beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/442625 / FA RK 25-6243
Datum uitspraak: 2 april 2026
beschikking betreffende wijziging van de zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J. Nederlof,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Als informant is in de procedure betrokken:
- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd te Amsterdam.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 18 november 2025 ontvangen verzoek van de vrouw met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Nederlof van 1 december 2025, met bijlagen;
- de brief van mr. Brouwers van 5 december 2025;
- het verweerschrift van de man met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op 20 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was een vertegenwoordiger namens de Raad aanwezig en twee vertegenwoordigers namens de GI.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige door de vrouw ingediende verzoek met het door de Raad ingediende verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de zaak met kenmerk C/02/445391 / JE RK 26-322, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. Op het verzoek van de Raad is separaat beslist.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende nu nog minderjarige kind is geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
[minderjarige] verblijft bij de man.
Bij beschikking van 17 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, met ingang van 17 januari 2023 tot 17 januari 2024. Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst tot 17 oktober 2025.
Bij beschikking van 14 januari 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] als volgt komt te luiden:
- in de even weken wordt [minderjarige] op dinsdag door de man naar de dagbehandeling gebracht en haalt de vrouw hem in de middag daar op;
- [minderjarige] blijft vervolgens tot dinsdagochtend in de oneven week bij de vrouw;
- de vrouw brengt [minderjarige] in de oneven week op dinsdagochtend naar de dagbehandeling waar de man hem in de middag weer ophaalt;
- [minderjarige] blijft vervolgens tot de dinsdagochtend in de even week bij de man;
- de man brengt [minderjarige] in de even week op dinsdagochtend naar de dagbehandeling waar de vrouw hem in de middag weer ophaalt;
- op het moment dat [minderjarige] naar school gaat, vinden de overdrachtsmomenten daar plaats.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
I. de bij beschikking van 14 januari 2025 vastgestelde co-ouderschapsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] wordt gewijzigd en te bepalen dat [minderjarige] voortaan bij de vrouw zal verblijven één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandagmorgen, waarbij de vrouw [minderjarige] naar school brengt;
II. [minderjarige] gedurende eerste of tweede Kerstdag bij de vrouw is, in onderling overleg te bepalen van 10.00 uur in de morgen tot in de avond, waarbij de man [minderjarige] brengt en de vrouw hem weer terugbrengt;
III. [minderjarige] gedurende oud en nieuw in het kalenderjaar 2025 bij de vrouw zal zijn waarbij de man [minderjarige] op oudejaarsdag om 10.00 uur bij de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige] op nieuwjaarsdag weer terugbrengt bij de man op een in onderling overleg te bepalen tijdstip, met dien verstande dat het volgende jaar [minderjarige] bij de man zal zijn en deze dagen daarna worden afgewisseld.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
4. De beoordeling
Het wettelijk kader
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit artikel 1:377e BW volgt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling kan wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De standpunten
Door en namens de vrouw is als grond voor haar verzoek aangevoerd dat sinds de vaststelling van de co-ouderschapsregeling de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd, dat die regeling niet langer in stand kan worden gehouden. De ouders zijn niet in staat zelfstandig invulling te geven aan de co-ouderschapsregeling en deze regeling is niet langer in het belang van [minderjarige] . Sinds de beëindiging van de ondertoezichtstelling (in oktober 2025) is de samenwerking tussen partijen opnieuw verslechterd en teruggekeerd naar het conflictueuze patroon. De hulpverlening die tijdens de ondertoezichtstelling is ingezet, heeft geen structurele verbetering gebracht en het wantrouwen van de man in de (opvoedsituatie van de) vrouw is niet weggenomen en leidt nog altijd tot stelselmatige spanningen. Door de problematiek tussen partijen raakt [minderjarige] in een loyaliteitsconflict. Zo geeft [minderjarige] nu al bij de man aan dat hij niet naar de vrouw wenst te gaan. De vrouw heeft, ook met de inzet van hulpverlening, niet langer de verwachting dat het wantrouwen van de man zal worden weggenomen. De vrouw gunt [minderjarige] rust en stabiliteit, maar ziet daarvoor geen andere mogelijkheid dan het beperken van haar contact met [minderjarige] tot een weekendregeling. De vrouw hoopt dat wanneer zij een minder groot aandeel heeft in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , het wantrouwen bij de man zal afnemen. Enkel wanneer de vrouw een stap terug doet in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , bestaat er een mogelijkheid dat de door de Raad opgestelde doelen binnen de ondertoezichtstelling kunnen worden behaald.
