ECLI:NL:RBZWB:2026:3684

ECLI:NL:RBZWB:2026:3684

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 03-05-2026
Zaaknummer C/02/446153 / JE RK 26-458
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Tussenbeschikking betreffende vervangende toestemming verkrijging Nederlands reisdocument

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/446153 / JE RK 26-458

Datum uitspraak: 2 april 2026

Beschikking betreffende vervangende toestemming verkrijging Nederlands reisdocument

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan de heer [persoon] , hierna te noemen: de vader, om bij de zitting aanwezig te zijn.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . [minderjarige 2] is door de vader erkend.

Bij beschikking van 26 juni 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 26 juni 2025 en tot 10 juli

2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Ook is een machtiging tot

uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur

van twee weken, te weten met ingang van 26 juni 2025 en tot 10 juli 2025 onder aanhouding

van het resterende deel van het verzoek.

Bij beschikking van 9 juli 2025 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd met ingang van 10 juli 2025 en tot 26 september 2025.

Bij beschikking van 25 september 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 september 2025 en tot 25 september 2026.

Bij beschikking van 25 september 2025 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 september 2025 en tot 25 januari 2026. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 19 maart 2026 voor de periode van 25 maart 2026 en tot 25 september 2026.

Op basis van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een pleeggezin.

3. Het verzoek

De GI verzoekt op grond van artikel 36 lid 1 van de Paspoortwet vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een Nederlands reisdocument ten behoeve van bovengenoemde minderjarigen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek. Het is belangrijk dat de minderjarigen een identiteitsbewijs hebben, onder meer voor het geval een medische behandeling in de toekomst noodzakelijk is. Daarnaast hebben de minderjarigen een identiteitsbewijs nodig om deel te kunnen nemen aan het rijksvaccinatieprogramma, mee te kunnen gaan op schoolreisjes en voor vakanties naar het buitenland met het pleeggezin. Daar komt bij dat het pleeggezin in een grensregio woont en daardoor met enige regelmaat in België is. De GI heeft inmiddels begrepen dat de vader in het bezit is van een Nederlandse identiteitskaart van [minderjarige 2] en benoemt ten aanzien van de identiteitskaart van [minderjarige 1] dat zij de moeder in de komende periode de kans wil geven om een Belgische identiteitskaart aan te vragen.

De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] zijn Belgische nationaliteit behoudt. Zij wil daarom een Belgische identiteitskaart voor [minderjarige 1] aanvragen. Dit zal naar verwachting maximaal acht weken duren. De moeder stemt er mee in dat de vader de Nederlandse identiteitskaart van [minderjarige 2] overhandigt aan de GI.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De kinderrechter constateert dat de minderjarige [minderjarige 1] en de moeder de Belgische nationaliteit hebben en [minderjarige 2] de Nederlandse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Het wettelijk kader

Op grond van artikel 36 van de Paspoortwet kan de GI verzoeken om een vervangende verklaring van toestemming ter zake van de aanvraag voor een reisdocument ten behoeve van de onder toezicht gestelde minderjarige jonger dan zestien jaar, wanneer de ouder(s), die met het gezag zijn belast, toestemming tot afgifte van een reisdocument weigeren.

De inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat de vader in bezit was van een Nederlandse identiteitskaart van [minderjarige 2] dat geldig is tot 29 december 2027. De moeder heeft ter zitting toestemming verleend om dit identiteitsbewijs te overhandigen aan de GI, waarna het identiteitsbewijs door de vader aan de GI is overhandigd. Ten aanzien van de verzochte vervangende toestemming voor een reisdocument van [minderjarige 1] heeft de moeder ter zitting toegelicht dat zij een Belgische identiteitskaart voor [minderjarige 1] wil aanvragen, omdat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige 1] de Belgische nationaliteit behoudt. Hoewel de moeder er tot op heden niet in is geslaagd een identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] aan te vragen, wil de kinderrechter de moeder nogmaals in de gelegenheid stellen om een Belgisch identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] aan te vragen. De kinderrechter zal de behandeling van het verzoek daarom aanhouden en bepaalt dat de nadere zitting zal plaatsvinden op [datum] 2026 om [uur]. De kinderrechter verwacht dat de GI uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nadere zitting, te weten op donderdag 21 mei 2026, schriftelijk zal informeren over de aanvraag voor het Belgische identiteitsbewijs van [minderjarige 1] en de stand van zaken daaromtrent, evenals of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

6. De beslissing

De kinderrechter:

houdt de behandeling van het verzoek aan en roept de GI en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. Zuijdweg van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, op [datum] 2026 om [uur], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Meer als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand