RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445973 / JE RK 26-425
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. V.J.C. Pieters uit Goes,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M. Krijger uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aan de kinderrechter zijn mening te geven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] woont bij vader. [minderjarige 2] is de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
[minderjarige 1] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter laten weten dat hij achter het verzoek van de Raad staat.
De Raad stelt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien al langere tijd op in een instabiele opvoedomgeving, waarbij spanningen tussen de ouders op de voorgrond lijken te blijven staan en de kinderen hierdoor klem lijken te zitten tussen de ouders. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en met behulp van (vrijwillige) hulpverlening tot afspraken te komen. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen een voor hen aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
De vader staat achter het verzoek van de Raad. Wel ziet de vader graag nog een aanvulling in de doelen van de Raad. De vader zou graag aangevuld ziendat als een kindbehartiger of vertrouwenspersoon onvoldoende blijkt te zijn voor [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] , er een psycholoog wordt ingezet voor de kinderen. Ook zou de vader graag zien dat er in de beschikking wordt opgenomen dat er goed gekeken wordt naar wat er in de ouder-kindrelatie gebeurt, wat daarin moet veranderen en hoe dat gedaan kan worden. Ook moeten er afspraken gemaakt worden met betrekking tot de communicatie tussen de ouders en van de ouders (wat bespreek je wel en wat bespreek je niet met de kinderen) waar de ouders zich aan moeten houden en waar de kinderen de ouders op aan kunnen spreken. Ook zou de vader graag zien dat er systeemgerichte hulpverlening komt met het accent op wat de ouders kunnen en moeten doen, zodat zij de kinderen geen rol geven die niet bij de kinderen hoort te liggen.
Namens en door de moeder wordt verklaard dat zij achter het verzoek van de Raad staat. Zij kan ook instemmen met de door de (advocaat van de) vader aanvullend gestelde doelen.
De GI geeft aan dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en dat er gewerkt wordt met een instroomteam. Het is van belang dat er duidelijke doelen in de beschikking opgenomen worden.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De ouders zijn in 2020 gescheiden. Er is de afgelopen jaren veel gebeurd en de ouders hebben beiden een heel ander beeld van wat er wel of niet gebeurd is. De ouders wantrouwen elkaar en reageren nog steeds erg heftig op elkaar hetgeen tot grote spanningen leidt. Het lukt de ouders nog steeds niet om op een goede manier tot afspraken te komen betreffende de zorgregeling en de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen hebben daardoor veel onrust en onduidelijkheid ervaren, zijn belast met volwassen zaken en staan nog geregeld tussen de ouders in. Er is in het vrijwillige kader veel hulpverlening ingezet, maar het heeft weinig resultaat gebracht. Zo is [hulpverlening 1] , [hulpverlening 2] en casusregie ingezet. [hulpverlening 2] heeft de communicatie tussen de ouders volledig van de ouders overgenomen, maar komt in het vrijwillig kader niet verder en de ouders ook niet. Bovendien is dit ook geen passende oplossing voor de lange termijn. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan dan ook niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
Het is van groot belang dat de kinderen niet langer belast worden met volwassen zaken en het wantrouwen tussen de ouders onderling. De ouders zien dit ook in en vinden dat de kinderen onbelast contact moeten hebben met de beide ouders maar zijn niet in staat het tij te keren. De ondertoezichtstelling is nodig, zodat er duidelijke afspraken gemaakt kunnen worden en de ouders ook kunnen worden aangesproken als zij zich niet aan die afspraken houden of anderszins handelen in strijd met de belangen van de kinderen. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
De kinderrechter neemt daarbij de doelen van de Raad over en vult deze aan, waardoor de volgende doelen in deze ondertoezichtstelling aan de orde zijn:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een (emotioneel) veilige, duidelijke, stabiele en voor hen voorspelbare omgeving die tegemoetkomt aan hun opvoedbehoeftes;
- Ouders kunnen beide aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat zij worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en zich gehoord en gezien voelen;
- Ouders zetten zich in om zich niet negatief te uiten over de andere ouder in het bijzijn van de kinderen en zorgen ervoor dat de kinderen niet belast
worden met volwassenen-problematiek;
- Er wordt ingezet op een vorm van overleg en samenwerking, waarbij ouders
constructief en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen, maar apart van
elkaar, opvoeder/ouder zijn;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een vertrouwenspersoon/kindbehartiger waarbij zij
hun verhaal kwijt kunnen en als er meer nodig is dan dient er voor de kinderen een psycholoog ingezet te worden;
- Ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan hulpverleningsafspraken.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat de GI zorgvuldig en gelet op de voorgeschiedenis van de al ingezette hulp dient te onderzoeken wat er nu precies gebeurt en wat er moet veranderen in de ouder-kindrelatie, wat passend is bij de (langdurige) problematiek en welke hulp de ouders en de kinderen verder zal helpen. Daarbij is van belang dat wordt beoordeeld wat de ouders individueel nodig hebben en welke systemische hulp ingezet dient te worden. Te denken valt daarbij aan psycho-educatie en aan het maken van duidelijke (communicatie)afspraken waar de ouders zich aan moeten houden en waarbij geldt dat de ouders kunnen en moeten worden aangesproken indien zij zich daaraan niet houden. De kinderen moeten ook weten wat de communicatie-afspraken zijn. Het is aan de GI om te bekijken of en op welke manier de kinderen aan de bel kunnen trekken als de gemaakte afspraken niet nagekomen worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 2 april 2026 en tot 2 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van De Bont als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.