beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/444788 / FA RK 26-645
datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking over vervangende toestemming inschrijving school
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof uit Goes,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Janse uit Halsteren,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023, hierna: [minderjarige 2] .
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Middelburg,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 3 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 2 maart 2026 ontvangen verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek met bijlagen.
Het verzoek is mondeling behandeld op 5 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook waren twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad aanwezig.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man.
Bij vonnis van 27 maart 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig toevertrouwd aan de man. Ook is - onder wijziging van de afspraken die door partijen in september 2024 zijn gemaakt - bepaald dat er een voorlopige zorgregeling geldt tussen de vrouw en de voornoemde minderjarigen op basis waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de wijze zoals onder 3.3 van dit vonnis is opgenomen, te weten de vrouw en de kinderen zijn vanaf het weekend van 21 maart 2025 voorlopig gerechtigd tot contact met elkaar op de navolgende momenten:
gedurende schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als het eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de 1e van de maand valt);
de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen;
waarbij de vrouw de kinderen altijd ophaalt bij de man en de man de kinderen altijd ophaalt bij de vrouw.
Bij beschikking van de kinderrechter van 12 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 mei 2025 en tot 12 mei 2026.
Bij beschikking van 17 juni 2025 is de behandeling van de zaak voor wat betreft het
vaststellen van een definitief hoofdverblijf, een definitieve zorgregeling en het opnemen van
een ouderschapsplan in de te wijzen beschikking aangehouden tot 27 januari 2026 pro forma,
in afwachting van berichten van de advocaten van partijen omtrent het resultaat van de
hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de wijze waarop de zaak verder
moet worden afgedaan.
3. De verzoeken en de standpunten
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan hem, ter vervanging van de toestemming van de vrouw, vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van de minderjarigen op basisschool én [kinderopvang] te [plaats 1] .
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De vrouw verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
Aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen teneinde de minderjarige [minderjarige 1] per direct in te schrijven op basisschool [school 1] in [plaats 2] , staande en gelegen te ( [adres 1] , gemeente Tholen aan de [adres 2] ;
Aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen teneinde de minderjarige [minderjarige 2] per direct in te schrijven bij de peuteropvang van kinderopvang Zo te [plaats 2] , aanwezig in de [school 1] school.
Subsidiair:
Aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen teneinde de minderjarige [minderjarige 1] per direct in te schrijven op basisschool [school 2] in [plaats 3] , staande en gelegen te ( [adres 3] , aan de [adres 4]
Aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen teneinde de minderjarige [minderjarige 2] per direct in te schrijven bij de peuteropvang van kinderopvang Zo te [plaats 3] , aanwezig in de [school 2] school.
Meer subsidiair:
Aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen teneinde de minderjarige [minderjarige 1] per direct in te schrijven op basisschool [school 3] in [plaats 4] , staande en gelegen te ( [plaats 4] , gemeente Tholen aan de [adres 5] ;
Aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen teneinde de minderjarige [minderjarige 2] per direct in te schrijven bij de peuteropvang van kinderopvang Zo te [plaats 4] , aanwezig in de [school 3] school.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals over de schoolkeuze, op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 5 BW moet de rechtbank eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken. De rechtbank zal, nu is gebleken dat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, een beslissing nemen op de voorliggende verzoeken met betrekking tot de inschrijving van de basisschool van Milano en de kinderopvang van [minderjarige 2] .
De man wenst dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de basisschool en [kinderopvang] te [plaats 1] zullen gaan. De minderjarigen zijn middels vonnis in kort geding van 27 maart 2025 voorlopig toevertrouwd aan de man, waarbij een voorlopige zorgregeling geldt tussen de vrouw en de minderjarigen waarbij de minderjarigen ieder weekend, met uitzondering van het eerste weekend van de maand, van vrijdagavond tot zondagavond bij de vrouw verblijven. Hoewel op dit moment in verband met het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap bij de vrouw tijdelijk een afwijkende zorgregeling is afgesproken, verblijven de minderjarigen normaliter doordeweeks bij de man. Het is voor de man van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun directe omgeving naar school zullen gaan, onder andere doordat zij dan hun vriendjes en vriendinnetjes vaker kunnen zien en een lange reistijd naar school wordt voorkomen. Daar komt bij dat de minderjarigen op het [locatie] op dezelfde locatie ook naar het kinderdagverblijf en de kinderopvang kunnen gaan, alsook dat het [locatie] een kleine school is waar ieder kind de benodigde aandacht krijgt. Daarnaast worden beide ouders door de school geïnformeerd over de minderjarigen. Er is voor de man geen andere optie dan de basisschool en kinderopvang in [plaats 1] , mede gelet op de reisafstand naar andere basisscholen in de omgeving. De man heeft de door de vrouw voorgestelde basisscholen niet bezocht. Desgevraagd vindt de man het niet nodig dat er specialisten op school aanwezig zijn. Ingeval blijkt dat [minderjarige 1] meer hulp nodig heeft voor zijn spraakachterstand, zou daarvoor op de [locatie] ook hulpverlening kunnen worden ingeschakeld. Evenmin ziet de man de voordelen in het gebruik van een app door de basisschool om met de ouders te communiceren. Op de [locatie] wordt geen gebruik gemaakt van een app, maar worden ouders wel goed op de hoogte gehouden over de minderjarigen.
De vrouw wenst primair dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de basisschool en kinderopvang in [plaats 2] zullen gaan. De vrouw zou namelijk graag zien dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw krijgen of dat een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarigen op doordeweekse dagen zoveel mogelijk bij haar zullen verblijven. Hierover is nog geen definitieve beslissing genomen, maar dit maakt wel dat de vrouw het niet in het belang van de minderjarigen acht dat zij worden ingeschreven op een basisschool en kinderopvang in [plaats 1] . De vrouw zou dan namelijk aangewezen zijn op het openbaar vervoer om de minderjarigen te brengen en halen van school, hetgeen niet wenselijk is. Daar komt bij dat de vrouw wil voorkomen dat de minderjarigen in de toekomst moeten wisselen van school. Dit maakt dat de vrouw voorkeur heeft voor een basisschool en kinderopvang in [plaats 2] . Ook om inhoudelijke redenen vindt de vrouw dat de basisschool en kinderopvang in [plaats 1] een minder goed alternatief is dan de door haar voorgestelde scholen. De basisschool in [plaats 1] is namelijk erg druk geworden en daarnaast zijn er op deze school geen specialisten aanwezig. Daar komt bij dat de [locatie] niet met een app werkt voor de ouders, terwijl de vrouw dit erg belangrijk vindt omdat zij vanuit de man vrijwel geen informatie krijgt over de minderjarigen. De vrouw acht inschrijving bij de basisschool en kinderopvang in [plaats 2] het meest in het belang van de minderjarigen, onder meer doordat deze school gebruikt maakt van de Parro-app en er altijd meerdere specialisten aanwezig zijn. Daardoor kan worden voorkomen dat hulp voor de minderjarigen te laat wordt ingezet. Subsidiair verzoekt de vrouw vervangende toestemming voor inschrijving voor een basisschool en kinderopvang in [plaats 3] . Ook op deze basisschool zijn altijd meerdere specialisten aanwezig, maar een nadeel is dat de groepen op deze school groot zijn en dat er geen app wordt gebruikt voor ouders. Meer subsidiair verzoekt de vrouw vervangende toestemming voor inschrijving voor een basisschool en kinderopvang in [plaats 4] . Deze basisschool ligt op fietsafstand van beide partijen maar heeft als nadelen dat de groepen groot zijn, er niet altijd specialisten aanwezig zijn en de kinderopvang niet op alle dagen beschikbaar is.
De Raad vindt het moeilijk om een passend advies te geven over de juiste school voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , onder meer doordat de vader blijft vasthouden aan de school in [plaats 1] en doordat door de GI is toegelicht dat waarschijnlijk zal worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling. Daar komt bij dat door vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van een basisschool en kinderopvang mogelijk een voorschot wordt genomen op een definitieve zorgregeling. Tegelijkertijd vindt de Raad het gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] belangrijk dat hij op korte termijn naar school zal gaan. In algemene zin gunt de Raad het kinderen dat zij naar school kunnen gaan op een plek waar zij een gedeelte van de tijd woonachtig zijn, zodat zij makkelijker kunnen spelen met vriendjes en vriendinnetjes.
De GI vindt het belangrijk dat de minderjarigen naar de basisschool en kinderopvang gaan zodat er zicht komt op de minderjarigen, maar heeft geen voorkeur voor welke school of kinderopvang. De GI verwacht dat een co-ouderschapsregeling in de toekomst passend zal zijn voor de minderjarigen en vindt daarom een basisschool en kinderopvang in de directe omgeving van één van beide ouders het meest in het belang van de minderjarigen, zodat zij in de toekomst in ieder geval één week met vriendjes en vriendinnetjes kunnen afspreken en niet altijd met het openbaar vervoer hoeven te reizen. De aanwezigheid van specialisten op school acht de GI minder van belang. Elke basisschool heeft namelijk een samenwerkingsverband waardoor de benodigde hulp op iedere basisschool kan worden ingezet.
De rechtbank overweegt allereerst dat het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij zo min mogelijk reistijd hebben van en naar de basisschool, zodat zij ook de kans krijgen een sociaal leven op te bouwen naast school door bijvoorbeeld speelafspraken, hobby’s en/of sportclubs. Dit maakt dat - gelet op het feit dat er een co-ouderschap zal komen - een school anders dan in [plaats 1] of [plaats 2] niet de voorkeur heeft. De kinderen hoeven dan een keer per twee weken niet met het openbaar vervoer te reizen en hebben dan in ieder geval die week na schooltijd de kans om met vriendjes en vriendinnetjes te spelen.
De rechtbank stelt verder vast dat er bij [minderjarige 1] sprake is (of was) van een spraakachterstand. Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun jonge leven al veel meegemaakt. Zo zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode dat partijen nog bij elkaar waren geconfronteerd met verbaal en fysiek huiselijk geweld, zijn de conflicten sinds het uit elkaar gaan van partijen niet verdwenen en zijn de minderjarigen meerdere keren gewisseld van verblijfplaats. Dit maakt - naast de spraakachterstand van [minderjarige 1] - dat het naar het oordeel van de rechtbank van belang is dat de minderjarigen naar een school gaan waarbij zij snel toegang hebben tot specialistische hulp. Inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de basisschool en kinderopvang in [plaats 2] is naar het oordeel van de kinderrechter daarom het meest in hun belang. Op deze basisschool zijn namelijk specialisten aanwezig, onder andere op het gebied van logopedie. Hoewel de rechtbank begrijpt dat elke basisschool daar op een manier toegang toe heeft, zal deze hulp in de praktijk naar verwachting sneller worden geboden als de specialisten op de basisschool aanwezig zijn.
Tot slot hecht de rechtbank er waarde aan dat op de basisschool in [plaats 2] wordt gewerkt met de Parro-app, zodat wordt gewaarborgd dat partijen op dezelfde manier informatie kunnen verkrijgen over de minderjarigen. Dit is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat partijen op die manier snel met school kunnen schakelen als er iets anders of meer nodig, maar ook omdat partijen moeilijk met elkaar op een constructieve manier kunnen communiceren, hetgeen alleen al blijkt uit het feit dat zij geen overeenstemming kunnen bereiken over de basisschool en kinderopvang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierbij merkt de rechtbank op dat vooral de starre houding van de man over andere scholen dan de school in [plaats 1] of een andere zorgregeling niet helpend is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw toewijzen en aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – vervangende toestemming verlenen om de minderjarigen in te schrijven op de basisschool en kinderopvang in [plaats 2] . De rechtbank realiseert zich dat deze beslissing gevolgen kan hebben voor de definitieve zorgregeling, maar is van oordeel dat het belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zo kort mogelijke termijn naar de basisschool en kinderopvang kunnen gaan prevaleert boven welke invloed deze beslissing mogelijk heeft op de definitieve zorgregeling. Omdat het primaire verzoek van de vrouw wordt toegewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan beoordeling van het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek. De verzoeken van de man zullen worden afgewezen.
De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. Het is namelijk van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op korte termijn naar de basisschool en kinderopvang kunnen gaan.
5. De beslissing
De rechtbank
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – vervangende toestemming om [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, in te schrijven op basisschool [school 1] in [plaats 2] en om [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023, in te schrijven bij de peuteropvang van kinderopvang Zo te [plaats 2] , aanwezig in de [school 1] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.