ECLI:NL:RBZWB:2026:3671

ECLI:NL:RBZWB:2026:3671

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 03-05-2026
Zaaknummer C/02/446476 / JE RK 26-521
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin na overlijden van vader zodat kan worden gewerkt aan contactherstel en contactopbouw met moeder

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446476 / JE RK 26-521

Datum uitspraak: 2 april 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 26 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken.

Op 2 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de advocaat van de moeder;

- een vertegenwoordiger van de GI.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.

Zoals is overwogen in de tussenbeschikking van 26 maart 2026, zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet opnieuw uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn namelijk kortgeleden nog door de kinderrechter gehoord in de procedure omtrent de voorlopige ondertoezichtstelling en gelet op de omstandigheden werd het opnieuw horen van de minderjarigen niet in hun belang geacht.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op [datum] 2026 overleden.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] woonden bij hun vader, maar verblijven sinds het overlijden van hun vader in een netwerkpleeggezin.

Bij beschikking van 6 maart 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026.

Bij beschikking van 13 maart 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.

Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter het voorliggende verzoek van de GI om zonder voorafgaand horen van belanghebbenden te beslissen op het verzoek afgewezen.

3. Het verzoek

De GI verzoekt:

op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van 4 weken;

aansluitend een machtiging uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van 3 maanden in een gezinsgerichte accommodatie;

eerstgenoemde beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden;

de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter reeds beslist op het voornoemde verzoek in die zin dat het spoedverzoek om zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlenen is afgewezen. Om die reden ligt, na wijziging ter zitting, nog ter beoordeling voor het verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van vier weken en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

4. De standpunten

De GI licht toe dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na het overlijden van de vader korte tijd bij de familie vaderszijde hebben verbleven om nabij het afscheid van de vader te kunnen zijn. Hierna zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voor hen bekend netwerkpleeggezin geplaatst (de oude buren van de moeder), waarbij de hoop is dat zij hier in de komende periode - in ieder geval voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling - kunnen verblijven. Zij zijn in het netwerkpleeggezin namelijk in hun vertrouwde omgeving en kunnen vanuit daar naar hun eigen school gaan, hetgeen vanwege de stabiliteit en steun die wordt geboden, van groot belang wordt gevonden. Hoewel het verblijf in het netwerkpleeggezin goed gaat, gaat het nog wel wisselend met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Zij lijken nog niet toe te komen aan rouw en er zijn zorgen over de weerstand die ze ervaren ten aanzien van de moeder. In de komende periode wil de GI op het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor contactherstel tussen de minderjarigen en de moeder. Daarnaast zal - mede gelet op de zorgen over de minderjarigen - worden bezien of de inzet van traumabehandeling passend is, zodra [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer rust ervaren. Het verzoek voor plaatsing in een gezinsgerichte accomodatie lijkt per abuis in het verzoek te zijn terecht gekomen. Dit is nadrukkelijk niet de bedoeling.

De moeder staat achter het verzoek. Hoewel de moeder het liefst zou zien dat de minderjarigen zo snel mogelijk bij haar worden geplaatst, staat zij er achter dat in de komende weken wordt onderzocht hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat en op welk tempo zij stappen kunnen zetten richting contactherstel.

5. De nadere beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.Relatieve bevoegdheid

De kinderrechter overweegt dat op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd is van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 BW bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem/haar uitoefent. In dit geval woont de moeder, die sinds het overlijden belast is met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen, in [plaats] . Dit zou betekenen dat het verzoek behandeld zou moeten worden door de kinderrechter in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. De kinderrechter overweegt echter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] recent voorlopig onder toezicht zijn gesteld van de GI door de kinderrechter van de locatie Middelburg en de minderjarigen daaraan voorafgaand ook zijn gesproken door de kinderrechter. Ook neemt de kinderrechter hierbij in overweging dat bij beschikking van 26 maart 2026 eerder is beslist op het verzoek van de GI, alsook dat mr. van Beers geen bezwaar heeft gemaakt tegen de behandeling van het resterende deel van het verzoek door deze rechtbank. Dit maakt dat de kinderrechter zich bevoegd acht om op het resterende deel van het voorliggende verzoek te beslissen.

Inhoudelijke beoordeling

Bij beschikking van 26 maart 2026 heef de kinderrechter eerder beslist op het verzoek van de GI, in die zin dat het spoedverzoek om zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlenen, is afgewezen. Het reguliere verzoek ligt daarom nog voor de gehele periode ter beoordeling voor.

De kinderrechter overweegt als volgt. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na het overlijden van de vader korte tijd bij de familie vaderszijde hebben verbleven om nabij het afscheid van hun vader te kunnen zijn. Hierna zijn de minderjarigen door de GI in een voor hen bekend netwerkpleeggezin geplaatst, te weten bij hun oude buren. Het plan is dat wordt toegewerkt naar een plaatsing bij de moeder. De plaatsing in het netwerkpleeggezin is bedoeld als een tussenstap, omdat de minderjarigen de moeder al langere tijd niet hebben gezien en een verblijf bij de moeder daardoor vooralsnog niet mogelijk is. In het netwerkpleeggezin verblijven de minderjarigen in hun eigen omgeving, kunnen zij naar hun eigen school blijven gaan en hun vriendjes en vriendinnetjes blijven zien. Ook verblijven de minderjarigen hierdoor op kortere afstand van de moeder, waardoor gemakkelijker aan contactherstel en contactopbouw kan worden gewerkt. Gebleken is dat de plaatsing in het netwerkpleeggezin tot op heden goed verloopt en voor rust lijkt te zorgen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hoewel er nog wel zorgen zijn over de minderjarigen. Het gaat namelijk nog wisselend met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en zij lijken nog niet aan rouw toe te komen. Ook zijn er zorgen over de weerstand die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren tegen de moeder. In de komende periode moet worden onderzocht waar deze weerstand bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vandaan komt en wat de mogelijkheden zijn voor contactherstel met de moeder, waarbij het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] leidend is. Hoewel de moeder het liefst zou willen dat de minderjarigen op zo kort mogelijke termijn bij haar komen wonen, is ook gebleken dat zij er begrip voor heeft dat op het tempo van de minderjarigen moet worden gewerkt aan contactherstel en contactopbouw.

Het voorgaande maakt dat continuering van de plaatsing in het netwerkpleeggezin noodzakelijk is in het belang van de minderjarigen. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat aan de bovengenoemde wettelijke vereisten wordt voldaan. Zij zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 6 juni 2026. Hoewel door de GI is verzocht een deel van de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor een gezinsgerichte accommodatie, is ter zitting toegelicht dat het uitgangspunt is dat de minderjarigen in de komende periode in het netwerkpleeggezin verblijven. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom beperken tot een netwerkpleeggezin.

De kinderrechter verwacht dat de GI ook in de komende periode goed zicht houdt op hoe het gaat met de minderjarigen, waarbij gelet op voornoemde zorgen en hetgeen de minderjarigen hebben meegemaakt moet worden onderzocht of de inzet van individuele hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend is en wanneer deze kan worden ingezet. Ook verwacht de kinderrechter dat wordt gewerkt aan contactherstel tussen de minderjarigen en de moeder, waarbij het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden gevolgd.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin met ingang van 2 april 2026 en tot 6 juni 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Meer als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand