RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445066 / JE RK 26-257
Datum uitspraak: 1 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen.
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
hierna te noemen: de GI.
Mr. M.A. BREEWEL-WITTEVEEN,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige 1] ,
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
een vertegenwoordigers van de GI;
mr. Breewel-Witteveen, als bijzondere curator over [minderjarige 1] .
Aan de begeleidster van de vader vanuit [hulpverlening] , is door de kinderrechter bijzondere toestemming verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen.
2. De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
Ten aanzien van [minderjarige 1] loopt er een DNA-onderzoek ten behoeve van vaststelling van het vaderschap.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad heeft het verzoek tijdens de zitting gewijzigd in die zin dat de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (in plaats van Jeugdbescherming West) de ondertoezichtstelling zal gaan uitvoeren, als het verzoek wordt toegewezen. Die GI sluit volgens de Raad beter aan bij de cognitieve vermogens van beide ouders. De Raad stelt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn zorgen over de emotionele veiligheid en ontwikkeling van de kinderen en er is onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de moeder. [minderjarige 1] lijkt onderbelicht te raken door de intensieve zorg die [minderjarige 2] en de dochter van de moeder nodig hebben. Hij is teruggetrokken en schrikachtig. Eerder zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blootgesteld aan spanningen en conflicten tussen de ouders, waarbij verbaal agressief gedrag heeft plaatsgevonden. Het ontbreekt hen aan stabiliteit en voorspelbaarheid in de opvoedomgeving, onder andere door wisselende leefomstandigheden en de aanwezigheid van meerdere vaderfiguren. Daarnaast is er onduidelijkheid over het biologisch vaderschap van [minderjarige 1] en zijn er zorgen over de huidige partner van de moeder. Hij lijkt een dominante positie in te nemen en namens de moeder te spreken. Daarnaast vindt de Raad het zorgelijk dat de vader geen contact met de kinderen heeft en dat de moeder het contact lijkt tegen te houden. De hulp die noodzakelijk is voor het wegnemen van die bedreiging wordt niet of onvoldoende geaccepteerd. De moeder is wisselend in het aangaan van de hulpverlening en de vader dient blijvend te werken aan de emotieregulatie. Een ondertoezichtstelling biedt de benodigde structuur, regie en duidelijkheid om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen. De Raad verzoekt daarom om een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden, zodat binnen een aanvaardbare termijn via een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap kan worden beoordeeld of de kinderen veilig thuis kunnen opgroeien of dat een ander perspectief het meest in hun belang is. De Raad verwijst naar de doelen zoals opgenomen in het rapport en geeft als aanvullende doelen mee dat het belangrijk is dat beide ouders meewerken aan een IQ-onderzoek en dat de DNA-test wordt ingezet, zodat duidelijk wordt wie de biologische vader van [minderjarige 1] is.
De moeder geeft aan de zorgen zijn gebaseerd op leugens van de vader. Zij ziet geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling en zou het ook onterecht vinden als de maatregel wordt uitgesproken. De moeder wil het liever samen met de vader oplossen, waar twee weken geleden een eerste poging toe is gedaan. De partner van de moeder en de vader hebben toen samen gepraat en dat verliep rustig. Desondanks geeft de moeder aan dat zij wel bereid is om mee te werken als het verzoek wordt toegewezen. Zij wil het beste voor de kinderen. Ook is de moeder bereid te werken aan het IQ-onderzoek en het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap. Belangrijk vindt de moeder wel dat er niet teveel instanties betrokken raken, omdat zij ook al hulp vanuit Tragel heeft. Verder neemt de partner van de moeder geen dominante positie in. De moeder en haar partner voeden samen de kinderen op en alles gaat in overleg. Hij is al 2,5 jaar betrokken. Tot slot geeft de moeder aan dat de DNA-test in december 2025 al is afgenomen, maar dat de uitslag nog niet binnen is.
De vader is het eens met het verzoek. Hij maakt zich zorgen over de kinderen en wil het beste voor hen. Belangrijk is dat er hulp voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt. Ook wil hij graag contact met de kinderen. Verder legt de vader uit dat hij PTSS heeft, slaapmedicatie gebruikt en bij Emergis onder behandeling is. Hij is bang voor de moeder en haar partner, nu hij wordt geïntimideerd, gestalkt en klem wordt gereden. Op dit moment is het rustig, maar wel heeft de vader last van zijn buurman, maar dat staat los van deze zaak. Op 22 maart 2026 heeft de vader [minderjarige 2] kort gezien en dat vond hij fijn. Dit was de eerste keer na de geboorte. Tot slot geeft de vader aan dat hij bereid is om mee te werken aan een IQ-onderzoek.
