ECLI:NL:RBZWB:2026:361

ECLI:NL:RBZWB:2026:361, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-01-2026, RK 25-026674

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer RK 25-026674
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

gehele toewijzing nav beslissing op klaagschrift n-o

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer : 02-254210-25

raadkamernummer : 25-026674

datum : 20 januari 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [datum] 2009 te [plaats] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. P. van de Kerkhof , advocaat te Tilburg (Tivolistraat 30, 5017 HR Tilburg),

hierna te noemen: verzoeker.

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het op 16 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:

Op 23 december 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. P. van de Kerkhof als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.

Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.

Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat voorafgaand aan het indienen van het klaagschrift er meerdere malen contact is geweest met de recherche, waarbij de teruggave van de telefoon is gevraagd. Dit heeft niet mogen baten, waarna op 28 augustus 2025 een klaagschrift is ingediend. De advocaat zag geen aanleiding om ook een mail naar de afdeling Beslag te sturen nu hij er - gelet op een eerdere mededeling van de recherche dat zij het verzoek tot teruggave zouden voorleggen aan het Openbaar Ministerie - vanuit ging dat de recherche wel in overleg hierover zou treden met het Openbaar Ministerie. Vervolgens is het klaagschrift - nadat door het Openbaar Ministerie op 18 september 2025 kenbaar werd gemaakt dat de telefoon terug kon naar verzoeker - direct ingetrokken. Dat het Openbaar Ministerie het klaagschrift kennelijk pas op 4 september 2025 heeft ontvangen en dat er toen kennelijk ook al een beslissing tot teruggave lag, doet daar niet aan af. Ook na de beslissing tot teruggave heeft het nog twee maanden geduurd alvorens verzoeker zijn telefoon daadwerkelijk heeft teruggekregen. Verzoeker acht het derhalve billijk dat aan hem de verzochte vergoeding wordt toegekend.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het indienen van het klaagschrift niet heeft geleid tot teruggave van de telefoon en dat verzoeker dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaart in zijn verzoek. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat - ter voorkoming van onduidelijkheid en situaties als de onderhavige - het goed is om een verzoek tot teruggave van een goed rechtsreeks te richten aan het Openbaar Ministerie.

2. De beoordeling

De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift, nadat de beslissing tot teruggave van het in beslag genomen goed was teruggegeven.

Ontvankelijkheid verzoeker

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschrift, nu het indienen van het klaagschrift niet heeft geleid tot teruggave van de telefoon. Gelet op de nadere toelichting door de advocaat in raadkamer deelt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie niet. De rechtbank begrijpt uit de stukken en de toelichting van de raadsman dat het klaagschrift op 28 augustus 2025 is ingediend nadat er meermalen - tevergeefs - bij de recherche is verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen telefoon en dat er op 29 augustus 2025 door het Openbaar Ministerie een beslissing tot teruggave van de telefoon is genomen. Hoewel het Openbaar Ministerie naar eigen zeggen pas op 4 september 2025 kennis heeft genomen van het klaagschrift ziet de rechtbank in hetgeen daaraan vooraf is gegaan wel aanleiding om te concluderen dat het klaagschrift heeft geleid tot teruggave van de telefoon aan klager, zodat zij verzoeker ontvankelijk acht in het verzoekschrift.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat het klaagschrift in behandeling was bij deze rechtbank.

De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv ook vergoeding gevraagd kan worden van de rechtsbijstandskosten gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.

Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 917,06 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.

Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 1.597,06, bestaande uit:

- € 917,06 aan kosten van rechtsbijstand;

- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;

bepaalt dat een bedrag van € 1.597,06 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer]

ten name van Stg beh Derdengelden Woodrow Van de Kerkhof , onder vermelding van “ [kenmerk] ”.

Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.H.M. Collombon

Griffier

  • mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?