beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/444441 / FA RK 26/451
datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking over geschillen in de uitoefening van het ouderlijke gezag
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman in Den Haag
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools in Breda,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022, hierna: [minderjarige 2] .
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 26 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 6 maart 2026 ontvangen verweerschrift met zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 12 maart 2026 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 16 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. Door mr. Wigman zijn pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest van 20 april 2020 tot 15 januari 2025. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2025 is de echtscheiding uitgesproken en zijn de door partijen in het ouderschapsplan en convenant getroffen regelingen in de beschikking opgenomen.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. Partijen hebben samen het gezag over hen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw. De vrouw heeft uit een eerdere relatie nog twee kinderen: [minderjarige 3] (16 jaar) en [minderjarige 4] (14 jaar). Ook deze kinderen wonen bij de vrouw.
Partijen zijn op 18 november 2024 een ouderschapsplan overeengekomen. Volgens dit ouderschapsplan geldt het volgende:
- de minderjarigen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw en staan in het BRP op dit
adres ingeschreven;
- de minderjarigen verblijven op maandag en donderdag bij de vrouw. Op dinsdag en
vrijdag haalt de man de minderjarigen om 8.00 uur bij de vrouw op en brengt hij hen naar
school. Na school verblijven de minderjarigen van dinsdag tot woensdag 17.15 uur bij de
man, waarna zij terugkeren naar de vrouw. In het weekend verblijven zij de ene week vanaf
vrijdag na school tot zondag 17.15 uur bij de man en de andere week vanaf vrijdag 17.15 uur
het weekend bij de vrouw;
- de verdeling van de vakanties en feestdagen houdt het volgend in. De minderjarigen
zijn tijdens de zomervakantie (in week 2, 3, 4 en 5) een week bij de man en drie weken
aaneengesloten bij de vrouw. Voor het overige geldt de reguliere regeling, tenzij er over de
betreffende vakantie anders is overeengekomen. In afwijking van het ouderschapsplan
worden verjaardagen en Sinterklaas niet door partijen samen met de minderjarigen gevierd.
3. De verzoeken
De man verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- met wijziging van het ouderschapsplan, de reguliere zorgregeling als volgt zal zijn:
primair: de minderjarigen verblijven van maandag tot woensdag naar school bij de vrouw, van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de man en afwisselend het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man/de vrouw;
subsidiair: de minderjarigen verblijven de ene week aaneengesloten bij de man en de andere week aaneengesloten bij de vrouw, waarbij het wissel/overdrachtsmoment op maandag naar/van school ligt;
- één van de minderjarigen het hoofdverblijf bij de man heeft en op zijn adres
ingeschreven zal staan;
- partijen het co-ouderschap zullen doorgeven en laten registreren bij de
Belastingdienst conform de door de rechtbank vast te stellen feitelijke verdeling van de zorg,
met bepaling dat partijen op eerste verzoek noodzakelijke gegevens en verklaringen
verstrekken bij de aanvraag van toeslagen, overeenkomstig de door de Belastingdienst
gehanteerde criteria,
- met wijziging van het ouderschapsplan, de verdeling van de gebruikelijke
schoolvakanties- en feestdagen 50/50 zal zijn conform de uitgangspunten en concrete
verdeling zoals in de punten 19 tot en met 23 is omschreven;
- partijen uitvoering dienen geven aan het gezamenlijk gezag en zij niet eenzijdig en
zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de andere ouder eenzijdig
gezagsbeslissingen kunnen en mogen nemen.
De vrouw verzoekt zelfstandig, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat bij wijze van nadere verdeling van de zorg- en opvoedtaken de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 17.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen op zondag bij de man ophaalt, en wekelijks één vaste dag uit school/BSO tot de dag erna naar school, dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank passend en geboden acht.
Standpunt man
De man stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden na het overeenkomen van het ouderschapsplan. De man voert daartoe aan dat de huidige regeling te veel wisselingen kent, wat onrust veroorzaakt bij de minderjarigen. De korte overdrachtsmomenten op dinsdag en vrijdag bieden de man en de minderjarigen onvoldoende ouder-kind tijd en zijn daarom niet in het belang van de minderjarigen. De man zet in op een regeling met minder wissels en langere aaneengesloten verblijfsblokken om de rust, voorspelbaarheid en consistentie te bevorderen. Het is bovendien aan de vrouw om de opvang in verband met haar werkrooster zelf op te lossen. De minderjarigen zijn inmiddels een jaar ouder en daardoor meer in staat om langer bij een van de ouders te zijn. Er is geen reden meer om de vakanties niet bij helfte te delen. Een verdeling bij helfte bevordert bovendien de rust, voorspelbaarheid en continuïteit voor de minderjarigen. Er is bij de man in het verleden een borderline persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Dit heeft hem echter nooit belemmerd in het uitoefenen van zijn ouderlijke verantwoordelijkheden. De man heeft passende behandeling gevolgd en ontvangt structureel psychologische coaching ter preventie van terugval. De man is structureel beschikbaar voor de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken. Hij beschikt bovendien over een netwerk, waarop hij indien dat nodig is kan terugvallen. Volgens de man is er dan ook geen enkele reden om de zorgregeling niet gelijkwaardig te verdelen. De man is het niet eens met het zelfstandige verzoek van de vrouw.
In zijn reactie op het verweerschrift van de vrouw geeft de man het volgende aan. In tegenstelling tot wat de vrouw stelt, meent de man dat hij een substantieel en consistent aandeel heeft in de opvoeding en de verzorging van de minderjarigen. De man is open en transparant over zijn persoonlijkheidsstoornis. De beschrijving die de vrouw geeft over het functioneren van de man als vader tijdens de relatie, is haar beleving en wordt niet onderbouwd met concrete of subjectieve gegevens. De vrouw heeft bovendien geen zicht meer op het huidig functioneren van de man. De man heeft actief gewerkt aan zijn persoonlijke ontwikkeling en stabiliteit. Hij ontvangt nog steeds begeleiding en werkt structureel aan zijn functioneren. De man heeft in mei 2025 juist verantwoordelijkheid genomen, door zelf hulp in te schakelen en ondersteuning te zoeken. Dit geeft aan dat de man beschikt over zelfinzicht en dat hij, als dat nodig is, de verantwoordelijkheid neemt om hulp te zoeken. De conclusie van de vrouw dat hij onbeschikbaar zou zijn voor de dagelijkse zorg- en opvoedtaken is dan ook onterecht. De man wijst hierbij op de inhoud van de brief van de klinisch psycholoog van 10 maart 2026.
Volgens de man is de toon en wijze van communiceren tussen partijen wezenlijk veranderd, toen de vrouw ermee bekend is geraakt dat de man een nieuwe relatie is aangegaan. Uit de door de man overgelegde correspondentie blijkt dat de vrouw de afwikkeling van de echtscheiding en het uitoefenen van het ouderschap benadert vanuit een persoonlijk conflict met hem. Dit strookt niet met de uitoefening van het gezamenlijk gezag en de verplichting van de ouders om in het belang van de minderjarigen constructief te communiceren en de band met de andere ouder te bevorderen. De man betwist dat communicatie met hem niet mogelijk zou zijn. Hij neemt met regelmaat het initiatief om over de minderjarigen te overleggen. Hij hanteert een feitelijke en informatieve toon, stelt concrete vragen en doet voorstellen om tot werkbare afspraken te komen. Dat partijen het niet altijd eens worden, maakt niet dat communicatie met hem onmogelijk is.
De man heeft in verschillende door hem in zijn verweer genoemde situaties zorgen geuit over de veiligheid van de minderjarigen als zij bij de vrouw zijn. De man voelt zich verantwoordelijk voor de veiligheid en het welzijn van de minderjarigen en vindt het daarom ook belangrijk dat hij door de vrouw volledig en tijdig wordt geïnformeerd over de minderjarigen.
De man herkent zich niet in het beeld dat hij niet altijd reageert op haar berichten. Sommige berichten lenen zich volgens de man niet voor een afzonderlijke reactie. De man leest de berichten en neemt de inhoud tot zich. De man verwijt de vrouw dat zij hem niet betrekt in medische zaken die de minderjarigen betreffen. Hierdoor gaat zij volledig aan zijn gezag voorbij. De man wil de noodzakelijke zorg niet belemmeren, maar wil daarover goed geïnformeerd worden. Ten aanzien van de discussie over de paspoorten, geeft de man aan dat hij geprobeerd heeft om een oplossing te zoeken voor een praktisch probleem. Door zelf paspoorten aan te vragen, beschikken beide partijen over een geldig legitimatiebewijs van de minderjarigen. De man heeft de vrouw verzocht om – vanwege de onderlinge spanningen – niet aanwezig te zijn bij het intakegesprek van [minderjarige 2] op de basisschool. De vrouw is daar echter wel verschenen, wat heeft geleid tot een onrustige situatie voor de minderjarigen. De leerkracht heeft vervolgens aangegeven dat voor [minderjarige 1] extra aandacht en begeleiding wenselijk is. De man heeft in overleg met de leerkracht een afspraak gemaakt met [hulpverlening] In [plaats] . De vrouw heeft dit echter nagelaten, waardoor het uiteindelijke besluit vertraagd is.
Volgens de man informeert de vrouw de minderjarigen onjuist of onvolledig over beslissingen die over hen zijn genomen. Ook geeft de vrouw een onjuiste voorstelling van zaken. De man wil graag voor een medische behandeling de huisarts raadplegen. De vrouw zou een BSO regelen en financieren, maar is hier later op teruggekomen. De vrouw heeft bij de man aangegeven dat hij de opvang tijdens zijn zorgdagen zelf dient te regelen en te bekostigen. De man wordt door de vrouw niet geïnformeerd over afspraken bij het consultatiebureau. Ook heeft de vrouw zelfstandig besloten om de zwemles voor diploma B niet meer voort te zetten voor [minderjarige 1] , terwijl partijen hierover overeenstemming hadden.
De man vindt de overdracht van de minderjarigen bij school niet belastend voor hen. Het is niet ongebruikelijk dat ouders de minderjarigen via school overdragen. De hoeveelheid spullen die de minderjarigen bij zich hebben, is zeer beperkt. In geval van een vrije dag of ziekte kan de overdracht tussen partijen zelf lopen. De door de vrouw voorgestelde regeling leidt tot een ongelijkwaardige verdeling van het ouderschap. Het is niet in het belang van de minderjarigen om onderscheid te maken tussen een ouder bij wie zij wonen en een ouder waarmee zij omgang hebben. Bij een gelijkwaardige verdeling van de zorg past ook het delen van het hoofdverblijf. De man verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank te Rotterdam, waarin het financiële voordeel voor de vrouw reden was om het hoofdverblijf van één van de drie minderjarigen bij haar te laten, terwijl de drie kinderen overwegend bij de man zijn. Zijn verzoeken vallen weldegelijk onder de reikwijdte van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), gelet op recente jurisprudentie. De man wil bovendien tot praktische oplossingen komen en discussies voorkomen.
Met het oog op het voorgaande moet als uitgangspunt worden gehanteerd dat de helft van de vakantie altijd aansluit op het weekend waar de minderjarigen op dat moment verblijven. De zomervakantie kan het beste verdeeld worden in een regeling van 1/2/2/1, wat voor de minderjarigen het meest verstandig en rustgevend is. Ook hier sluit de eerste week aan op het weekend waar de minderjarigen op dat moment verblijven. Op deze manier hoeven partijen geen afstemming te hebben en is het ieder jaar duidelijk hoe het verdeeld wordt. Het belcontact tijdens de zomervakantie is wat de man betreft akkoord. Volgens de man is het delen van Oud en Nieuw niet akkoord en feitelijk ook niet mogelijk. Dit leidt bovendien tot onnodig extra overdrachtsmomenten.
