RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/445616 / KG ZA 26-112
Vonnis in kort geding van 2 april 2026
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Tilburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland- West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting op 20 maart 2026 zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door waarnemend advocaat mr. T.J.A. Schillings. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025, hierna te noemen [minderjarige] .
De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
3. Het geschil in conventie
Standpunt van de man in conventie
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te bevelen c.q. te veroordelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis
onverminderd uitvoering te geven aan de door de rechtbank te bepalen voorlopige
contactregeling (bij voorkeur zoals opgenomen onder randnummer 25 van de kort
geding dagvaarding), zulks op straffe van een door de vrouw aan de man te betalen
dwangsom van € 500,-- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het deze te wijzen
vonnis te voldoen, tot een maximum van € 10.000,--, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
II. althans dusdanige (voorlopige) beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang
van de minderjarige geraden acht.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Op 9 januari 2026 is de vrouw met [minderjarige] zonder aanleiding vertrokken. Partijen hebben allebei hun eigen problematiek. Vanuit deze problematiek heeft de man emotionele uitspraken gedaan en heeft hij een suïcidepoging via video in scène gezet. De man heeft hier inmiddels hulpverlening voor aangevraagd vanuit de Viersprong in de vorm van schematherapie, waarbij ook de vrouw en [minderjarige] zullen worden betrokken. Deze hulpverlening zal in mei of juni starten. Er is daarnaast hulpverlening betrokken vanuit [hulpverlening 1] . [hulpverlening 1] heeft De Gezinsmanager benaderd voor de omgang tussen [minderjarige] en de man. De Gezinsmanager geeft aan dat zij een traject aanbieden waarin de man gedurende een half jaar de minderjarige wekelijks 45 minuten op kantoor kan zien onder begeleiding. Eventueel kan er beperkte uitbreiding volgen. Tot De Gezinsmanager start, vindt er eens per twee weken gedurende 45 minuten contact plaats bij [hulpverlening 1] . De man is het hier niet mee eens en heeft het gevoel dat er niet naar hem geluisterd wordt. De man heeft [minderjarige] sinds de breuk tussen partijen enkel op haar verjaardag een half uur lang gezien in een park. De twee afspraken daarna heeft de man afgezegd, één keer was de man ziek en de andere keer moest de man naar het ziekenhuis. Momenteel staat er volgende week een afspraak gepland.
De man wil dat er een voorlopige regeling wordt vastgesteld tussen de man en [minderjarige] . De man vindt dat zijn emotionele uitspraken onvoldoende grond zijn om enkel contact onder begeleiding plaats te laten vinden. Daarnaast is er sprake van goed genoeg ouderschap bij de man en is de man van mening dat het contact in zijn eigen woonomgeving kan plaatsvinden. Verder stemt de man in met een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod, waarbij een voorlopige zorgregeling kan worden vastgesteld waarbij de regie over de uitbreiding van de zorgregeling bij de Gezinsmanager wordt gelegd. De man zal dan een bodemzaak aanhangig maken binnen enkele dagen na de zitting. Daarnaast kan de man instemmen met een dwangkader als de Raad en de rechtbank van mening zijn dat dat nodig is. Het spoedeisend belang omvat dat het in het belang van [minderjarige] is om zo snel mogelijk een contactregeling te hervatten. Ook moet er zicht komen op de situatie en ligt het ontstaan van een loyaliteitsconflict op de loer.
