ECLI:NL:RBZWB:2026:3670

ECLI:NL:RBZWB:2026:3670

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 03-05-2026
Zaaknummer C/02/445110 / JE RK 26-265
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing en vaststellen contactregeling. Minderjarige verblijft in perspectiefbiedend pleeggezin. Wijziging omstandigheden. Moeder respecteert wens minderjarige tot minder contact.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/445110 / JE RK 26-265

Datum uitspraak: 2 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing en provisionele voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. A. Huseinovic te Breda,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant,

locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,

[de pleegouders] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de pleegouders.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2026;

de op 16 maart 2026 ontvangen brief met bijlage van de pleegouders;

de brief van de GI van 19 maart 2026 met bijlagen;

de brief van mr. Huseinovic van 23 maart 2026 met bijlage.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat;

de pleegouders;

de betrokken jeugdbeschermer van de GI en een collega.

Op de zitting is ook aanwezig geweest een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.

Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was eveneens bij de zitting aanwezig mevrouw [persoon 1] , begeleider van de moeder vanuit [hulpverlening] .

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van 12 september 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] binnen het netwerk bij oma moederszijde met ingang van 12 september 2023 tot 12 september 2024.

Bij beschikking van 11 maart 2024 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (zijnde netwerk of bestandspleeggezin) en/of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 maart 2024 tot 12 september 2024.

[minderjarige] is met ingang van 5 juni 2024 bij de pleegouders geplaatst tot 12 september 2024.

Bij beschikking van 5 september 2024 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een (netwerk)pleeggezin verlengd met ingang van 12 september 2024 tot 12 september 2025.

Bij beschikking van 8 september 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een (netwerk)pleeggezin verlengd met ingang van 12 september 2025 tot 12 september 2026.

De GI heeft op 31 december 2025 een aankondiging beslissing over contact tijdens de uithuisplaatsing gedaan. De eerdere bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige] , inhoudende wekelijks begeleid bezoek op woensdagmiddag gedurende een uur, komt te vervallen en wordt gewijzigd in een begeleid bezoek eenmaal per maand gedurende twee uren.

Op 28 januari 2026 in een beslissing over contact tijdens de uithuisplaatsing de volgende regeling vastgesteld en de volgende aanwijzing(en) gegeven:

“De omgangsregeling zal vanaf 289 januari (de kinderrechter leest: 28 januari 2026) als volgt verlopen:

Woensdag 28 januari bezoek met [minderjarige] tijdsduur 60 minuten

Woensdag 11 februari beeldbellen met [minderjarige] tijdsduur 30 minuten

Woensdag 25 februari bezoek met [minderjarige] tijdsduur 90 minuten

Woensdag 11 maart beeldbellen met [minderjarige] tijdsduur 30 minuten

Vrijdag 20 maart beeldbellen i.v.m. Verjaardag [minderjarige] tijdsduur 30 minuten

Woensdag 25 maart bezoek met [minderjarige] tijdsduur 90 minuten

Woensdag 08 april beeldbellen met [minderjarige] tijdsduur 30 minuten

Woensdag 22 april bezoek met [minderjarige] tijdsduur 90 minuten

Woensdag 06 mei beeldbellen met [minderjarige] tijdsduur 30 minuten

Woensdag 20 mei bezoek met [minderjarige] tijdsduur 90 minuten

Woensdag 03 juni beeldbellen met [minderjarige] tijdsduur 30 minuten

Woensdag 17 juni bezoek met [minderjarige] tijdsduur 90 minuten

Hierop volgt evaluatie en wordt de regeling opnieuw besproken en opnieuw vastgesteld en/ of gewijzigd.

De omgangsregeling geldt voor de duur van 2 x per maand om de twee weken tot 17 juni

2026. Na afloop van deze duur zal het verloop van de omgangsregeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.

Dit is een beslissing in de zin van artikel 1:265f Burgerlijk Wetboek (BW). Deze beslissing

geldt als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:263 BW.”

3. De verzoeken

De moeder verzoekt dat de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

I. de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen verklaart;

II. bepaalt dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] wekelijks op woensdag gedurende twee uur, fysiek en onder begeleiding, plaatsvindt, conform de eerder vastgestelde contactregeling;

III. de beslissing van de GI van 28 januari 2026 tot wijziging van de contactregeling ingaande 28 januari 2026 schorst voor de duur van de onderhavige procedure.

Tijdens de zitting heeft de advocaat namens de moeder het verzoek onder II. gewijzigd, aldus dat thans wordt verzocht dat de rechtbank bepaalt dat:

- het contact tussen de moeder en [minderjarige] eenmaal per maand gedurende drie uur plaatsvindt, fysiek en onder begeleiding vanuit [persoon 2];

- de GI de moeder (via [hulpverlening] ) eenmaal per maand, een week voorafgaand aan het fysieke contactmoment, per e-mail informeert over belangrijke zaken ten aanzien van [minderjarige] door middel van een schriftelijk verslag met twee recente foto’s van [minderjarige] , ook in afschrift te versturen aan de begeleiding van [persoon 2] ;

- een en ander in samenspraak met de begeleiding van [hulpverlening] , [persoon 2] en de pleegouders.

Het verzoek onder III. is ingetrokken.

4. Het verloop van de zitting en de standpunten

Bij aanvang van de zitting heeft de advocaat namens de moeder het verzoek onder III. ingetrokken, nu de verzoeken onder I. en II. gelijktijdig behandeld worden en daarop zal worden beslist.

De kinderrechter heeft de aanwezigen vervolgens samengevat voorgehouden wat [minderjarige] tijdens het kindgesprek heeft verteld. In reactie daarop heeft de advocaat van de moeder allereerst verwezen naar (de inhoud van) het verzoekschrift. Zij verzoekt de behandeling van de zaak voor korte tijd te schorsen om met de moeder te kunnen overleggen.

Na hervatting van de behandeling heeft de advocaat namens de moeder samengevat aangevoerd dat zij de wens van [minderjarige] om niet meer te beeldbellen en begeleid fysiek contact eenmaal per maand te laten plaatsvinden, accepteert. Zij begrijpt dat [minderjarige] ouder aan het worden is en weet wat hij wel en niet wil. Daarnaast begrijpt en accepteert zij dat [minderjarige] niet zelf een maandelijks informatieverslag wil sturen. Hoewel de moeder het moeilijk vindt en het haar heel zwaar valt, wil zij de wens van [minderjarige] respecteren, voor [minderjarige] . Hierdoor kan er meer rust komen bij haar, de pleegouders en [minderjarige] . De moeder verzoekt om de communicatie tussen haar en de GI niet meer rechtstreeks maar per e-mail via haar begeleiders van [hulpverlening] te laten verlopen, om escalaties tussen de moeder en de GI te voorkomen. Gelet op dit alles wijzigt de moeder haar verzoek onder II. De moeder vindt het van belang dat zij maandelijks geïnformeerd wordt over [minderjarige] , met daarbij een foto, zodat zij goed op hem kan aansluiten tijdens een contactmoment. Zij wil met de begeleiding van [hulpverlening] vooraf een plan maken voor het contactmoment, zodat [minderjarige] daarop kan worden voorbereid. De moeder verzoekt een maandelijks begeleid contactmoment gedurende drie uur op een dag die [minderjarige] het beste uitkomt. De regeling kan in samenspraak met [hulpverlening] , [persoon 2] en de pleegouders worden gecoördineerd, zodat deze goed kan verlopen. De wens van [minderjarige] moet uitgangspunt zijn in deze. De moeder geeft en gunt [minderjarige] de ruimte zodat zij aan zichzelf kan werken.

Door de jeugdbeschermer is naar voren gebracht dat het de moeder enorm siert dat zij naar [minderjarige] heeft geluisterd. Er was al besproken dat de informatievoorziening aan de moeder anders moet. Deze zal via pleegzorg per e-mail worden gegeven. Het is helpend dat daarbij foto’s van [minderjarige] worden meegestuurd. Daar kunnen de pleegouders bij helpen. Begeleide fysieke contactmomenten gedurende drie uur is wat veel en moeilijk te realiseren met de begeleiding. Daarbij komt dat [minderjarige] aan het begin van de avond ook nog activiteiten heeft.

De pleegmoeder heeft aangegeven dat ook zij het heel fijn vindt dat er naar [minderjarige] geluisterd wordt. De pleegouders zijn bereid om foto’s van [minderjarige] te maken en aan te leveren. De pleegmoeder uit wel haar zorgen over het aanstaande pensioen van de jeugdbeschermer en het ontbreken van een opvolger. [minderjarige] heeft een fijne band met de huidige jeugdbeschermer. De pleegouders willen [minderjarige] zo min mogelijk belasten met zaken rondom de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het perspectiefbesluit is wel met [minderjarige] besproken.

5. Het standpunt en advies van de Raad

Van de zijde van de Raad is te kennen gegeven dat de Raad de wending die tijdens de zitting genomen is ondersteunt. De Raad wil de moeder hiervoor een groot compliment geven. Wanneer de moeder haar respect voor de wens van [minderjarige] kan blijven uitstralen zal [minderjarige] dat voelen en wordt het makkelijker voor hem. Het is belangrijk dat er veel van zijn schouders gehaald wordt. De Raad adviseert om aan te sluiten bij de wens van [minderjarige] . Dit is een investering in de toekomst en voor de ontwikkeling van [minderjarige] het beste.

6. De beoordeling

Overwegingen ten aanzien van verzoek I. schriftelijke aanwijzing

In artikel 1:265f lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is opgenomen dat voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de GI voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige kan beperken. Volgens het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing. De rechter kan in dit geval ook zelf een omgangsregeling opleggen die hij in het belang van het kind acht.

In artikel 1:263 lid 1 BW is bepaald dat de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen kan geven over de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen als de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan van aanpak, of als dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

Het tweede lid van artikel 1:263 BW bepaalt dat de met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing moeten opvolgen.

Volgens artikel 1:264 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.

Het derde lid van artikel 1:264 BW bepaalt dat de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken bedraagt en aanvangt met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

De kinderrechter stelt vast dat de moeder haar verzoeken tijdig heeft ingediend, zodat zij hierin kan worden ontvangen.

Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de beslissing over contact tijdens de uithuisplaatsing / schriftelijke aanwijzing van 28 januari 2026 zorgvuldig en op goede gronden is gegeven. De GI heeft op 5 januari 2026 een vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gestuurd. De moeder heeft haar mening over de hierin opgenomen beslissing gegeven, die door de GI is meegewogen maar niet heeft geleid tot aanpassing van de voorgenomen schriftelijke aanwijzing. De GI heeft gemotiveerd waarom tot die beslissing is gekomen. De kinderrechter neemt voorts mee in haar overweging dat de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd. Na het geven van de beslissing/schriftelijke aanwijzing en het indienen van het verzoek tot gehele of gedeeltelijke vervallenverklaring daarvan is [minderjarige] door de kinderrechter uitgenodigd voor een kindgesprek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden in het kader van de behandeling van de verzoeken van de moeder ter zitting. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] onder andere zijn wens ten aanzien van de contacten met de moeder kenbaar gemaakt. Desgevraagd heeft [minderjarige] bij de kinderrechter aangegeven dat zijn wens tijdens de zitting aan de betrokkenen mag worden verteld. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] bij haar heeft aangegeven. In reactie daarop heeft de advocaat van de moeder na een korte schorsing van de behandeling ter zitting voor overleg, gesteld dat de moeder de wens van [minderjarige] wil respecteren. Zij heeft hierop het verzoek onder II. gewijzigd. De kinderrechter ziet gelet op deze omstandigheden aanleiding om in het belang van [minderjarige] een andere contactregeling op te leggen, zoals haar volgens artikel 1:265f lid 1 BW is toegestaan. Nu dit een gewijzigde contactregeling is ten opzichte van de regeling die in de beslissing/schriftelijke aanwijzing is opgenomen, is er naar het oordeel van de kinderrechter geen reden meer om die beslissing/schriftelijke aanwijzing in stand te laten. Deze zal de kinderrechter dan ook vervallen verklaren.

Overwegingen ten aanzien van verzoek II. contactregeling

Zoals hiervoor is overwogen heeft de moeder haar verzoek II. gewijzigd. De kinderrechter is met de jeugdbeschermer, de pleegmoeder en de vertegenwoordiger van de Raad van oordeel dat de moeder een groot compliment verdient voor haar beslissing om de wens van [minderjarige] te respecteren. Deze beslissing is gepaard gegaan met duidelijk zichtbare grote emotie. Het is erg knap van de moeder dat zij daarmee in het belang van [minderjarige] denkt en nu ook handelt. Met de Raad hoopt de kinderrechter dat de moeder haar beslissing naar [minderjarige] kan blijven uitstralen. Dit is voor de positieve ontwikkeling van [minderjarige] van groot belang. Wanneer de moeder in staat is om haar emotionele toestemming aan [minderjarige] te geven zorgt dit naar verwachting voor meer rust en daarmee een meer ontspannen contact tussen de moeder en [minderjarige] .

Het voorgaande betekent dat de kinderrechter een gewijzigde contactregeling zal vaststellen waarbij de moeder en [minderjarige] eenmaal per maand gerechtigd zijn tot fysiek contact met elkaar, begeleid door [persoon 2]. De rechtbank zal de duur van die contacten bepalen op twee uur. Deze duur sluit aan bij de wens van [minderjarige] , het standpunt van de GI en het advies van de Raad hierover.

De kinderrechter is het met de moeder eens dat voor een goed contact met [minderjarige] van groot belang is dat de moeder goed geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van [minderjarige] , hoe zijn leven eruit ziet, wat hem bezighoudt en wat zijn behoeften zijn. Tijdens de zitting is daarover afgesproken dat de GI eenmaal per maand, ongeveer een week voorafgaand aan het fysieke contactmoment, de moeder per e-mail via (har begeleiders van) [hulpverlening] informeert over [minderjarige] , vergezeld van twee foto’s van [minderjarige] . Het verslag wordt opgemaakt door pleegzorg en de foto’s worden gemaakt door de pleegouders. Het verslag en de foto’s worden door pleegzorg naar de GI gestuurd en in afschrift aan de begeleiders van de moeder bij [hulpverlening] en de begeleiding van [persoon 2] . Enkele dagen voor het contactmoment hebben de moeder en [persoon 2] overleg over de invulling van het contactmoment, zodat [minderjarige] hierop kan worden voorbereid. De begeleiding van [hulpverlening] en de pleegouders kunnen hierbij worden betrokken. Op deze afspraken is het gewijzigde verzoek van de moeder ook gebaseerd. Dit gewijzigde verzoek zal de kinderrechter dan ook op dit punt toewijzen.

Verder vraagt de kinderrechter nog aandacht voor de geuite zorgen over de opvolging van de jeugdbeschermer. Desgevraagd heeft de jeugdbeschermer te kennen gegeven dat hij in juli 2026 met pensioen gaat. De GI kampt met een fors personeelstekort. De jeugdbeschermer zal zijn uiterste best doen om tijdig een opvolger te kunnen doen aanstellen maar hij kan dit niet garanderen. [minderjarige] heeft een goede band met de jeugdbeschermer. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] laten blijken dat de opvolging van de jeugdbeschermer hem bezig houdt; hij is bang dat de opvolgende jeugdbeschermer anders over dingen denkt. De kinderrechter wil de GI dan ook met klem op het hart drukken dat in deze de prioritering in het aanstellen van een opvolgende jeugdbeschermer zeer gewenst is. Daarnaast is het voor [minderjarige] van belang dat deze persoon een kalme, rustige uitstraling heeft, die hem hoort en hem gerust kan stellen.

Overwegingen ten aanzien van verzoek III. schorsen contactregeling

Zoals hiervoor onder 4.1. opgenomen heeft de moeder haar verzoek onder III. ter zitting ingetrokken. Hierdoor kan dit verzoek niet meer worden onderzocht en zal daarom worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Brief aan [minderjarige]

[minderjarige] heeft aangegeven dat hij graag een brief van de kinderrechter wil ontvangen waarin de beslissing wordt uitgelegd. Deze uitleg wordt hierna opgenomen maar zal ook in een aparte brief aan [minderjarige] worden toegezonden.

Beste [minderjarige] ,

Op 16 maart 2026 ben jij op de rechtbank geweest. Wij hebben toen gepraat over de bezoeken aan mama, het verslagje aan mama en ook over school en wat je thuis graag doet. Jij hebt tegen mij verteld dat je graag een eigen brief wil ontvangen waarin staat wat ik heb besloten. Dat laat ik je nu weten.

Tijdens de zitting heb ik met mama en haar advocaat gesproken. En ook met [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] en een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming. Mama heeft verteld dat zij jou heel graag ziet maar dat zij begrijpt wat jij aan mij hebt verteld. Mama wil graag wat het beste is voor jou. Daarom vindt zij het goed om niet meer te beeldbellen en dat het begeleide contactmoment voortaan één keer per maand zal zijn. Ik heb daarom besloten dat jij mama vanaf nu één keer per maand twee uur ziet, met begeleiding. Ook heb ik besloten dat jij geen verslagje meer aan mama hoeft te schrijven. Dat gaat iemand anders doen. Jouw pleegouders zullen iedere maand een paar foto’s van jou alleen maken. Die foto’s zullen dan naar mama worden gestuurd.

Ik wil jou bedanken voor het fijne gesprek en ik wens je alle goeds.

Met vriendelijke groeten,

de kinderrechter

7. De beslissing

De kinderrechter:

verklaart de beslissing over contact tijdens de uithuisplaatsing / schriftelijke aanwijzing van 28 januari 2026 geheel vervallen;

bepaalt dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van fysiek begeleid contact met elkaar eenmaal per maand gedurende twee uur, met inachtneming van hetgeen in 6.8. is opgenomen;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand