RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-235452-25
raadkamernummers : 25-026687 en 25-026686
datum : 20 januari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [datum] 1994 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 15 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 130,00, € 130,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
het op 15 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
Het verzoek is behandeld op 23 december 2025. Hierbij zijn de officier van justitie
mr. T.C.M. Hendriks en mr. H. van Asselt als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat verzoeker ongewild in de situatie is gebracht, terwijl duidelijk uit het dossier blijkt dat een ander de agressor was en een fysieke confrontatie heeft opgezocht. Daarmee heeft verzoeker de verdenking niet aan zichzelf te wijten gehad. Subsidiair is onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:4553) en de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:2586) verzocht om bij afwijzing van het verzoek ex artikel 533 Sv wel een forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van inverzekeringstelling, aangezien gezegd kan worden dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hij deze kosten heeft moeten maken. De zaak is geseponeerd vanwege het feit dat verzoeker zelf ook schade aan zijn bus heeft gekregen en er een oplossing is geprobeerd te zoeken met mediation. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat hij in dit soort zaken doorgaans eerst met de advocaat belt met de vraag of hij moet dagvaarden of seponeren. In het geval van een sepot gaat de officier er vanuit dat er geen verzoek tot schadevergoeding zal volgen.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 29 september 2025 overgegaan tot een beleidssepot, omdat verzoeker zelf door het gebeurde of de schade daarvan is getroffen. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verzoeker de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad en ziet gronden van billijkheid om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering heeft doorgebracht.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt er naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
Verzoeker heeft één dag in verzekering doorgebracht op het politiebureau. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau. De gevraagde vergoeding is conform de LOVS-uitgangspunten. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van € 130,00.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 130,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 680,00, zijnde de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 810,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer]
ten name van Beheer Derdengelden Van Asselt & Broere Strafrechtadvocaten, onder vermelding van “Schadevergoeding [verzoeker]/OM 02/235452-25”.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.