beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/412560 / FA RK 23-3684
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Nadere beschikking over wijziging zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.L.P. Heuts in Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: A. Koop-van Vliet, voorheen bijgestaan door mr. Y.I.B. Grosfeld in Breda,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2019,
(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
1. Het verdere procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank van 9 december 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het op 13 november 2025 ontvangen verweerschrift van de GI, tevens houdend zelfstandig verzoek;
- het op 29 januari 2026 ontvangen intrekking van het verzoek van de GI;
- het F9-formulier van mr. Heuts van 27 november 2025, 3 februari 2026 en 24 februari 2026;
- de F9-formulieren van mr. Koop-van Vliet van 19 november 2025, 29 januari 2026, 5 februari 2026 en 11 februari 2026;
2. De feiten
Bij voormelde beschikking van 9 december 2024 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden, in afwachting van bericht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna de GI.
De rechtbank heeft op 13 november 2025 voornoemde reactie van de GI ontvangen.
3. Het aangehouden verzoek
Aan de orde is het verzoek van de man om de zorg- en contactregeling, die in het (aangepaste) ouderschapsplan van 2019 is overeengekomen tussen partijen, te wijzigen en te bepalen dat de man en de kinderen gerechtigd zijn tot contact met elkaar, inhoudende dat de kinderen bij de man zullen verblijven eens per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot woensdagavond na het avondeten.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen, dan wel aan te houden voor de duur van zes maanden in afwachting van het verloop/de resultaten van de in te zetten hulpverlening.
4. De nadere beoordeling
Uit de door partijen overgelegde schriftelijke standpunten blijkt, kort samengevat, dat de man zijn verzoek heeft ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat op dit moment geen verzoek meer aan de rechtbank voorligt. Dit betekent dat het verzoek van de man zal worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande wordt beslist als volgt.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van Rozendaal, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.