RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-224886-25
raadkamernummer : 25-021896
datum : 20 januari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [datum] 1984 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg (Kijkduinlaan 105, 5045 PH Tilburg),
hierna te noemen: de klager
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
(hierna: de voertuigen);
Op 23 december 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks, klager en mr. R.T.A.G. Keller als advocaat van klager, gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. De raadsman heeft namens klager in raadkamer te kennen gegeven dat het verzoek om teruggave van de in beslag genomen Volvo V40 met [kenteken 1] niet meer wordt gehandhaafd. Voornoemd voertuig stond voor de inbeslagneming op naam van de neef van klager. Klager heeft het voertuig een dag voor de inval van de politie op zijn naam laten zetten. Gelet op artikel 94a, vierde lid, Sv is een verzoek om teruggave in dit geval niet passend. Het klaagschrift richt zich thans enkel nog richt tegen het beslag op de Volvo V40 met [kenteken 2] . Klager is de eigenaar en ook de tenaamgestelde van dit voertuig. Klager voelt zich bezwaard door de inbeslagneming en voortduring daarvan. Klager stelt dat de inbeslagneming niet van enige relevantie is voor de waarheidsvinding, noch dat het voertuig verband houden met enig strafbaar feit, zodat ook geen sprake kan zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het is in de optiek van klager, gelet op diens stellige ontkenning van de gestelde betrokkenheid bij de aangetroffen hennepstekkerij, ook uitgesloten en op zijn minst hoogst onwaarschijnlijk te achten dat de strafrechter het voertuig verbeurd zal verklaren dan wel dat hierop enige vordering kan worden verhaald. Klager heeft bij de politie zeer uitgebreid en authentiek verklaard op basis waarvan de raadsman meent dat de kans op verdere vervolging nihil is. Enig bewijs voor de betrokkenheid van klager bij de hennepstekkerij ontbreekt. Het energiecontract van het betreffende pand stond weliswaar op naam van klager, maar klager had geen bemoeienis meer met het pand. De verantwoordelijkheid voor het pand lag al jaren bij het neefje van klager. Voorts zijn de aangetroffen sporendragers in het pand niet van klager en wordt een zeer vaag signalement van een persoon gegeven dat bij cliënt zou passen, maar dat ook bij veel andere personen kan passen. Klager meent dat voortzetting van de inbeslagneming dan ook in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager en zijn kinderen zijn sterk afhankelijk van het ongestoord gebruik van het voertuig. Daarbij heeft te gelden dat klager vreest dat hij als gevolg van de inbeslagneming ernstige vermogensschade lijdt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag op het voertuig gehandhaafd dient te blijven nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal uitspreken of de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Er bestaat voldoende verdenking dat klager betrokken is geweest bij het vervaardigen van softdrugs. Bij deze stand van zaken acht hij het gelegde beslag niet disproportioneel.
Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat hij wel in het pand is geweest, maar absoluut geen betrokkenheid heeft gehad bij de daar aangetroffen hennepstekkerij. Het pand stond al twee jaar op naam van zijn neef. Klager is een half jaar geleden in het pand geweest om samen met zijn neef werkzaamheden te verrichten, wat af te breken en op te ruimen. Daarna heeft zijn neef het slot veranderd en is klager daar niet meer geweest. Volgens klager heeft zijn ex-vriendin het op hem gemunt en wil zij de schuld in zijn schoenen schuiven. De grijze Volvo V40 met [kenteken 1] was van zijn [neef]. Klager heeft dit voertuig een dag voor de inbeslagneming, na het aantreffen van de hennepstekken, bewust op zijn naam laten zetten, omdat hij dacht dat het voertuig bij hem wel veilig zou zijn. Klager werkt niet op dit moment. Hij heeft ook geen uitkering, maar leeft van het geld dat hij van de Belastingdienst heeft ontvangen.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
De rechtbank begrijpt uit het raadkamerdossier dat de inbeslaggenomen voertuigen reeds zijn vervreemd ex artikel 117 Sv, zodat het beslag op de opbrengst van de voertuigen is komen te rusten.
Uit hetgeen door de raadsman in raadkamer naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat het klaagschrift zich enkel nog richt tegen het beslag op de Volvo V40 met [kenteken 2] . De rechtbank gaat hier bij de beoordeling van het klaagschrift dan ook vanuit.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank stelt vast dat er naast beslag op grond van artikel 94 Sv ook beslag op grond van artikel 94a Sv is gelegd.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Uit de kennisgeving van inbeslagneming volgt dat op 2 juli 2025 het voertuig van klager op grond van artikel 94 Sv (aantonen wederrechtelijk verkregen voordeel) in beslag is genomen wegens verdenking van het vervaardigen van softdrugs. Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [wijkagent], volgt dat de verdenking is ontstaan naar aanleiding van een melding door een anonieme onderneemster dat klager verantwoordelijk zou zijn voor meerdere hennepkwekerijen in het pand gelegen aan [adres]. Uit nader onderzoek blijkt het energiecontract van voornoemd pand op naam van klager te staan en blijkt ook dat klager antecedenten heeft voor de Opiumwet. Omwonenden en ondernemers spreken voorts over een kleine Turkse man die vaker het pand ingaat en die gelijkenissen zou vertonen met klager. Bij het binnentreden van het pand wordt dan uiteindelijk ook een hennepstekkerij aangetroffen. Klager erkent in het pand te zijn geweest, maar ontkent iedere betrokkenheid bij de hennepstekkerij. Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en de summiere toetsing - acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de opbrengst van de auto zal bevelen. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment dus nog een strafvorderlijk belang bestaat bij het in beslag houden van de opbrengst van de auto.
Anders door klager is gesteld, acht de rechtbank voortduring van het beslag, ook bij afweging van de persoonlijke belangen van klager, niet disproportioneel. Die aangevoerde persoonlijke belangen zijn bovendien op niet met objectieve stukken onderbouwd, zodat niet zonder meer van die omstandigheden kan worden uitgegaan.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Klager wordt verdacht van betrokkenheid bij het vervaardigen van softdrugs. De rechter-commissaris heeft ook voldoende aanleiding gezien om een machtiging conservatoir beslag te verlenen tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat van een geldboete dan wel van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en met inachtneming van het summiere karakter van de raadkamer - is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van de in beslag genomen auto zal opleggen, dan wel aan verdachte eventueel de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aangezien de opbrengst van het voertuig dus in zoverre kan strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift, voor zover gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag, ongegrond te worden.
De rechtbank is van oordeel dat het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank stelt vast dat de vordering van de Staat door de rechter-commissaris is geschat op € 64.945,48. Uit de uitdraai BP dat zich in het dossier bevindt blijkt dat het voertuig op 15 augustus 2025 is verkocht voor een bedrag van
€ 3.540,29. Gelet op deze opbrengst in verhouding tot de geschatte betalingsverplichting acht de rechtbank voortduring van het beslag op dit moment niet disproportioneel.
3. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).