De GI begrijpt de zorgen van de Raad. Er zijn direct twee jeugdbeschermers voor het gezin beschikbaar, in het geval het verzoek wordt toegewezen.
De bijzondere curator van [minderjarige 1] kan zich vinden in het verzoek en de doelstellingen. Er speelt veel tussen de ouders en er is nog steeds onduidelijkheid over het biologisch vaderschap van [minderjarige 1] . Daar heeft [minderjarige 1] vermoedelijk last van.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI stellen voor de duur een jaar, te weten met ingang van 1 april 2026 en tot 1 april 2027. Hij legt deze beslissing hierna uit.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Uit de stukken en de zitting is gebleken dat de [minderjarige 1] in korte tijd meerdere spanningen en ruzies met verbaal geweld tussen de ouders heeft gemaakt. Daarnaast hebben de kinderen te maken gehad met recente verhuizingen en wisselende vaderfiguren in een korte tijd. Er is weinig zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder thuis. Zowel [gezinsondersteuning] als [hulpverlening] hebben aangegeven dat de oudste dochter van de moeder veel begeleiding nodig heeft, waardoor met name [minderjarige 1] maar ook [minderjarige 2] met momenten weinig aandacht lijken te krijgen. Verder maakt de kinderrechter zich zorgen over mogelijke hechtingsproblematiek bij de kinderen en het bijna volledig ontbreken van contact met de vader hebben. Ook is er nog steeds onduidelijkheid over het biologisch vaderschap van [minderjarige 1] . Deze factoren vormen een risico voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter vindt het verder een goed idee als er psycho-educatie over hechtingsrelaties aan de moeder wordt gegeven, net als dat er een onderzoek naar het Goed Genoeg Ouderschap van de moeder komt waarvan de moeder heeft aangegeven mee te willen werken. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden van contact tussen de kinderen en de vader. Verder heeft de moeder tijdens de zitting aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan de benodigde hulpverlening, waaronder een IQ-onderzoek. Aan het DNA-onderzoek zegt zij al te hebben meegewerkt. De kinderrechter vindt dat positief om te horen, maar hij stelt tegelijktijdig ook vast dat de moeder nog onvoldoende van de al betrokken hulpverlening heeft kunnen profiteren en dat zij wisselend is in de samenwerking met de hulpverlening. Mede daardoor is het de moeder (en de vader) niet gelukt om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Om die reden vindt de kinderrechter dat er een regievoerder in het gedwongen kader nodig is. Ook de vader heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij bereid is om mee te werken aan het IQ-onderzoek en dat vindt de kinderrechter positief om te horen.
De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het Raadsrapport,
met als aanvulling de twee laatstgenoemde doelen. Hij geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
Er komt zicht op de thuissituatie en de opvoedingsvaardigheden van beide ouders;
Ouders werken actief en consistent mee aan hulpverlening;
Er komt duidelijkheid over het biologisch vaderschap van [minderjarige 1] ;
Er wordt gewerkt aan veilig en passend contact met vader;
[minderjarige 1] krijgt voldoende aandacht voor zijn ontwikkeling;
De kinderen krijgen duidelijkheid over vaderfiguren;
Moeder krijgt ondersteuning en psycho-educatie rondom partnerkeuze en hechting;
Vader krijgt ondersteuning gericht op het verbeteren van zijn emotieregulatie;
Moeder werkt mee aan een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap;
Bij beide ouders wordt een IQ-onderzoek afgenomen.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan deze doelen wordt gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. Aan de GI geeft hij mee dat dit een zaak is waarin op korte termijn inzet van de GI nodig is, zodat er duidelijkheid en zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de opvoedvaardigheden van de moeder en de onderlinge relaties/interacties. Aan de ouders geeft de kinderrechter mee dat zij de ouders van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn en dat zij samen verantwoordelijk zijn voor hun opvoeding. Zij moeten dan ook zelf de hoofdrol pakken en niet hun partner(s). Daarbij is het wel van belang dat hun partner(s) ondersteunend zijn. Van de ouders (en hun partner(s)) verwacht de kinderrechter dat zij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met elkaar en met de GI en hulpverlening zullen gaan samenwerken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 1 april 2026 en tot 1 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op
9 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.