ECLI:NL:RBZWB:2026:3589

ECLI:NL:RBZWB:2026:3589

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer C/02/433583 FA RK 25-1603
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Na bekrachtiging door Hof van beschikking rechtbank waarin geen vervangende toestemming verhuizing voor moeder is verleend; is nu hoofdverblijf bij vader bepaald en een weekendregeling met moeder.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/433583 FA RK 25-1603

Datum uitspraak: 31 maart 2026

Nadere beschikking betreffende hoofdverblijf en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [plaats 2] ,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser in Tilburg,

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

Als informant is in de procedure betrokken:

De gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

de in deze zaak gegeven beschikking van 24 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;

het op 2 december 2025 ontvangen F9 formulier met producties 6 en 7 van mr. Hissink;

de op 12 maart 2026 ontvangen brief met producties 5 t/m 7 van mr. Leijser.

De behandelingen van de verzoeken zijn voortgezet ter zitting van 17 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigsters van de GI en een medewerker namens de Raad.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna te noemen [minderjarige] .

De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag

over [minderjarige] .

Bij beschikking van 31 januari 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 februari 2026. Bij beschikking van 4 februari 2026 is de ondertoezichtstelling vervolgens verlengd tot 8 februari 2027.

Bij beschikking van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te geven om met [minderjarige] naar [plaats 2] te verhuizen, afgewezen.

Bij beschikking van 2 oktober 2025 van het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch heeft het hof de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant,

zittingsplaats Breda, van 7 februari 2025 bekrachtigd.

Bij voormelde beschikking van 24 juni 2025 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijf heeft bij de man. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij partijen het halen en brengen delen en de regie over de verdere invulling en uitbreiding van de contacten bij de GI ligt en dat partijen in onderling overleg met de GI afspraken dienen te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedurende de vakanties, een en ander conform rechtsoverweging 5.5 van die beschikking. Voorts is de behandeling van de verzoeken aangehouden in afwachting zijn van het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 7 februari 2025 over de verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 2] . De rechtbank acht het aangewezen dat partijen uiterlijk op die datum de rechtbank en de Raad schriftelijk informeren over de beslissing van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en daarbij ook het door hen gewenste verdere procesverloop ten aanzien van onderhavige voorliggende aangehouden verzoeken kenbaar maken.

3. De (resterende) verzoeken

De man verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021 haar

hoofdverblijf zal hebben bij de man en op zijn adres ingeschreven zal staan;

II. te bepalen dat de vrouw en genoemde minderjarige gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar gedurende een weekend per 14 dagen te rekenen vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur waarbij de vrouw de minderjarige zal halen en brengen, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank deze vermeent te behoren.

De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw.

De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

Bij wege van gewijzigd zelfstandig verzoek, verzoekt de vrouw om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het hoofdverblijf van [minderjarige] te bepalen bij de vrouw;

II. te bepalen dat de man en de minderjarige [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar gedurende een weekend per 14 dagen te rekenen vanaf vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur waarbij de man de minderjarige zal ophalen en de vrouw de minderjarige zal ophalen op het centraal station te [plaats 3] gedurende de periode dat er bij moeder sprake is van een longembolie. Indien moeder is genezen van de longembolie zal zij de minderjarige komen ophalen in [plaats 4] .

4. De nadere standpunten en het advies van de Raad

De man handhaaft zijn verzoeken en voert ter onderbouwing daarvan, alsmede in verweer tegen de (gewijzigde) verzoeken van de vrouw, het volgende aan. Ten aanzien van het hoofdverblijf stelt de man dat dit bij hem dient te blijven. Volgens de man is [minderjarige] kwetsbaar en is het van belang dat zij in een stabiele omgeving woont. Ook de vrouw is kwetsbaar, mede gelet op haar gezondheid en de recente terugkeer bij de vrouw thuis van haar twee andere dochters, hetgeen een extra belasting vormt. De man beschikt inmiddels over een geschikte woonruimte, te weten een ruim appartement waarin [minderjarige] over een eigen kamer beschikt. De hulpverlening vanuit [hulpverlening] is nog steeds betrokken en wordt in dezelfde vorm voortgezet (meerdere contactmomenten met begeleiding per dag). Gelet hierop is het volgens de man niet in het belang van [minderjarige] dat het hoofdverblijf bij de vrouw wordt vastgesteld. Ten aanzien van de zorgregeling voert de man aan dat de huidige regeling te veel onrust voor [minderjarige] veroorzaakt en daarom niet passend is. Ook hier weegt de kwetsbaarheid van de vrouw mee: zij heeft gezondheidsproblemen en de thuissituatie is veranderd nu haar twee dochters weer bij haar wonen. Dit maakt een frequentere omgang moeilijk uitvoerbaar. Het is in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling duidelijk, haalbaar en voorspelbaar is. De man stelt voor dat [minderjarige] eenmaal in de twee weken in het weekend bij de vrouw verblijf. Voorts wijst de man erop dat er nu iedere woensdag rond 15.00 uur een belmoment plaatsvindt tussen de vrouw en [minderjarige] . Hij stelt voor dit belmoment ook vast te leggen. Ten aanzien van het vervoer voert de man aan dat het verzoek van de vrouw om [minderjarige] tijdelijk in [plaats 3] af te zetten voor hem niet haalbaar is, zowel praktisch als financieel, aangezien hij zelf geen eigen vervoer heeft. Als alternatief stelt hij voor dat de vrouw zich gedurende deze tijdelijke situatie laat vervoeren door een ander, bijvoorbeeld door een vriendin van haar. De man geeft aan dat de invulling van vakantie- en feestdagen in onderling overleg tussen de ouders kan plaatsvinden, zo nodig met behulp van de GI. In dit kader staat al een afspraak gepland.