Standpunt vrouw
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Volgens de vrouw heeft de borderline persoonlijkheidsstoornis van de man wel degelijk een negatieve invloed gehad op de invulling van het ouderschap, het gezinsleven en de relatie van partijen. De man bleek slechts beperkt belastbaar in zijn taak en rol als opvoeder en verzorger. De man is als gevolg van zijn stoornis onvoorspelbaar in zijn gedrag en reactie op het gedrag van anderen. Het is steeds de vrouw geweest, die de zorg voor de minderjarigen heeft gedragen en ervoor heeft gezorgd dat zij zo min mogelijk last hadden van het gedrag van de man. De vrouw heeft de relatie beëindigd vanwege de last van de persoonlijkheidsstoornis van de man op het gezin. In het ouderschapsplan is er rekening gehouden met de problematiek van de man. Volgens de vrouw heeft de behandeling van de man – waarbij zij intensief betrokken was – niet geleid tot een daadwerkelijke verbetering van de situatie van de man. In mei 2025 heeft de man nog een psychische inzinking gehad. De man is volgens de vrouw dan ook niet structureel beschikbaar voor dagelijkse zorg- en opvoedingstaken.
Volgens de vrouw zijn partijen in een voortslepend conflict verwikkeld geraakt, over de uitvoering van de afspraken over de minderjarigen en de interpretatie van de afspraken in het ouderschapsplan. De vrouw heeft het gevoel dat zij haar grenzen continu moet bewaken. De communicatie tussen partijen verloopt volgens de vrouw bijzonder wisselend en grillig. De man stelt zich in het algemeen dwingend op en dreigt met juridische stappen als zij niet meegaat in zijn voorstellen. De man beschuldigt haar van slecht moederschap en deinst er niet voor terug om haar mondeling dan wel via berichten te bedreigen en uit te schelden. De man verwijt de vrouw verder dat haar opvoedsituatie onveilig is, omdat [minderjarige 1] blauwe plekken heeft en dat [minderjarige 4] grensoverschrijdend gedrag jegens haar heeft getoond. De vrouw betwist dat zij de man niet zou betrekken in beslissingen over de minderjarigen. De vrouw informeert en consulteert de man. Het is volgens de vrouw aan de man om zich meewerkend op te stellen en mee te werken aan de praktische uitvoering van zaken die het welzijn van de minderjarigen rechtstreeks raken. De vrouw is van werkgever gewijzigd en heeft vervolgens de tijden van de opvang hierop aangepast.
De vrouw is het met de man eens, dat de huidige regeling te veel wisselingen heeft. Een verdeling bij helfte is volgens de vrouw onder de huidige omstandigheden niet uitvoerbaar of in het belang van de minderjarigen. De vrouw verzoekt dan ook om het verzoek van de man af te wijzen. Gelet op de problematiek van de man en de gevolgen daarvan op de vrouw en de minderjarigen, is het volgens de vrouw wenselijk en noodzakelijk dat de minderjarigen bij de vrouw wonen en dat zij regelmatig bij de man verblijven.
De vrouw stemt nadrukkelijk niet in met het wijzigen van het hoofdverblijf. De reden voor het verzoek van de man is kennelijk gelegen in de financiële voordelen die hij daarmee kan behalen. Een financieel voordeel kan volgens de vrouw geen grond zijn voor wijziging van het hoofdverblijf. Dit verzoek moet dan ook worden afgewezen. Het laten registreren van co-ouderschap valt volgens de vrouw niet onder de reikwijdte van 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), op grond waarvan dit verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens de vrouw vloeit voorts uit artikel 2 van de Wet op het Kindgebonden Budget voort dat de ouder die gerechtigd is tot inning van de kinderbijslag ook gerechtigd is tot aanvraag van de kindgebonden toeslagen/kindgebonden budget. De wet voorziet niet in het delen of splitsen van het recht van één ouder op het aanvragen van kindgebonden toeslag. Ouders worden in het geval van co-ouderschap geacht om dit onderling te regelen. De vrouw wil echter nadrukkelijk niet afwijken van de regeling die volgt uit de wet.
De vrouw stemt niet in met de door de man gewenste verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte. Zij wil de vakanties en feestdagen als volgt verdelen.
- Bij vakanties van één week geldt de reguliere regeling.