Door en namens de man is betwist dat, sinds de co-ouderschapsregeling is vastgelegd, sprake is van gewijzigde omstandigheden. De omstandigheden waren destijds hetzelfde. De man had en heeft nog altijd zijn wantrouwen over de (opvoed)situatie bij de vrouw. De man belast hier [minderjarige] echter niet mee en uit deze zorgen ook niet langer bij de vrouw of bij derden. Ook was er toen al een gebrekkige oudercommunicatie. De communicatie tussen partijen verloopt nu juist beter, in die zin dat partijen communiceren per mail en daarmee belangrijke zaken voor [minderjarige] worden geregeld. De overdrachtsmomenten vinden, behoudens enkele momenten in de vakanties, plaats op school en dat verloopt goed. Voor de overdrachtsmomenten in de vakanties kan er met de GI naar een oplossing worden gezocht. De door de vrouw beoogde weekendregeling neemt bovendien de overdrachtsmomenten niet weg. Volgens de man zal [minderjarige] de wijziging van de zorgregeling, en daarmee de beperking van het contact met de vrouw, ervaren als een afwijzing vanuit de vrouw. Hij is net aan de huidige co-ouderschapsregeling gewend en dit biedt hem de nodigde rust en duidelijkheid. Nergens volgt uit dat [minderjarige] het niet fijn heeft bij zijn beide ouders en dat daarmee niet wordt toegekomen aan zijn belangen. Van daadwerkelijke problemen in het uitvoeren van de co-ouderschapsregeling is niet gebleken. De man is van mening dat een wijziging van de zorgregeling niet tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] en schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij merkt de man op dat hij er sterk aan twijfelt of hij de volledige zorg voor [minderjarige] kan dragen. De verzorging en opvoeding van [minderjarige] vraagt, vanwege de problematiek van [minderjarige] , veel van de man en zal mogelijk zijn draagkracht te boven gaan.
4,5 De Raad adviseert de GI op korte termijn te laten onderzoeken welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. De situatie is ingewikkeld. Enerzijds is voor een
co-ouderschap enige vorm van vertrouwen noodzakelijk. Dat ontbreekt hier en daarom is de co-ouderschapsregeling mogelijk niet houdbaar. Het wantrouwen van de man richting de vrouw is voor de Raad tijdens de zitting voelbaar. [minderjarige] zal dit ook ervaren en hier last van hebben. Dit wantrouwen lijkt bovendien normaal te worden in het leven van [minderjarige] en zorgt ervoor dat hij later ook op die manier naar de wereld zal gaan kijken. Dit vindt de Raad een ontzettende ontwikkelingsbedreiging. Anderzijds vreest de Raad ervoor dat bij een wijziging van de zorgregeling het contact tussen de vrouw en [minderjarige] steeds minder zal worden. Gelet op het wantrouwen van de man richting de vrouw zou het immers zo kunnen zijn dat [minderjarige] op een gegeven moment helemaal niet meer naar de vrouw wil gaan. Dit moet worden voorkomen. Het contact met de vrouw is belangrijk voor [minderjarige] .
De GI benoemt dat de huidige situatie veel vragen oproept. De GI kan inzetten op gespecialiseerde hulpverlening gericht op ouderschapsverdeling. Dit zal echter wel tijd nodig hebben. Ook kan er volgens de GI niet voorbij worden gegaan aan de opmerking van de man ten aanzien van zijn draagkracht in de volledige zorg voor [minderjarige] .
Gewijzigde omstandigheden
Om te kunnen komen tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw om de zorgregeling te wijzigen, dient de rechtbank eerst te beoordelen of er sinds de eerdere beslissing van 14 januari 2025 sprake is van gewijzigde omstandigheden of dat bij die beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan zoals bedoeld in artikel 1:377e BW. Dit is tussen partijen in geschil. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Destijds is de co-ouderschapsregeling tot stand gekomen op verzoek van de voormalige GI. Het is partijen binnen het kader van de ondertoezichtstelling gelukt om middels een traject bij De Gezinsmanager tot een ouderschapsplan te komen, dat zij beide hebben ondertekend. Hoewel niet ter discussie staat dat de verstandhouding tussen partijen ook ten tijde van voormelde beslissing al was verstoord, leek er op dat moment een positieve ontwikkeling gaande in de verstandhouding en de communicatie tussen de ouders. Daarbij diende wel nog altijd aandacht te zijn voor het verder opbouwen van het vertrouwen in de andere ouder. Gebleken is dat de betrokken GI voor de afloop van de ondertoezichtstelling op 17 oktober 2025, in strijd met het advies van de Raad en tegen de wens van ouders in, de kinderrechter niet heeft verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen en dat met de beëindiging van de ondertoezichtstelling het opbouwen van het onderlinge vertrouwen niet verder van de grond is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus gebleken van een wijziging van omstandigheden die rechtvaardigt dat de vrouw in haar verzoek kan worden ontvangen. Dat tijdens de zitting opnieuw een ondertoezichtstelling van [minderjarige] is uitgesproken doet daar niet aan af. Met betrekking tot een mogelijke wijziging van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt.
De verdeling van de zorg- en opvoedtaken
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken constateert de rechtbank dat sprake is van een complexe situatie. Tussen partijen zijn nog altijd hevige spanningen en een groot wantrouwen. Voor het op een onbelaste wijze kunnen uitvoeren van een co-ouderschapsregeling is functionerend ouderschap noodzakelijk en dit is tussen partijen op dit moment niet aan de orde. Beide partijen hebben nog last van de gebeurtenissen in het verleden en lijken daarin te blijven hangen. Zij uiten over en weer verwijten en zorgen, terwijl zij eigenlijk allebei het goed willen doen voor [minderjarige] . Hoewel de man stelt dat hij [minderjarige] niet belast met zijn gevoelens ten aanzien van de vrouw, kan dit in de praktijk (voor [minderjarige] ) anders zijn of overkomen. Het wantrouwen van de man in de vrouw is zelfs tijdens de zitting voelbaar. In de thuissituatie zal [minderjarige] dit ook ervaren en dit kan – al dan niet onbewust – zijn wereldbeeld beïnvloeden. Dit baart de rechtbank ernstig zorgen. De huidige verstandhouding tussen partijen en het gebrek aan vertrouwen in elkaar, maakt een co-ouderschapsregeling dan ook in beginsel lastig uitvoerbaar.
De rechtbank acht het op dit moment niet waarschijnlijk dat deze zorgen en de tussen partijen aanhoudende problematiek worden weggenomen met het vaststellen van een weekendregeling tussen de vrouw en [minderjarige] . Daarvoor is in ieder geval nodig dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt wordt aan de daarin gestelde doelen die raken aan een onbelast contact tussen [minderjarige] en ouders. Daarbij komt dat [minderjarige] gewend is aan de huidige regeling en deze regeling als zodanig over het algemeen goed verloopt. [minderjarige] heeft zowel bij de man als bij de vrouw een fijne tijd en geniet van de contacten met zijn beide ouders. De wisselingen vinden plaats op school en leiden op die manier niet tot problemen of belasting van [minderjarige] . Voor zover de wisselmomenten in de vakanties een te grote belasting zijn voor [minderjarige] binnen de huidige regeling, komt hierin geen verandering door de wijziging van de zorgregeling. Het is hoe dan ook belangrijk dat de GI met de ouders gaat kijken of daar een oplossing voor kan worden gevonden. Daarnaast zal [minderjarige] zich door een beperking van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw naar alle waarschijnlijkheid afgewezen voelen door de vrouw en daardoor bestaat het risico dat de hechtingsrelatie (verder) wordt verstoord. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Tot slot is voor de rechtbank ook van belang dat de man heeft aangegeven te twijfelen aan zijn mogelijkheden om de volledige zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Deze zorg zal de draagkracht van de man waarschijnlijk te boven gaan, wat op termijn tot een onhoudbare situatie kan leiden. Dit moet worden voorkomen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het op dit moment dan ook het meest in het belang van [minderjarige] dat in deze zaak een (eind)beslissing wordt genomen en de huidige co-ouderschapsregeling in stand wordt gelaten. Of de co-ouderschapsregeling ook op de lange termijn passend en in het belang van [minderjarige] moet worden geacht, zal de komende periode duidelijk moeten worden binnen het kader van de ondertoezichtstelling. Het is daarbij van belang dat wordt ingezet op verbetering van de oudercommunicatie (in de vorm van parallel solo ouderschap) en dat [minderjarige] zich onbelast tussen de ouders kan gaan bewegen, ten einde te beoordelen of de huidige regeling kan worden gehandhaafd.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: