beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/444174 / FA RK 26/320
datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J.C. Hissink te Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van het op 19 januari 2026 ontvangen verzoek van de vrouw met bijlagen.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 23 maart 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad. De man is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. De rechtbank in eerste aanleg te Larache te Marokko heeft op 21 december 2022 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand in Nederland.
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna te noemen: [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ,
Bij beschikking van 12 november 2024 heeft deze rechtbank een zorgregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] .
Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2025 is de man veroordeeld tot nakoming van deze zorgregeling en om aan de vrouw een dwangsom te betalen voor iedere dag of deel van de dag dat hij hier niet aan voldoet.
De man en de minderjarige hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige] zal uitoefenen.
4. De beoordeling
Internationaal bevoegde rechtbank en toepasselijk recht
Vanwege het feit dat de vrouw de Marokkaanse nationaliteit draagt (en vermoedelijk de man en de minderjarige, naast de Nederlandse nationaliteit, ook de Marokkaanse nationaliteit hebben), draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlandse recht van toepassing.
Van rechtswege gezagsverhouding
Alvorens het verzoek van de vrouw inhoudelijk te kunnen behandelen, dient allereerst te worden vastgesteld wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag over [minderjarige] is belast.
In de echtscheidingsbeschikking van de Marokkaanse rechtbank van 21 december 2022 is beschreven dat de voogdij over [minderjarige] is toegekend aan de vrouw. De vraag is of deze beslissing in Nederland voor erkenning vatbaar is. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
De man en de vrouw zijn na hun huwelijk in Marokko in Nederland gaan wonen. [minderjarige] woont sinds zijn geboorte in Nederland. De vrouw heeft aangegeven dat zij en de man begin augustus 2022 samen met [minderjarige] op vakantie zijn gegaan naar Marokko en dat de man haar en [minderjarige] daar heeft achtergelaten en hun paspoorten heeft meegenomen naar Nederland. De vrouw is er toen mee geconfronteerd dat de man een echtscheidingsverzoek had ingediend bij de Marokkaanse rechter. Met behulp van de ambassade zijn de vrouw en [minderjarige] begin oktober 2022 teruggekeerd naar Nederland. De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de man het echtscheidingsverzoek heeft ingediend bij de Marokkaanse rechtbank en op het moment van de uitspraak van die rechtbank [minderjarige] in Nederland woonde en verbleef. Hij heeft weliswaar in 2022 volgens de vrouw twee maanden lang feitelijk in Marokko verbleven, maar hij heeft zijn gewone verblijfplaats altijd in Nederland behouden.
Marokko is sinds 1 mei 2012 aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag (HKBV) 1996. Op grond van artikel 23 HKBV 1996 worden de door de autoriteiten van een verdragsluitende Staat genomen maatregelen van rechtswege in alle andere verdragsluitende staten erkend. Echter, op grond van het tweede lid onder sub a van dat artikel kan de erkenning worden geweigerd als de maatregel is genomen door een autoriteit die daar niet toe was bevoegd. Aangezien [minderjarige] echter altijd zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft gehad, was de Marokkaanse rechter niet bevoegd een beslissing te nemen over het gezag over hem. De rechtbank acht de uitspraak van de Marokkaanse rechter van 21 december 2022 in zoverre dan ook in Nederland niet voor erkenning vatbaar.
Er is op dit moment dan ook geen rechterlijke beslissing betreffende het gezag, waardoor de vraag rijst wie van rechtswege met het gezag over [minderjarige] is belast. Voor de vraag wie van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag moet gekeken worden naar artikel 16 HKBV 1996. Hierin is onder andere bepaald dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
Aangezien [minderjarige] in Nederland is geboren en daar tot op heden heeft gewoond, was zijn gewone verblijfplaats vanaf zijn geboorte in Nederland. Wie van rechtswege het gezag heeft dient daarom naar Nederlands recht te worden beoordeeld.
[minderjarige] is geboren tijdens het huwelijk van partijen. De ouders dragen naar Nederlands recht gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
Beoordeling verzoek wijziging gezag
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank bepaalt dan wie van de ouders voortaan het gezag over het minderjarig kind draagt. Op grond van artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van deze bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangegeven. De man heeft zelden contact met [minderjarige] . Hij komt de opgelegde zorgregeling al jaren niet na en de verbeurde dwangsommen heeft de vrouw niet kunnen incasseren. De man is ook in de gerechtelijke procedures over de zorgregeling niet verschenen. De man staat ingeschreven in [plaats] , maar woont feitelijk in Marokko of Spanje. In de laatste maanden heeft [minderjarige] zijn vader slechts eenmaal gezien. De man belde de vrouw toen dat hij in Nederland was. Op initiatief van de vrouw is hij op bezoek gekomen om [minderjarige] te zien. De man toont geen structurele belangstelling voor [minderjarige] . Hij informeert niet bij de vrouw hoe het met hem gaat. Hij biedt de vrouw ook geen ondersteuning in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en is verder niet betrokken in het leven van [minderjarige] . De wijziging van omstandigheden is gelegen in het gegeven dat de man geen invulling aan zijn gezag geeft en zijn ouderlijke verantwoordelijkheid niet uitoefent. Het is niet te verwachten dat hierin verandering komt, aangezien inmiddels al jaren sprake is van deze situatie. Daarnaast laat de man eenzelfde patroon zien bij zijn andere kinderen in Nederland. Van de vrouw kan niet langer gevergd worden dat zij samen met de man het gezag over [minderjarige] blijft uitoefenen. De vrouw weet niet waar de man verblijft. De vrouw kan de man wel bellen, maar hij is vaak voor haar niet bereikbaar. Er is geen sprake van structurele communicatie. De vrouw is nu volledig afhankelijk van de man ten aanzien van beslissingen over [minderjarige] . De vrouw heeft bijvoorbeeld aangegeven een identiteitsdocument aan te willen vragen voor [minderjarige] , maar de man vindt dat naast een paspoort niet nodig en dus kan de vrouw dat niet regelen. Zij kan niet alle beslissingen nemen die bij haar feitelijke ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] horen. Zij wordt daarin belemmerd door de houding en het gedrag van de man.
De rechtbank acht een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Bij het uitoefenen van ouderlijk gezag horen een aantal bevoegdheden en verantwoordelijkheden die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging van een kind, zoals de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind te nemen. Om daar invulling aan te geven moet een ouder belangstelling hebben voor en betrokkenheid tonen bij het leven van het kind. Een ouder kan alleen de juiste gezagsbeslissingen nemen als de ouder bekend is met de ontwikkeling van het kind. De man heeft maar een zeer beperkte rol in het leven van [minderjarige] . Hij komt zo nu en dan langs. De vrouw heeft diverse stappen ondernomen om daar verandering in te brengen en heeft zelfs door het aanspannen van gerechtelijke procedures geprobeerd om de man te bewegen meer naar zijn kind om te kijken maar de man toont geen wil om een daadwerkelijke rol in het leven van zijn zoon te spelen. Zoals de Raad ook heeft benoemd, is de man daardoor onvoldoende in staat om zijn ouderlijke verantwoordelijkheden over [minderjarige] uit te oefenen. Het belemmert de vrouw in de uitoefening van haar ouderlijke verantwoordelijkheden dat de man het gezag over [minderjarige] draagt. Zij kan daardoor namelijk niet zelfstandig en voortvarend de beslissingen nemen die zij in het belang van [minderjarige] acht. Met de Raad is de rechtbank dan ook van oordeel dat het gezamenlijk gezag tussen de man en de vrouw over [minderjarige] dient te worden beëindigd en dat het gezag voortaan alleen aan de vrouw dient toe te komen omdat dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dus toewijzen.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Van Triest, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.