RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/439661 / JE RK 25-1643 (restant verlenging ondertoezichtstelling)
C/02/443550 / JE RK 25-2329 (restant verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 2 april 2026
nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 25-1643:
- de beschikking van 13 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de briefrapportage van de GI van 27 februari 2026.
Inzake JE RK 25-2329:
de beschikking van 9 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
de briefrapportage met bijlage van de GI van 24 februari 2026.
Op 2 april 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de zitting met gesloten deuren gezamenlijk behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 14 oktober 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 oktober 2024 en tot 14 oktober 2025.
Bij beschikking van 13 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 oktober 2025 en tot 14 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 16 december 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 december 2025 en tot 30 december 2025.
Bij beschikking van 24 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening dan wel een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 30 december 2025 en tot 13 januari 2026.
Bij beschikking van 19 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verlengd met ingang van 13 januari 2026 en tot 14 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
3. Het verzoek
Inzake JE RK 25-1643:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van
een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 14 april 2026 tot 14 oktober 2026.
Inzake JE RK 25-2329:
De GI verzoekt, na wijziging, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 14 oktober 2026) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 14 april 2026 tot 14 oktober 2026.
4. De standpunten
De GI handhaaft het resterende deel van beide verzoeken. De GI licht toe dat [minderjarige] in het netwerkpleeggezin tot rust is gekomen. Hij ervaart vanuit het netwerkpleeggezin dat hij contact met de vader en de moeder mag hebben. Het contact tussen [minderjarige] en de vader wordt stapsgewijs opgebouwd. Dit gaat tot nu toe erg goed, hoewel [minderjarige] en de vader het met momenten nog wel lastig vinden dat het contact beperkt is. Een volledige thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is op dit moment nog niet mogelijk. Evenmin is een co-ouderschapsregeling tussen de ouders mogelijk, zoals [minderjarige] en de vader wensen. Er moet namelijk vanuit de stabiele situatie van het netwerkpleeggezin worden onderzocht hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden hersteld. Verder verklaart de GI dat door school en de netwerkpleegmoeder zorgen zijn geuit over het gedrag van [minderjarige] , onder andere doordat [minderjarige] geld heeft gestolen, een vape heeft verkocht en vuilnisbakken in de brand heeft gestoken. Hiervoor zal individuele hulpverlening voor [minderjarige] worden ingezet, maar hierbij moet steeds worden bezien wat de mogelijkheden zijn zonder [minderjarige] en de andere betrokkenen te overbelasten. Op dit moment staat stabilisatie centraal.
[minderjarige] wil liever niet dat de jeugdbeschermer nog langer betrokken blijft. Hij vindt het namelijk moeilijk dat de jeugdbeschermer zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. [minderjarige] vindt het op zich wel goed om nog langer in het netwerkpleeggezin te verblijven, maar wil ook graag vaker bij zijn vader zijn. Op dit moment spreekt [minderjarige] zijn vader bijna dagelijks en hij logeert daar elk weekend. Dat gaat erg goed en [minderjarige] vindt dit heel fijn. [minderjarige] heeft zijn moeder al een aantal maanden niet gesproken, behoudens twee korte gesprekken via sociale media. Hij zou graag meer contact willen met zijn moeder. Hij mist haar. Het liefst zou [minderjarige] met een co-ouderschapsregeling om de week bij zijn vader en zijn moeder verblijven en het verblijf in het netwerkpleeggezin stapsgewijs afbouwen. [minderjarige] zou het fijn vinden als het onderlinge contact tussen de ouders verbetert zodat zij afspraken over hem kunnen maken. Verder vertelt [minderjarige] dat hij sinds kort een nieuwe buddy heeft van [hulpverlening] . Hij moet nog wel wennen aan deze buddy.
De vader zou graag zien dat [minderjarige] vaker bij hem is, ook omdat hij weet dat [minderjarige] moeite heeft met de huidige situatie. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] zich gehoord voelt en dat naar zijn wensen wordt geluisterd. Hoewel de vader heeft geaccepteerd dat onderling contact met de moeder niet haalbaar is, vindt hij het wel belangrijk dat [minderjarige] in de toekomst vrij kan bewegen tussen zijn ouders en het netwerkpleeggezin. Verder benoemt de vader dat hij het belangrijk vindt dat in de komende periode door de volwassenen om [minderjarige] heen wordt bezien wat zij voor [minderjarige] kunnen doen, zodat [minderjarige] meer kind kan zijn.
De moeder is het eens met het verzoek. Het is voor alle betrokkenen duidelijk waar naartoe wordt gewerkt en in deze situatie zijn voorzichtigheid, zorgvuldigheid en rust erg belangrijk. Om die reden wordt verzocht het resterende deel van beide verzoeken voor de volledige duur toe te wijzen.
5. De nadere beoordelingHet wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de zorgen over [minderjarige] nog niet zijn weggenomen, maar dat er in de afgelopen periode wel positieve stappen zijn gezet. Gebleken is dat [minderjarige] op zijn plek zit in het netwerkpleeggezin en daar zichtbaar opbloeit. Door het verblijf in het netwerkpleeggezin is er meer rust ontstaan voor [minderjarige] en het jarenlange patroon waarin [minderjarige] wisselend bij een van de ouders woonde en geen contact had met de andere ouder wordt langzamerhand doorbroken. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat [minderjarige] stabiliteit en duidelijkheid ervaart in het netwerkpleeggezin en toestemming ervaart om contact te hebben met beide ouders. De kinderrechter overweegt dat de ouders afzonderlijk en gezamenlijk nog niet in staat zijn om [minderjarige] een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving te bieden, onder andere doordat zij kampen met persoonlijke problematiek die hun beschikbaarheid beïnvloedt. Dit maakt dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie van een van beide ouders. Ook neemt de kinderrechter hierbij in overweging dat nog steeds sprake is van een moeizame relatie tussen de ouders, waarin onderlinge communicatie en samenwerking in het belang van [minderjarige] niet mogelijk is gebleken. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat in de komende periode onder regie van de GI verder moet worden gewerkt aan het doorbreken van voornoemd patroon, zodat kan worden toegewerkt naar een situatie waarin beide ouders een rol hebben in het leven van [minderjarige] en [minderjarige] onbelast contact kan hebben met beide ouders. Betrokkenheid van de GI is hierin noodzakelijk om richting te geven aan het contactherstel, zicht te houden op de veiligheid van [minderjarige] en de ouders te begeleiden in het aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal het resterende deel van de verzoeken daarom toewijzen en zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 14 oktober 2026.
De kinderrechter verwacht verder dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Gelet op de wensen van [minderjarige] en de vader vindt de kinderrechter het belangrijk dat in de komende periode verder wordt gewerkt aan het uitbreiden van de contacten tussen [minderjarige] en de vader en dat wordt bezien of een regeling passend is waarbij [minderjarige] wisselend één week bij de vader en één week bij het netwerkpleeggezin verblijft. Daarbij spreekt de kinderrechter de hoop uit dat de moeder ook een rol in deze regeling zal hebben, vooral omdat [minderjarige] behoefte heeft aan contact met de moeder en heeft uitgesproken dat hij haar mist. Het is daarvoor wel van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder zorgvuldig en onder begeleiding wordt opgebouwd.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Inzake JE RK 25-1643:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 april 2026 en tot 14 oktober 2026;
Inzake JE RK 25-2329:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 14 april 2026 en tot 14 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.