Standpunt van de vrouw in conventie
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. De man heeft zeer zorgwekkend gedrag vertoond en is niet in een (mentale) staat om de (onbegeleide) zorg voor [minderjarige] aan hem toe te vertrouwen. Zo heeft de man verschillende malen gedreigd suïcide te zullen plegen. Ook heeft de man de vrouw en de kinderen eerder bedreigd en uitgescholden, is er sprake geweest van huiselijk geweld en wordt de man angstig als de oudste dochter van de vrouw hem boos aankijkt. De man is daarvoor op de wachtlijst geplaatst voor behandeling. Uit het verslag blijkt echter dat de man niet kan omgaan met adviezen van de hulpverlening die al bij de vrouw betrokken was. De vrouw betwist dat bij de man sprake is van goed genoeg ouderschap. Ook heeft de vrouw geen zicht op in hoeverre de huidige woning van de man geschikt is voor de zorgtaken voor [minderjarige] . De vrouw wil [minderjarige] echter niet weghouden bij de man. De vrouw wil daarom dat er uitsluitend begeleide omgang plaatsvindt, totdat blijkt dat de (mentale) situatie van de man stabiel genoeg is om alleen voor [minderjarige] te zorgen. Op dit moment houdt de vrouw de man actief op de hoogte van de ontwikkelingen van [minderjarige] en is er hulpverlening betrokken vanuit [hulpverlening 2] . Daarnaast herkent de moeder het beeld dat de man schetst van [hulpverlening 1] niet. Vanuit [hulpverlening 1] wordt er momenteel gewerkt aan een hulptraject en heeft er al een moment van begeleide omgang plaatsgevonden. De twee opvolgende momenten zijn echter afgezegd door de man. Verder kan de Gezinsmanager in april starten. De vrouw is van mening dat er geen sprake is van spoedeisendheid, nu er al een traject wordt opgezet. Daarnaast is de zaak niet geschikt voor kort geding, gelet op de complexe feiten en omstandigheden.
4. Het geschil in reconventie
Standpunt van de vrouw in reconventie
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
II. de man een tijdelijk verbod tot contact met [minderjarige] op te leggen, althans te bepalen dat de man uitsluitend onder de begeleiding van een daartoe gespecialiseerde instelling contact met de minderjarige mag hebben, althans een zorgregeling in goede justitie vast te stellen; en
III. te bepalen dat de man op geen enkele wijze direct contact met de vrouw mag opnemen tot het moment dat partijen onder begeleiding van de betrokken hulpinstantie(s) tot
nadere afspraken zijn gekomen; en
IV. te bepalen dat de man zich niet in een straal van 500 meter in de buurt van de woning van de vrouw mag begeven tot het moment dat partijen onder begeleiding van de betrokken hulpinstantie(s) tot nadere afspraken zijn gekomen; en
V. te bepalen dat indien de man in gebreke blijft ten aanzien van het opgelegde contact- en/of locatieverbod hij een dwangsom verbeurt van €500,- per overtreding met een maximum van €50.000,-.
Ter onderbouwing van haar vorderingen voert de vrouw aan dat onbegeleid contact tussen de man en [minderjarige] in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. De vrouw vordert daarom een verbod op contact tussen de man en [minderjarige] , althans onbegeleid contact, op te leggen voor de duur van één jaar. Het contact tussen de man en [minderjarige] moet via de hulpverlening verlopen. De man vertoont onvoorspelbaar gedrag, waardoor de vrouw vreest voor wat er zou gebeuren als het hulpverleningstraject zou stoppen. Ook wil de vrouw dat er een contactverbod wordt opgelegd vanuit de man naar de vrouw. Op dit moment informeert de vrouw de man iedere dag per e-mail. De man reageert daarop met emotioneel beladen berichten, maar verder is het contact tussen partijen sinds de breuk rustiger. De vrouw is bereid om in overeenstemming met de hulpverlening tot nadere afspraken te komen over de informatie- en consultatieplicht. Tot het moment dat er afspraken zijn, vordert de vrouw een contact- en locatieverbod vanuit de man naar de vrouw, om een duidelijk signaal af te geven richting de man. De man heeft namelijk geen reden om zich in de buurt van de woning van de vrouw te bevinden.
Standpunt van de man in reconventie
Ten aanzien van de vorderingen in reconventie van de vrouw geeft de man aan dat een contact- en locatieverbod zware middelen zijn en dat een deugdelijke onderbouwing of grond daarvoor ontbreekt. De man heeft de vrouw sinds de breuk niet benaderd en reageert zeer beperkt op de informatie die de vrouw verstrekt.
Op de overige stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen hun vorderingen vast.
Het standpunt van de Raad
De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. De Raad is van mening dat er contact dient te zijn tussen de man en [minderjarige] , omdat de man daar recht op heeft en de man een onderdeel dient uit te maken van het leven van [minderjarige] . Er moet gekeken worden hoe het contact op dit moment veilig kan worden vormgegeven. Partijen hebben persoonlijke problematiek en moeten elkaar gaan leren vertrouwen. Daar is echter hulpverlening voor nodig. Vanuit [hulpverlening 1] is er een start gemaakt met het contact tussen de man en [minderjarige] . De Raad adviseert het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 1] voort te zetten en het traject bij de Gezinsmanager te starten, waarbij het contact in beginsel begeleid plaats zal vinden. De Raad adviseert om partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod, zodat de casus terugkomt bij de rechtbank, indien het hulpverleningstraject niet goed verloopt.
