RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445563 / JE RK 26-347
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/445414 / JE RK 26-327. Op het verzoek met dit zaaknummer wordt per separate beschikking beslist.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar vader.
Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 oktober 2025. Bij beschikking van 29 september 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 10 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI stelt dat de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt, mede omdat de noodzakelijke hulpverlening niet heeft kunnen starten. De vader is niet bereid om het zorgarrangement, met daarin opgenomen opvoedondersteuning, ouderschapsbemiddeling en paardencoaching, te ondertekenen. De GI acht de inzet van hulpverlening voor beide ouders van groot belang, omdat deze bij kan dragen aan rust en duidelijkheid binnen de dynamiek tussen ouders. Een ouderschapsbemiddelingstraject kan zorgen voor stabiliteit, opvoedondersteuning kan bijdragen aan dagelijkse structuur voor [minderjarige] . Daarnaast kan paardencoaching haar een veilige plek bieden waar zij kan delen hoe het werkelijk met haar gaat.
Het lukt de vader op dit moment niet om de noodzaak van deze ondersteuning te erkennen. Door de voortdurende strijd en belastende dynamiek wordt [minderjarige] nog steeds geconfronteerd met volwassen problematiek. De zorgen van de moeder en de boosheid van de vader moeten voor haar voelbaar zijn. Binnen deze omstandigheden is het voor [minderjarige] onmogelijk om zich te richten op haar eigen ontwikkelingstaken en om onbezorgd kind te kunnen zijn. [minderjarige] wordt dus nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd.
De moeder staat achter het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen.
De vader zou graag zien dat de ondertoezichtstelling beëindigd wordt.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] zit nog altijd klem in de langdurige strijd tussen de ouders. Tijdens de zitting komt het communicatiepatroon van de ouders duidelijk naar voren; zij maken elkaar over en weer verwijten. Ook komt duidelijk naar voren dat de huidige situatie voor overbelasting van de vader zorgt. Hij is bang om zijn baan te verliezen en is daardoor niet in staat om mee te denken over en mee te werken aan mogelijke hulpverlening voor de ouders en [minderjarige] .
Het is de kinderrechter duidelijk dat er echt hulp en ondersteuning voor [minderjarige] en voor de ouders moet komen. [minderjarige] wordt structureel belast met spanningen en ruzie tussen de ouders, met verwijten over en weer en met wederzijds wantrouwen. Ook al proberen de ouders om [minderjarige] hier buiten te houden, [minderjarige] krijgt de stress van de ouders over de situatie mee en dat is schadelijk voor haar ontwikkeling.
Het is in het belang van [minderjarige] dat de strijd tussen de ouders stopt.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders nog niet in staat zijn om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. De ouders zijn nog niet in staat om samen te bepalen wat er voor [minderjarige] nodig is en de hindernissen die maken dat de hulpverlening nog niet is gestart, weg te nemen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 april 2026 en tot 10 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.