ECLI:NL:RBZWB:2026:3594

ECLI:NL:RBZWB:2026:3594

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer C/02/444663 / KG ZA 26-55
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Voorlopige omgangsregeling + UHA verwijzing bodemprocedure

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

C/02/405100 / KG ZA 23-1123 februari 2023

Familie en Jeugdrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/444663 / KG ZA 26-55

Vonnis in kort geding van 31 maart 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. N.A. de Kock te Utrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 17 februari 2026;

- het op 18 februari 2026 ingekomen verweerschrift, met producties;

- de op 12 maart 2026 ingekomen nadere producties van de man;

- de mondelinge behandeling op 13 maart 2026.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het volgende nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.

De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw oefent van rechtswege het

eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige uit.

De minderjarige verblijft bij de vrouw.

3. Het geschil

De man vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

- de man een dag(deel) per week omgang heeft met [minderjarige] , waarbij de man [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt, althans een in goede justitie te bepalen omgang tussen de man en [minderjarige] ;

- de vrouw in de kosten van dit geding wordt veroordeeld.

Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De man stelt dat partijen [minderjarige] altijd samen hebben verzorgd en opgevoed. Ook toen de relatie werd beëindigd. Omdat zij directe buren waren, nam de man dagelijks deel aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Partijen deden nog veel samen. Zo ging de man na zijn werk altijd naar de vrouw en [minderjarige] , maar sliep hij in zijn eigen woning. Ook de weekenden werden veelal samen doorgebracht. In deze periode wilde de man het nodige voor [minderjarige] regelen: gezamenlijk ouderlijk gezag, zorgregeling en alimentatie, opgenomen in een ouderschapsplan. Hoewel beiden samen de opvoeding en verzorging van [minderjarige] deden, wilde de vrouw niet samen met de man het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen. Deze situatie leidde tot spanningen tussen beiden. De discussies namen toe tussen partijen waardoor het contact met [minderjarige] al minder gemakkelijk verliep en de vrouw uiteindelijk (eind september 2024) het contact tussen [minderjarige] en de man niet meer toestond. De vrouw had in die periode een nieuwe relatie en de man zag de vrouw en [minderjarige] steeds minder vaak in en rondom de woning. In september 2024 heeft de vrouw de woning verlaten. Zij bleek [minderjarige] te hebben meegenomen naar [woonplaats 2] , zijnde de woonplaats van de (nieuwe) vriendin/partner van de vrouw. De man heeft uiteindelijk in maart 2025 een whatsapp bericht van de vrouw ontvangen waarin zij aangaf niets te willen zonder ouderschapsplan. Na het bericht van maart 2025 had de man gehoopt, dat de vrouw daadwerkelijk met een ouderschapsplan aan de slag wilde, maar dit bericht bleek enkel om tijd te rekken. Uit een emailwisseling tussen de vrouw en de advocaat van de man in juni 2025 blijkt dat de vrouw wil wachten op een uitspraak van de rechtbank en geen inspanningen wilde verrichten om een ouderschapsplan op te stellen. De man is uiteindelijk in oktober 2025 een kort geding gestart. Pas dan komt er iets op gang, daags voor de geplande zitting. Partijen (met hun advocaten) hebben toen afspraken gemaakt om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen. Zo wordt ingezet op wekelijks videobellen voor een korte periode, waarna het sociaal team de omgang zal gaan begeleiden. Ook starten partijen met mediation om aldaar de invulling van het gezamenlijk ouderschap verder uit te werken. De videobelgesprekken verlopen goed in die zin dat zowel de man als [minderjarige] er plezier aan beleven en goed contact met elkaar maken. [minderjarige] vraagt tijdens de gesprekken wanneer hij zijn vader kan zien en wanneer hij weer kan bellen. De vrouw laat vervolgens niets van zich horen omtrent de aanmelding bij het sociaal team. Zij heeft ergens in januari aangegeven een overleg te hebben. Verdere vragen daaromtrent beantwoordt ze niet. Er is geen zicht op inzet van hulpverlening. De man kan zich niet aanmelden omdat hij geen gezag heeft. Om diezelfde reden ontvangt hij ook geen informatie vanuit het sociaal team. De vrouw heeft ook het mediationproces vertraagd, omdat zij veel verhinderdata had. In januari 2026 stelt de vrouw uit het niets dat [minderjarige] gedragsproblemen heeft en schroeft zij het videobellen terug naar 1 maal in de twee weken. Weer een week later geeft zij aan wegens het gedrag van [minderjarige] het videobellen tijdelijk niet meer te laten doorgaan, in afwachting van professionele begeleiding. Omtrent aanmelding/traject sociaal team laat ze wederom niets horen. De vrouw beëindigt in januari (2026) het mediationtraject. De praktijk wijst uit dat de vrouw niet bereid is de man toe te laten in het leven van [minderjarige] . Ook niet wanneer de man een ouderschapsplan wil maken (zoals de vrouw eerder nog aangaf te willen) of er afspraken zwart op wit komen te staan. De vrouw benadert pas een eigen advocaat of het sociaal team als er een kort geding wordt gestart. Thans heeft zij geen advocaat meer en laat zij niets los over het vermeende contact met het sociaal team. De man gelooft dan ook niet dat hiervan sprake is en/of dit contact toeziet op het betrekken van de man in het leven van [minderjarige] . Een begin van een daadwerkelijk gesprek over hoe de man daadwerkelijk te betrekken in het leven van [minderjarige] is niet mogelijk. Het belang van [minderjarige] een band met zijn vader op te kunnen bouwen en te behouden speelt geen enkele rol in de overwegingen van de vrouw. De vrouw wil geen rekening hoeven houden met een vader in het leven van [minderjarige] en denkt hem dan ook weg, zo stelt de man. Hij kan het handelen van de vrouw niet anders uitleggen. De vrouw ontzegt de man het contact met [minderjarige] , terwijl omgang geen nadeel voor [minderjarige] oplevert of anderszins in strijd is met de belangen van [minderjarige] . Integendeel, het niet zien van zijn vader schaadt [minderjarige] zijn ontwikkeling.

