Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-157365-25
Tussenvonnis van de meervoudige kamer van 28 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [woonadres] ,
raadsvrouw mr. B.W.C. van Geet, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt in [plaats] , althans in Nederland aan:
1. het medeplegen van de handel in verschillende soorten harddrugs (cocaïne, heroïne, amfetamine en MDMA) in de periode van 20 mei 2024 tot en met 8 mei 2025 en2. deelname aan een criminele organisatie in dezelfde periode.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. Overeengekomen procesafspraken
In deze zaak hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken gemaakt over de afdoening van de strafzaak tegen verdachte.
De volgende procesafspraken zijn in de getekende overeenkomst opgenomen:
* bewezenverklaring van aan verdachte tenlastegelegde feiten 1 en 2 (conform de inhoud van bijlage A);
* een strafoplegging als hieronder weergegeven:
• een gevangenisstraf van 315 dagen
- Met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel:
De ontneming valt uitdrukkelijk buiten het bestek van deze overeenkomst. De officier van justitie zal bij de inhoudelijke zitting van de strafzaak een aankondiging van de ontneming doen. Er kan na de afdoening in de strafzaak en na gereedkoming van het financiële dossier wel gekeken worden of een schikking ex art. 511c Sv dan wel procesafspraken in het kader van de ontneming mogelijk zijn.
- Overige bepalingen:
*Wanneer de afspraken op enige wijze worden ontbonden/of het bovenstaande niet/ niet tijdig/ niet geheel voor de inhoudelijke behandeling ter zitting zal zijn nagekomen, komt de zaak terug in de stand waarin deze zich voor het maken van de afspraken bevond;
*Indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen verdachte, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen;
*Door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
*De verdachte heeft met deze afspraken – na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen- vrijwillig afstand gedaan van verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan.
(…)
5. Inhoudelijke toets procesafspraken
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat hij de inhoud, de procedure en mogelijke rechtsgevolgen van de overeenkomst begrijpt en hier nog steeds akkoord mee is. De raadsvrouw heeft betoogd dat de gemaakte procesafspraken recht doen aan de ernst van de feiten, gelet op de pleegperiode en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verzocht wordt om de procesafspraken te volgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgens de overeenkomst bewezen te verklaren feiten ernstig zijn. Er zal op een later moment nog een ontnemingsvordering volgen die expliciet buiten deze overeenkomst valt. Met verdachte zijn procesafspraken overeengekomen die uitlegbaar zijn. Het Openbaar Ministerie heeft bewust de straf lager ingezet om uiteindelijk met de verdediging tot een akkoord te kunnen komen. Daarbij is er in de strafmaat geen rekening gehouden met eventuele differentiatie in rolverdeling. Er is getracht aansluiting te vinden bij eerdere uitspraken van deze rechtbank. Verzocht wordt om de procesafspraken te volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van de totstandkoming van de procesafspraken
Ter terechtzitting van 14 april 2026 zijn de procesafspraken uit de overeenkomst met verdachte besproken met als doel om te onderzoeken of verdachte vrijwillig en in aanwezigheid van zijn raadsvrouw, op basis van voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Tevens is onderzocht of verdachte zich bewust was van de rechtsgevolgen van de beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
De rechtbank is, gelet op hetgeen verdachte hierover ter zitting heeft verklaard, van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces.
Inhoudelijke beoordeling van de procesafspraken
De rechtbank stelt voorop dat zij, zoals ter zitting benadrukt, geen partij is bij de overeengekomen procesafspraken en dat zij hier op geen enkele wijze aan is gebonden. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. De rechtbank zal de gemaakte procesafspraken dan ook toetsen aan deze wettelijke bepalingen en beoordelen of afdoening van de zaak conform deze procesafspraken al dan niet leidt tot een uitkomst die in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
In de met verdachte gemaakte procesafspraken wordt gekomen tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Het gaat dan om een bewezenverklaring van het meermalen medeplegen van de handel in verschillende soorten harddrugs gedurende bijna een jaar en de deelname aan een criminele organisatie.
Uitgaande van een bewezenverklaring zoals opgenomen in de procesafspraken, zij het met inachtneming van de ter zitting nader tussen verdediging en Openbaar Ministerie overeengekomen en in het proces-verbaal van de zitting opgenomen verbeteringen in het zogenoemde strepen van de tenlastelegging en in de kwalificatie, overweegt de rechtbank met betrekking tot de voorgestelde strafafdoening als volgt.
De rechtbank heeft kennis van de uitspraak van 24 april 2025 van deze rechtbank. De rechtbank herkent in die zaak de aard en ernst van de feiten, zoals die ook in de onderhavige zaak naar voren komen. Ook in de onderhavige zaak is er sprake van een zeer goed georganiseerde, professionele organisatie, waarbij van 12.00 uur ’s middags tot diep in de nacht harddrugs besteld konden worden. Er werden roosters gemaakt voor de ‘drivers’, de omzet werd bijgehouden en het doen van administratie werd ingepland. Etuis met drugs werden voorafgaand aan een dienst klaargemaakt en aan de dealers verstrekt en na de dienst werden de opbrengsten opgehaald. Ook vond er controle plaats op de dealers, op de netheid van de auto, de voorraad drugs en hoe die waren verstopt. Gelet op de pleegperiode en de hoeveelheid van ruim zeven kilo harddrugs die op 8 mei 2025 bij medeverdachten in een sporttas werd aangetroffen, moet de organisatie zeer winstgevend zijn geweest. Verdachte was onderdeel van het management van de organisatie en moet daar dus van hebben geprofiteerd.
Harddrugs leveren een groot gevaar op voor de volksgezondheid omdat deze middelen sterk verslavend werken. Daarbij brengt de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving en gaat dit veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit zoals geweldsdelicten en illegale geldstromen. Criminele organisaties hebben ook een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving als geheel, mede omdat de crimineel behaalde winsten moeten worden witgewassen. Dit witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer en door de vermenging van illegale met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch stelsel ernstig schade toegebracht.
Dit alles is de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft met zijn handelen aan dit alles een wezenlijke bijdrage geleverd. Om al deze gevolgen heeft hij zich niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Hij heeft de rechtsstaat aldus ernstig ondermijnd en geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen, maar zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen.
Naast de hiervoor genoemde uitspraak betrekt de rechtbank in haar oordeel de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die als uitgangspunt veel hogere straffen formuleren dan opgenomen in de procesafspraken. Voor het bezit van de hiervoor reeds genoemde hoeveelheid van in totaal ruim zeven kilo harddrugs die op 8 mei 2025 werd aangetroffen, schrijven de oriëntatiepunten in georganiseerd verband een gevangenisstraf van 42 maanden voor. Het aantreffen van deze hoeveelheid drugs bij medeverdachten mag, gelet op de criminele organisatie waarvan sprake wordt geacht en waarbinnen het bezit van deze drugs moet worden gezien, bij iedere verdachte in dit onderzoek in de strafmaat worden meegewogen, in die zin dat dit wat zegt over de bezigheden van de organisatie en wat daarin in ieder geval omging.
Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel andere vergelijkbare zaken, zoals een uitspraak van deze rechtbank van 22 augustus 2025. In die zaak was sprake van een verdachte die eveneens een coördinerende en aansturende rol vervulde binnen een organisatie die dealde in diverse soorten harddrugs. In deze zaak is een gevangenisstraf van 40 maanden opgelegd. Bij de bepaling van de strafmaat is de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie van wezenlijk belang. De strafoplegging zoals openomen in de procesafspraken, is naar het oordeel van de rechtbank passend bij verdachten die een ondergeschikte rol spelen, zoals de zogenoemde ‘drivers’. Bij het vervullen van een coördinerende en aansturende rol, zoals verdachte heeft gedaan, kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een stuk hoger dan de straf voor de dealers. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de in de procesafspraken opgenomen strafoplegging niet in redelijke verhouding staat tot de ernst, aard en duur van de feiten zoals gepleegd en de rol van verdachte daarbij. De rechtbank volgt de in deze zaak gemaakte procesafspraken dan ook niet.
De rechtbank acht het, nu zij de procesafspraken niet volgt, van belang dat de procespartijen in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de verdere behandeling en afdoening van de zaak. Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropenen.
De rechtbank benadrukt dat zij met het voorgaande op geen enkele wijze vooruitloopt op de bewijsvraag en de vraag naar een eventuele strafoplegging. De beantwoording van die vragen is voorbehouden aan de zittingscombinatie die de strafzaak inhoudelijk verder zal gaan behandelen.
6. De beslissing
De rechtbank:
- heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen datum zal worden hervat;
- beveelt de oproeping van verdachte en de raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter zitting zal worden hervat;
- bepaalt dat het onderzoek in deze zaak zal worden hervat binnen een periode van drie maanden na heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet en J.H. Cornelissen-Oomen, griffiers,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 april 2026.
De griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 mei2024 tot en met 8 mei 2025 te [plaats] en/of elders in Nederlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkheeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/ofverkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of verxoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,een of meer gebruikershoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid vaneen materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine en/ofMDMA,(telkens) een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst l.dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art I0 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid l ahf/sub lWetboek van Strafrecht )
2.hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2024 tot en met 08 mei 2025 te[plaats] , althans in Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie,bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, teweten (onder andere)[persoon 1] en/of[persoon 2] en/of[persoon 3] en/of[persoon 4] en/of[persoon 5] en/of[persoon 6] ,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meermisdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerstelid, 11 derde lid, vijfde lid en/of 11a Opiumwet.( art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht )