RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
Raadkamernummer : 25-027104
datum : 20 januari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [datum] 2004 te [plaats] ,
wonende op het [adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 23 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 23 december 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Door de veroordeelde is aangevoerd dat hij begrip heeft voor de procedure om bij een veroordeling celmateriaal af te nemen. De veroordeelde voelt zich echter niet comfortabel bij het behoud van zijn celmateriaal na de afloop van het onderzoek en verzoekt zijn DNA-materiaal niet op te nemen in het DNA-databank.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Enkel bij hoge uitzondering biedt de Wet DNA ruimte om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat recidive met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden of in uitzonderlijke gevallen bij minderjarigen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling
Aan veroordeelde is op 7 februari 2025 middels een OM-strafbeschikking een taakstraf van 30 uur opgelegd wegens vernieling.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Beoordeling
Hetgeen door de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat deze uitzonderingssituatie in het onderhavige geval van toepassing is. Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden die daartoe leiden. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Veroordeelde voelt zich niet comfortabel bij het behoud van zijn DNA-profiel in de DNA-databank. Hij is bang dat door een datalek zijn DNA-profiel overal terecht kan komen. De rechtbank stelt voorop dat de Wet DNA het algemene belang dient. De opname van DNA-materiaal van de veroordeelde is geen strafverzwarende omstandigheid of een extra straf. De Wet DNA is bedoeld om gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen en om de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Informatie uit de DNA-databank is bovendien niet openbaar en dus niet vrij verkrijgbaar voor eenieder die hierin geïnteresseerd zou zijn. De enkele omstandigheid dat veroordeelde bang is voor een datalek, is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een uitzonderingssituatie.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.