De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.

Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, samengevat, het navolgende aan. De vrouw stelt niet tegen omgang te zijn. Ze verzoekt wel dat de communicatie tussen ouders uitsluitend schriftelijk en zakelijk plaatsvindt, er geen toezeggingen aan [minderjarige] worden gedaan buiten de vastgestelde regeling en dat publieke uitlatingen over de kwestie worden gestaakt. Indien omgang wordt vastgesteld, verzoekt de vrouw dit te doen binnen een duidelijke en gestructureerde regeling, rekening houdend met de mogelijkheid op gezinsleven buiten schooltijd bij moeder. De moeder acht een gefaseerde opbouwregeling nodig, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van rust en voorspelbaarheid voor [minderjarige] . De vrouw stelt dat zij heeft voorgesteld om via het CJG/ samen scheiden afspraken te maken om structuur en duidelijkheid te creëren rondom het contact. Er is momenteel geen actieve begeleide omgang beschikbaar, hier heeft moeder pro actief naar gezocht via: CJG, huisarts, school, Wijzijn, youthcare nederland, de Gezinsmanager en persoonlijke gezinsbegeleiders, welke allen aangaven dit niet te faciliteren zonder gerechtelijke opdracht of gemeentelijke verwijzing.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast. Het laatste fysieke contact tussen de man en [minderjarige] heeft bijna 1,5 jaar geleden plaatsgevonden, terwijl tegelijkertijd vast staat dat tot het verbreken van het contact de man en [minderjarige] zeer regelmatig, zo niet dagelijks, contact met elkaar hadden.

Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. De Raad stelt vast dat het ouders niet lukt om een structurele omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] tot stand te brengen. De Raad vindt het ontzettend schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] als zijn vader niet consistent in zijn leven aanwezig is. Dit heeft namelijk grote gevolgen voor zijn verdere identiteitsontwikkeling. Volgens de Raad is de beste oplossing in deze situatie dat partijen worden verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (verder: UHA) voor de inzet van ouderschapsbemiddeling met als doel contactherstel tussen de man en [minderjarige] en verder dat ouders onderling afspraken kunnen maken over [minderjarige] . De Raad adviseert om in ieder geval de videobelmomenten tussen de man en [minderjarige] te hervatten. Bij een verwijzing naar het UHA wordt een casusregisseur benoemd, die kan bij de videobelmomenten aanwezig zijn en kijken hoe het loopt. In de tussentijd kan de hulpverlening van start gaan en kunnen partijen met elkaar bespreken hoe het verder moet.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Verwijzing Uniform Hulpaanbod

Zoals uit de onderbouwing van de standpunten van partijen blijkt, lukt het ouders niet om samen de (communicatie)problemen tussen hen op te lossen en om tot nadere afspraken te komen omtrent het contact van [minderjarige] met zijn vader. Ondanks dat de man en [minderjarige] tot het verbreken van het contact elkaar regelmatig zagen, ligt het contact sinds 1,5 jaar helemaal stil. Het lukt de ouders niet om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige] , die voor een goede (identiteits)ontwikkeling onbelast en structureel contact met beide ouders nodig heeft. De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, daarom dringend noodzakelijk dat deze ouders gaan werken aan hun onderlinge verstandhouding en communicatie en dat om dit te bereiken een passend (jeugd)hulpverleningstraject wordt ingezet. Deelname aan dit traject is op vrijwillige basis, maar is niet vrijblijvend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een stok achter de deur nodig om ervoor te zorgen dat er structureel contact tussen de man en [minderjarige] zal plaatsvinden. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling op voorhand ermee ingestemd dat indien de voorzieningenrechter ten tijde van haar beslissing een dergelijk traject nodig acht hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening zal verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 17 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject dienen de ouders in ieder geval te werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).

Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De man heeft aangekondigd een bodemprocedure te zullen starten. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden.Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige

UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders c.q. omgangsregeling past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

De voorzieningenrechter verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding UHA in KG met zaaknummer C/02/444663 / KG ZA 26-55 d.d. 27 maart 2025.

De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Voorlopige zorgregeling

De voorzieningenrechter vindt het een positief dat beide ouders bereid zijn om onder begeleiding van hulpverlening te werken aan het verbeteren van de situatie rondom [minderjarige] . Beiden erkennen het belang van het contact van [minderjarige] met zijn beide ouders. Het laatste fysieke contact tussen [minderjarige] en de man heeft bijna 1,5 jaar geleden plaatsgevonden. Er zijn geen aanknopingspunten dat sprake is van onveiligheid of andere contra-indicaties die omgang tussen [minderjarige] en zijn vader in de weg staan.

De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen hem en zijn vader wordt opgebouwd waarbij wordt toegewerkt naar een structureel onbegeleid fysiek contact. Als voorlopige omgangsregeling zal de voorzieningenrechter bepalen dat de man en [minderjarige] in aanloop naar het hulpverleningstraject en totdat zij binnen dit traject tot andere afspraken zijn gekomen, gerechtigd zijn tot contact op de navolgende wijze:

- eerste maand: één keer per week videobellen;

- tweede maand: één keer per week een begeleid contact van één uur, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de casusregisseur dit zal faciliteren;

- derde maand: twee uur per week contact, waarbij het begin en het eind van het contactmoment begeleid zijn;

- vierde maand: één keer per week een dagdeel onbegeleid contact.

Enkel in overleg met de hulpverlening kan van voornoemde regeling in het belang van [minderjarige] worden afgeweken, waarbij als ondergrens geldt dat minimaal één uur per week fysiek contact plaatsvindt, al dan niet begeleid.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

bepaalt als voorlopige zorgregeling dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de wijze zoals beschreven onder r.o. 4.17;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op 15 september 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;

verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “UHA in KG zaaknummer C/02/444663 / KG ZA 26-55 d.d. 27 maart 2026”;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Middelburg, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.11. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan (de advocaten van) partijen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Voorn, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand