zodat betrokkene van de v.i. gebruik kan maken. Betrokkene heeft vanuit detentie reeds het een en ander geregeld om zijn leven buiten op orde te brengen, zoals een inschrijfadres in de basisregistratie personen, een woning waar hij terecht kan en een restaurant waar hij aan het werk kan. Daarnaast heeft hij weer contact met zijn familie, wordt zijn faillissement momenteel door de curator afgewikkeld en heeft de (kinder)rechter op 28 november 2025 een beschikking afgegeven over de omgang met zijn jongste kind, waarover nu nog een hoger beroepsprocedure loopt.
8. Het oordeel van de rechtbank
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, aangezien de vordering op 13 maart 2026 is ontvangen en de grond bevat waarop zij berust.
Op grond van artikel 6:2:12, eerste lid, onder d, Sv kan v.i. achterwege blijven of worden uitgesteld indien door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven.
De reclassering schat het recidiverisico bij betrokkene in als hoog en ziet geen mogelijkheden om dit recidiverisico met voorwaarden voldoende in te perken. Ook het risico van op onttrekking aan voorwaarden schat de reclassering hoog in. De PI sluit zich aan bij dit standpunt van de reclassering.
De rechtbank ziet op haar beurt geen aanleiding om van de adviezen van de reclassering en de PI af te wijken. De in het reclasseringsadvies gegeven motivering voor het hoge recidiverisico kan de rechtbank volgen, temeer nu de voor de problematiek van betrokkene geïndiceerde behandeling nimmer van de grond is gekomen en betrokkene daadwerkelijk tijdens zijn v.i. is gerecidiveerd, aangezien hij is veroordeeld voor het op 14 april 2025 rijden onder invloed van drugs en mishandelen van zijn ex-partner. Dat betrokkene inmiddels is gedagvaard voor drie fraudedelicten gepleegd in de periode november 2024 tot en met oktober 2025 spreekt daarbij – hoewel dit nog slechts verdenkingen zijn – niet in zijn voordeel. Ook de in het reclasseringsadvies gegeven motivering voor het hoge risico op onttrekking aan voorwaarden kan de rechtbank volgen. In 2017 heeft betrokkene zich aan het reclasseringstoezicht onttrokken en meer recent, medio 2025 tijdens zijn v.i., gebeurde dit ook door zijn vertrek naar Spanje, als gevolg waarvan hij de voorwaarden ‘meldplicht bij de reclassering’ en ‘verplichte ambulante behandeling’ schond.
Kortom, betrokkene heeft verschillende kansen gekregen om te werken aan een noodzakelijke gedragsverandering, maar is er niet in geslaagd om zich aan de daaraan gestelde voorwaarden te houden. De rechtbank ziet in wat betrokkene naar voren heeft gebracht – waaronder datgene wat hij buiten detentie stelt te hebben geregeld – geen overtuigende reden waarom hij zich nu wel aan de voorwaarden zou gaan houden. Het vertrouwen ontbreekt dan ook om betrokkene nogmaals een kans te geven.
De rechtbank wijst de vordering tot achterwege blijven van de v.i. daarom toe.
9. De beslissing
De rechtbank wijst de vordering tot achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, enmr. P.A.M. Wijffels en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 mei 2026.