- Bij vakanties van twee weken, wordt deze bij helfte verdeeld zodat de minderjarigen
één volle week bij de ene ouder zijn en een volle week bij de andere ouder. Wanneer de vakantie aanvangt, wordt bepaald door het rooster dat op de website van school wordt gepubliceerd.
- De zomervakantie (6 weken) wordt verdeeld zodat beide ouders twee aaneengesloten
weken vakantie hebben met de kinderen. Op de overige twee weken is de reguliere regeling
van toepassing.
- De vrouw wenst evenwel dan ook in de regeling op te laten nemen dat de ouder bij wie de
minderjarigen gedurende de vakantie verblijven de minderjarigen in staat stelt om telefonisch
(inclusief app en beeldbellen) contact te onderhouden met de andere ouder en dat partijen,
gedurende minimaal twee vooraf per e-mail overeen te komen contactmomenten
(videobellen) per week. Volgens de vrouw hebben partijen in 2025 afspraken gemaakt over
een buitenlandse reis van de man met de minderjarigen, maar heeft de man zich niet aan deze
afspraken gehouden. De vrouw wil deze situatie in te toekomst voorkomen.
De vrouw stemt in met het voorstel van de man ten aanzien van de kerstdagen. De vrouw wil Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag ook splitsen. Deze dagen vallen immers in een vakantie en dienen bij helfte verdeeld te worden. De vrouw wenst dat de reguliere zorgregeling bij de overige feestdagen van kracht zal zijn en zodanig vast te leggen.
Met betrekking tot het verzoek van de man ter zake de uitvoering van het gezamenlijk gezag voert de vrouw aan dat artikel 1:253a BW niet voorziet in een dergelijk verzoek. Ook een verklaring voor recht moet volgens de vrouw worden afgewezen. Dat de met het gezag belaste ouders het gezag gezamenlijk moeten uitoefenen, volgt immers uit de wet. Het is volgens de vrouw niet zij, maar juist de man die telkens wil afwijken van de afspraken in het ouderschapsplan.
Advies Raad
De Raad maakt uit de stukken en de verklaringen van partijen op dat de huidige zorgregeling op zich naar behoren verloopt. Beide partijen streven evenwel naar een regeling die de minderjarigen meer rust gaat geven. Volgens de Raad moet dat niet tot gevolg hebben dat de man daardoor minder contact zal hebben met de minderjarigen. De Raad heeft grote zorgen over de slechte oudercommunicatie. Die heeft sowieso een negatieve invloed op welke regeling dan ook. De Raad heeft in de stukken gezien dat partijen soms goed met elkaar communiceren, maar soms ook op niet-constructieve en dwingende wijze. Zij verwijten elkaar dan hoe zaken zijn aangepakt. Het is aan partijen om een weg te vinden in het gezamenlijk uitoefenen van het ouderschap, ook al verschillen zij op bepaalde punten van opvoedstijl. Zo moet ieder van hen zich richten op de eigen opvoedsituatie. Hoe de ene partij de zaken regelt, behoort niet tot de invloedsfeer van de ander. De Raad ziet ook dat de man een scherpe toon hanteert in de communicatie met de vrouw. Het is aan hem om daar kritisch op te zijn en om minder bepalend en dwingend te communiceren met de vrouw.
Volgens de Raad hebben partijen hulpverlening nodig om de oudercommunicatie te verbeteren. De Raad adviseert om partijen te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA). De Raad wijst partijen er hierbij op dat dit betekent dat partijen zich committeren aan de hulpverlening die het zorgloket nodig vindt. De Raad ziet geen reden of contra-indicatie om het contact tussen de man en de minderjarigen in te perken. Volgens de Raad zou het primaire verzoek van de man als voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kunnen worden vastgesteld. Het doel van de hulpverlening is met name gericht op de oudercommunicatie.
4. De beoordeling
Gewijzigde omstandigheden
De rechtbank te Overijssel heeft het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan in de beschikking van 10 januari 2025 opgenomen. Om de daarin vermelde regelingen te kunnen veranderen, moet uit de stukken en de zitting blijken dat de omstandigheden daarna op relevante wijze zijn veranderd of dat bij die beslissing van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan. Beide partijen geven aan dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te veel wisselingen kent en een wijziging van de regeling aangewezen is. Dit leidt er toe dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken, in aanmerking genomen dat ook de overige verzoeken binnen de reikwijdte van artikel 1:253a BW vallen.
Geschil in gezamenlijke gezagsuitoefening
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
In artikel 1:253a lid 2 van het BW staat dat de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
e wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.
De rechtbank moet een beslissing nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind. De rechtbank moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken.
Hoewel partijen het eens zijn, dat de huidige regeling niet meer passend is, slagen zij er niet in om onderling een passende regeling af te spreken. Wel geven zij beiden aan bereid te zijn om in het kader van het UHA een hulpverleningstraject aan te gaan om de oudercommunicatie te verbeteren. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is, dat partijen gaan leren hoe zij het beste met elkaar over de minderjarigen kunnen overleggen, zonder daarbij in conflict te raken. De rechtbank acht een verwijzing naar het UHA daarvoor noodzakelijk. De rechtbank is ermee bekend dat er bij de hulpverlening wachtlijsten zijn en dat het maanden kan gaan duren voordat partijen kunnen starten met de hulpverlening. Dat betekent, nu de huidige regeling niet meer geschikt wordt geacht voor de minderjarigen maar partijen niet in staat zijn om tot een voorlopig passende regeling te komen, dat het aan de rechtbank is om een voorlopige regeling te treffen.
De minderjarigen zijn het meest gebaat bij een zorgregeling die hen rust en voorspelbaarheid biedt. Beide partijen geven aan dat er in de huidige regeling te veel wisselmomenten zijn en dat de regeling daarom anders moet. In het verzoek van de vrouw wordt het contact tussen de minderjarigen en de man ingeperkt. Met de Raad ziet ook de rechtbank geen aanleiding om het contact tussen de man en de minderjarigen te verminderen. Het is dan de vraag of de regeling voorlopig ongewijzigd moet worden voortgezet of dat het primaire verzoek van de man als voorlopige regeling moet gelden. De rechtbank ziet met partijen, dat de huidige regeling veel wisselmomenten bevat. Die momenten houden ook contactmomenten tussen partijen in, waarin de onderlinge verstoorde dynamiek tot uiting komt. Die momenten moeten dan ook beperkt worden. De Raad heeft aangegeven dat er geen bezwaar tegen een voorlopige uitbreiding bestaat. De rechtbank zal dan ook de regeling zoals door de man primair verzocht als voorlopige zorgregeling vaststellen. De definitieve beslissing op dit verzoek en de overige verzoeken zal worden aangehouden.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
De problematiek van partijen is met name gelegen in de verstoorde oudercommunicatie. Verwezen wordt naar de hiervoor weergegeven standpunten van partijen en het advies van de Raad ter zitting, waarin verder naar voren is gekomen dat partijen elkaar over en weer verwijten maken over hoe dingen zijn aangepakt. Voor partijen is het belangrijk dat zij een manier vinden om het ouderschap gezamenlijk vorm te geven. Met name de man moet zich gaan richten op zijn eigen opvoedsituatie en de manier waarop de communicatie met de vrouw verloopt.
Het lukt partijen samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en de minderjarigen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en de minderjarigen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 17 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- partijen hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van
de kinderen; (lichte interventie);
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is
om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling
van de kinderen.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de minderjarigen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Past een (formele) wijziging van de hoofdverblijfplaats bij de belangen van een van de minderjarigen?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door partijen past het beste bij de belangen van de minderjarigen?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat partijen en de minderjarigen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken, maar houdt zij de (definitieve) beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt voor zover nodig de beschikking van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2025 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan als volgt:
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig – totdat anders is overeengekomen of beslist –
recht hebben op contact met elkaar van woensdag uit school tot vrijdag naar school en afwisselend het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij een van de ouders;
verwijst partijen en de minderjarigen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 6 oktober 2026 Pro Forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.15 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.