Inhoudelijke beoordeling
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod
Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat partijen reeds aangemeld zijn bij De Gezinsmanager en een hulpverleningstraject voor partijen en [minderjarige] daar op korte termijn zal kunnen starten. Het is geenszins de bedoeling om met deze verwijzing dit hulpverleningstraject te doorkruisen. De verwijzing is bedoeld om dit hulpverleningstraject binnen het UHA te monitoren.
De rechtbank overweegt dat het partijen tot op heden niet lukt om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en er is sprake van veel wantrouwen over en weer tussen partijen. Hierdoor lukt het hen niet om tot overeenstemming te komen over welke vorm van contact tussen de man en [minderjarige] in het belang is van [minderjarige] . Daarnaast is er bij partijen sprake van persoonlijke problematiek.
De verwijzing heeft op 25 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren;
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De man heeft aangekondigd een bodemprocedure te zullen starten. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het kind.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De voorzieningenrechter verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding UHA in KG met zaaknummer 445616 KG ZA 26-112 d.d. 20 maart 2026;
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Voorlopige zorgregeling
Hoewel partijen overeenstemming hebben bereikt over de verwijzing naar het UHA-traject en de daarbij gestelde doelen, is het partijen niet voldoende gelukt om overeenstemming te bereiken over het contact tussen de man en [minderjarige] .
Evenals de Raad acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] dat zij contact heeft met de man, waarbij er in beginsel sprake zal zijn van begeleid contact. Gebleken is dat er op dit moment vanuit [hulpverlening 1] is gestart met begeleid contact voor één keer per twee weken gedurende 45 minuten op kantoor. De voorzieningenrechter acht het van belang om aan te sluiten bij deze regeling en zal deze regeling voorlopig zo vaststellen. Vanuit [hulpverlening 1] is aangegeven dat deze regeling zal worden gevolgd, totdat de hulpverlening vanuit De Gezinsmanager kan starten. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat De Gezinsmanager de vrijheid heeft om binnen het hulpverleningstraject, waar mogelijk en wenselijk in het belang van [minderjarige] , het contact tussen de man en [minderjarige] verder uit te breiden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door de begeleide momenten langer te laten duren, of door ook onbegeleide momenten mogelijk te maken, als het traject daar aanleiding voor zou geven. Het voorgaande betekent dat de vordering van de man onder I zal worden afgewezen en dat de vordering van de man onder II zal worden toegewezen, in die zin dat als voorlopige zorgregeling zal worden bepaald dat de man en [minderjarige] contact hebben met elkaar één keer per twee weken onder begeleiding gedurende 45 minuten op kantoor van [hulpverlening 1] , en vervolgens volgens de regeling van de Gezinsmanager, al dan niet onder begeleiding.
Verder ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom aan de vrouw en zal deze vordering van de man daarom afwijzen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de ouders zich beiden zullen houden aan de voorlopige regeling.
Nu de voorzieningenrechter de vordering van de man in conventie onder II ten aanzien van een voorlopige zorgregeling heeft toegwezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de vordering van de vrouw in reconventie onder II. De voorzieningenrechter is met de Raad van oordeel dat contact tussen de man en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is. Tevens zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw in reconventie onder III en IV afwijzen. De vrouw heeft geen belang bij deze vorderingen, nu er een voorlopige zorgregeling zal worden vastgesteld tussen de man en [minderjarige] en er zicht zal worden gehouden op de situatie vanuit de al lopende hulpverlening en vervolgens via het UHA. Nu deze vorderingen zullen worden afgewezen, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw in reconventie onder V afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
- één keer per twee weken begeleid gedurende 45 minuten op het kantoor van [hulpverlening 1] en vervolgens binnen het hulpverleningstraject van de Gezinsmanager, te beginnen begeleid en mogelijk uit te breiden naar onbegeleid wanneer het verloop van dit hulpverleningstraject daar aanleiding toe geeft;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst ouders en hun minderjarige kind(eren) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 22 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “in KG met zaaknummer 445616 KG ZA 26-112 d.d. 20 maart 2026”
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 5.13. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tempel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.