RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-151483-24
raadkamernummer : 25-012417
datum : 20 januari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [datum] 1977 te [plaats] ,
wonende op het [adres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. van Riel advocaat te Breda, (Postbus 1030, 4801 BA Breda),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 06 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 23 december 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn advocaat, mr. T. van Riel, advocaat te Breda en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij niet eerder is veroordeeld voormishandeling en/of bedreiging. Het feit betreft een éénmalig incident, waarbij sprake is geweest van een opeenstapeling van misverstanden. Daarbij speelden eveneens bijzondere omstandigheden, zoals de belasting door de mantelzorg voor zijn terminaal zieke vader, een belangrijke rol. Bepaalde zaken en handelingen van veroordeelde zijn bovendien verkeerd geïnterpreteerd en/of (door de politie) veel zwaarder aangezet dan hoe veroordeelde heeft gehandeld althans heeft willen handelen. Er is geen sprake van een delictpatroon.
Uit de rapportage van de reclassering volgt dat het recidiverisico laag-gemiddeld is. Veroordeelde heeft in het vrijwillig kader reeds contact gelegd met hulpverlening van Fivoor en Novadic-Kentron. Hij is gemotiveerd om aan zichzelf te werken. Met de vrijwillig ingezette hulpverlening is de kans op herhaling nog lager.Daarnaast stelt veroordeelde dat het afnemen van het celmateriaal en het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ervaren als een voortzetting van zijn vervolging. Bovendien heeft het opnemen van het DNA-profiel in de databank een stigmatiserend effect.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Enkel bij hoge uitzondering biedt de Wet DNA ruimte om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat recidive met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden of in uitzonderlijke gevallen bij minderjarigen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling
Bij vonnis van 18 maart 2025 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van:
- eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaargedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
- bedreiging;
- mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot,
waarbij aan de veroordeelde is opgelegd een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Aard van het misdrijf
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor belediging, bedreiging en mishandeling. Dit zijn feiten waar DNA-materiaal van belang kan zijn in het opsporingsonderzoek. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal daarom wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Bijzondere omstandigheden
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt tot het oordeel dat deze uitzonderingssituatie in het onderhavige geval niet van toepassing is. Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan beledigingen van verbalisanten en huiselijk geweld, waarvoor hij ook een stevige straf opgelegd heeft gekregen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde evident disproportioneel is. Evenmin kan worden gezegd dat geen sprake is van een relevant recidiverisico. De rechtbank kent in dit kader mede gewicht toe aan het feit dat veroordeelde in de onderliggende strafzaak een deels voorwaardelijke straf opgelegd heeft gekregen, waaruit volgt dat de politierechter uit is gegaan van een zekere mate van recidivegevaar bij veroordeelde. De politierechter heeft daarbij meegewogen dat veroordeelde zich niet herkent in het beeld van angst dat uit het dossier naar voren komt en achtte dat zorgelijk. Dat veroordeelde niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten doet daar niet aan af. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank stelt voorop dat de Wet DNA het algemene belang dient. De opname van DNA-materiaal van de veroordeelde is geen strafverzwarende omstandigheid of een extra straf. De Wet DNA is bedoeld om gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen en om de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Informatie uit de DNA-databank is bovendien niet openbaar en dus niet vrij verkrijgbaar voor eenieder die hierin geïnteresseerd zou zijn. Als veroordeelde geen strafbare feiten meer pleegt, zal hij hier in de praktijk dan ook verder niets van merken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.