RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4334
en
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de brief van de ontvanger van 11 juli 2025. Belanghebbende heeft een geschil met de ontvanger over het contant betalen van haar belastingen.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Belanghebbende is het niet eens met de eenzijdige mededeling dat zij haar betalingen niet meer contant kan doen aan de Belastingdienst. Belanghebbende heeft hierover een klacht ingediend bij de Belastingdienst. De ontvanger heeft met dagtekening 6 juni 2025 op het juridisch inhoudelijke deel van de klacht gereageerd.
Belanghebbende is het niet eens met het standpunt van de ontvanger, omdat zij van mening is dat er sprake is van een maatwerkbeschikking als bedoeld in artikel 4:90 van de Awb. Door de plaatsing van artikel 4:90 in de Awb en niet in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen is sprake van een besluit onder de Awb en is volgens haar bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk.
De ontvanger heeft met dagtekening 11 juli 2025 gereageerd en stelt dat geen sprake is van een maatwerkbeschikking. Naar aanleiding van een klacht in 2022 is een contante betaling uit coulance geaccepteerd. Er is geen beschikking waaruit blijkt dat er contant betaald kan blijven worden. De ontvanger stelt verder dat zijn besluit formeel is neergelegd in de brief van 6 juni 2025. Dit is een beschikking, maar daartegen is volgens de ontvanger geen bezwaar of beroep mogelijk.
Belanghebbende is het niet eens met het standpunt van de ontvanger en heeft op 21 augustus 2025 beroep ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
3. De ontvanger is op grond van de Invorderingswet 1990 (IW) belast met de invordering van de rijksbelastingen. Op grond van die bevoegdheid neemt de ontvanger beslissingen over de mogelijkheden tot contante betaling. Anders dan belanghebbende stelt is de beslissing van de ontvanger dus niet alleen gebaseerd op artikel 4:90 van de Awb, maar ook op de IW. De bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing van de ontvanger dat betalingen niet contant kunnen geschieden, valt niet onder een van de uitzonderingen. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd. Wel kan het geschil aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.
Belanghebbende stelt dat de beslissing dat geen beroep mogelijk is in strijd is met artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Aangezien belanghebbende zich kan wenden tot de burgerlijke rechter, bestaat er wel toegang tot de rechter en gaat de rechtbank voorbij aan deze stelling. Voor zover belanghebbende een procedure bij de burgerlijke rechter niet kan betalen, bestaat de mogelijkheid om een toevoeging aan te vragen.
De bestuursrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de brieven van 6 juni 2025 en 11 juli 2025. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te betalen.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 26 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.