Door en namens de vrouw is, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De vrouw handhaaft haar eerdere (gewijzigde) verzoeken, met dien verstande dat zij kennis heeft genomen van de uitspraak van het hof met betrekking tot de door haar gewenste verhuizing met [minderjarige] . Hoewel de vrouw begrijpt dat het hof het in het belang van [minderjarige] acht dat zij in [plaats 4] blijft wonen, maakt zij zich zorgen over de huidige situatie van [minderjarige] bij de man. Ten aanzien van het hoofdverblijf voert de vrouw aan dat zij heeft aangetoond dat zij in staat is zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen. [minderjarige] heeft in de weekenden bij haar in [plaats 2] goed kunnen aarden, alle noodzakelijke voorzieningen zijn getroffen en haar andere twee dochters wonen inmiddels weer bij haar thuis. Daarnaast is hulpverlening in de thuissituatie geregeld. De vrouw is van mening dat zij in staat is een stabiele en veilige woonsituatie te bieden. Ten aanzien van de zorgregeling heeft de vrouw bij brief van 12 maart 2026 haar verzoek gewijzigd. Zij stelt voor dat zij [minderjarige] tijdelijk in [plaats 3] wil afzetten in plaats van in [plaats 4] . Dit komt door haar medische situatie (longembolieën), waardoor langdurig reizen voor haar te belastend is. De vrouw merkt op dat [minderjarige] geen hinder lijkt te ondervinden van de reisafstand en dat vanuit de school geen signalen zijn ontvangen dat dit belastend is. De vrouw geeft aan dat de vakantie- en feestdagen in onderling overleg tussen de ouders kunnen worden geregeld. Zij verwijst daarbij naar afspraken die reeds met de GI zijn gemaakt. De vrouw kan zich vinden in het voorstel van de man om wekelijks een belmoment vast te stellen op woensdag 15:00 uur. Zij verzoekt dat dit belmoment in de beschikking wordt opgenomen.

De GI heeft, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. De GI vindt het in het belang van [minderjarige] dat het hoofdverblijf bij de man wordt vastgesteld, in lijn met de beslissing van het hof. Daarbij weegt de GI mee dat er zorgen bestaan over de gezondheid van de vrouw. Ten aanzien van de zorgregeling vindt de GI een regeling waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vrouw verblijft het meest passend. De huidige regeling wordt volgens de GI (om al dan niet gegronde redenen) te vaak afgezegd, hetgeen niet in het belang is van [minderjarige] . De GI vindt het van belang dat [minderjarige] kan vertrouwen op de zorgregeling en dat deze ook daadwerkelijk wordt nagekomen. Een regeling van een weekend per veertien dagen biedt volgens de GI meer stabiliteit en voorspelbaarheid. De GI merkt daarbij op dat de contactmomenten die wel doorgaan goed verlopen. [minderjarige] heeft het naar haar zin bij de vrouw en er zijn geen zorgen over de contacten tussen de vrouw en [minderjarige] .

De Raad adviseert de rechtbank om te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man wordt vastgesteld. Ten aanzien van de zorgregeling is het volgens de Raad van belang dat er een regeling wordt vastgesteld die voor partijen haalbaar is, teneinde teleurstellingen bij [minderjarige] te voorkomen. De Raad vindt, net zoals de GI en de man, een zorgregeling waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vrouw verblijft passend. Daarbij merkt de Raad op dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij niet ieder weekend hoeft te reizen en ook weekenden in haar vertrouwde leefomgeving kan doorbrengen. Daarnaast heeft de vrouw te kampen met gezondheidsklachten en wonen haar twee dochters recent weer bij haar. De Raad vindt deze omstandigheden van invloed op de draagkracht van de vrouw. Ook dient er rekening te worden gehouden met de kwetsbaarheid van [minderjarige] . De Raad vindt het van belang dat er nu duidelijkheid en stabiliteit komt in de zorgregeling. Tegelijkertijd vindt de Raad het wenselijk dat [minderjarige] gedurende vakanties en vrije dagen mogelijk langer bij de vrouw kan verblijven, nu de zorgregeling wordt beperkt ten opzichte van de huidige situatie. De Raad vindt het aan de ouders om hierover onderling afspraken te maken, zo nodig met ondersteuning van de GI.

5. De nadere beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Hoofdverblijf

De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek eerder aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het hof over de vervangende toestemming voor verhuizing. Daarbij is het hoofdverblijf van [minderjarige] voorlopig bij de man bepaald. Het hof heeft inmiddels, in het kader van het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing, geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] is om in haar huidige woonomgeving ( [plaats 4] ) te blijven. Nu niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken. De rechtbank betrekt voorts bij haar beoordeling dat [minderjarige] een meisje is dat extra ondersteuning nodig heeft, onder meer op het gebied van spraak- en taalontwikkeling en haar sociaal emotionele ontwikkeling. In de huidige woonomgeving in [plaats 4] is hiervoor passende hulpverlening ingezet. [minderjarige] bezoekt een peuterspeelzaal met een indicatie voor voor- en vroegschoolse educatie en er is, in samenspraak met [onderwijsinstelling] , een aanmeldingstraject voor speciaal onderwijs opgestart.

Gelet op het voorgaande, en in lijn met het oordeel van het hof, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zij in haar huidige, stabiele omgeving blijft. De rechtbank zal daarom bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man blijft. Het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf bij haar te bepalen, wordt afgewezen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De rechtbank heeft ook de beslissing over de zorgregeling eerder aangehouden, waarbij een voorlopige zorgregeling geldt inhoudende dat [minderjarige] iedere vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vrouw verblijft. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt over een definitieve zorgregeling. Bij haar beoordeling sluit de rechtbank aan bij het advies van de Raad en de standpunten van de man en de GI, inhoudende dat het van groot belang is dat er een structurele zorgregeling wordt vastgesteld die consequent wordt nagekomen. Uit de afgelopen periode is gebleken dat de huidige regeling, waarbij [minderjarige] ieder weekend bij de vrouw verblijft, in de praktijk niet haalbaar is. Dit hangt onder meer samen met de kwetsbare gezondheid van de vrouw. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is dat behoefte heeft aan duidelijkheid, rust en structuur. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank een zorgregeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken een weekend bij de vrouw verblijft het meest passend.

De rechtbank vindt het daarbij van belang dat dit weekend plaatsvindt op momenten waarop ook de andere dochters van de vrouw bij haar aanwezig zijn, zodat [minderjarige] haar band met hen kan behouden.

Ten aanzien van het halen en brengen, overweegt de rechtbank dat de man [minderjarige] op vrijdag naar [plaats 2] brengt en de vrouw op zondag [minderjarige] weer terug brengt naar [plaats 4] . Het verzoek van de vrouw om [minderjarige] af te zetten in [plaats 3] in plaats van [plaats 4] , wordt niet gevolgd. De rechtbank benadrukt dat het hier gaat om een definitieve regeling en dat tijdelijke omstandigheden geen aanleiding vormen om hiervan af te wijken. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij praktisch uitvoering geeft aan de regeling zoals vastgesteld. Het is van belang dat de regeling stabiliteit en voorspelbaarheid voor [minderjarige] waarborgt. Een afwijking, zoals het afzetten in [plaats 3] , zou hieraan afbreuk doen.

Voorts zal de rechtbank, nu partijen dit zijn overeengekomen, vastleggen dat de vrouw met [minderjarige] iedere woensdag rond 15:00 uur telefonisch contact heeft. Wat betreft vakanties en feestdagen zal de verdeling in onderling overleg met de GI plaatsvinden, zoals door partijen is aangegeven. Als het partijen onverhoopt niet lukt om hierover in onderling overleg afspraken te maken, zal, zolang de GI betrokken is, de GI bepalen hoe de vakanties worden verdeeld. Een verdeling van de vakanties en feestdagen zal gelet hierop en nu daaromtrent geen verzoeken voorliggen niet opgenomen worden in het dictum, maar deze afspraak geldt als zodanig wel tussen partijen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

De proceskosten

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021 haar hoofdverblijf heeft bij de man;

bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 24 juni 2025, dat de vrouw en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021 in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

- eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] brengt naar [plaats 2] en de vrouw op zondag [minderjarige] weer terug brengt naar [plaats 4] ;

- iedere woensdag rond 15:00 uur telefonisch;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Busselaar als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand