RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446604 / JE RK 26-546
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. V.J.C. Pieters uit Goes,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- De beschikking van 27 maart 2026 met de daarin genoemde stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI via een online verbinding.
De vader en de moeder zijn niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij (spoed)beschikking van 10 januari 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2023 en tot 24 januari 2023. Tevens is een
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten
bij de vader, met ingang van 10 januari 2023 en tot 24 januari 2023.
Bij beschikking van 23 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 24 januari 2023 en tot 24 januari 2024. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 20 januari 2026 en tot 24 april 2026.
Ook is bij beschikking van 23 januari 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, verleend, met ingang van 24 januari 2023 en tot 24 april 2023. Deze is daarna verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 april 2023 en tot 24 januari 2024.
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 27 maart 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 maart 2026 en tot 10 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de
ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt
hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Ter beoordeling ligt nog voor de vraag of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden te herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen met ingang van 10 april 2026 en tot 24 april 2026.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. Afgelopen dinsdag is er een overleg geweest naar aanleiding van de escalatie die tussen de moeder en [minderjarige] heeft plaatsgehad.. In plaats van dat er sprake was van spijt of enige zelfreflectie is [minderjarige] vooral boos en in de weerstand. Tijdens het overleg is [minderjarige] ook weggelopen, al bleef hij wel in contact. Volgens de GI wil [minderjarige] terug naar huis. Hij wil niet in gesprek met de moeder en wil ook geen afspraken maken. Op de groep zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen genomen, omdat [minderjarige] in de weerstand zit en dreigend is naar groepsgenoten.
Namens de moeder is aangegeven dat de moeder akkoord is met het verzoek van de GI.
5. De beoordeling
Spoedbeslissing
De kinderrechter is van oordeel dat niet gebleken is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de gegeven spoedbeslissing herroepen moet worden.
Resterende deel van het verzoek
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
Er is bij [minderjarige] sprake van boosheid en weerstand. Hij is van mening dat de moeder hem niet aan had mogen raken en legt daarmee de verantwoordelijkheid van zijn eigen handelen waarbij hij de moeder flink te lijf is gegaan buiten zichzelf. Er is nog geen sprake van spijt of zelfreflectie. [minderjarige] lijkt, zo geeft de GI aan, in de overlevingsmodus te zitten.
De moeder heeft fysiek nog veel pijn door de escalatie. Ook is [minderjarige] afgelopen dinsdag tijdens het overleg tegen haar uitgevallen. De moeder ziet in dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan.
De kinderrechter vindt het gelet op dit alles niet verantwoord dat [minderjarige] op dit moment terug naar huis gaat. De kinderrechter maakt zich zorgen over de gewetensontwikkeling van [minderjarige] . Het is van belang dat [minderjarige] tot rust komt, zijn eigen aandeel gaat zien en dat er, zodra er rust bij [minderjarige] is, een herstelgesprek met de moeder komt. Ook zullen er dan veiligheidsafspraken met [minderjarige] en de moeder gemaakt moeten worden.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 april 2026 en tot 24 april 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.