beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/442827 / FA RK 25-6339
datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Ringerwöle-de Jong te Zwolle , tijdens de zitting waargenomen door
mr. J.L.P. Heuts, advocaat te Breda,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
thans gedetineerd en verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam, tijdens de zitting waargenomen door
mr. J.R. Núñez Casanova, advocaat te Amsterdam,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017, hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
(de verbeterde versie van) het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen (vijf producties), ingediend bij de rechtbank Overijsel op 8 december 2025;
de beschikking van de rechtbank Overijssel van 9 december 2025, waarbij de zaak is verwezen naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda;
de brief van mr. Ringerwöle-de Jong, ontvangen door de rechtbank Overijssel op
10 december 2025;
het F-2 formulier (stelbericht) van mr. Loonstein, ontvangen op 8 januari 2026;
het verweerschrift van de man met bijlagen (zes producties), ontvangen op 10 maart 2026;
de door mr. Núñez Casanova overgelegde pleitnota.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 13 maart 2026. Op die zitting zijn partijen verschenen, met waarnemers van hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om de rechtbank te vertellen wat zij van het verzoek vindt, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . In de beschikking van de rechtbank Gelderland van 5 december 2023 met kenmerk C/05/409816 / FZ RK
22-2892 is beslist dat partijen ook samen het gezag hebben over [minderjarige 2] . Bij die beschikking is het verzoek van de vrouw om het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] afgewezen. Partijen hebben dus samen het gezag over beide kinderen.
3. Het verzoek en het verweer
De vrouw verzoekt het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en te bepalen dat het gezag voortaan uitsluitend aan haar toekomt.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Primair verzoekt hij om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek of dit verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de man dat een onderzoek van de Raad van de Kinderbescherming wordt bevolen, zodat de Raad voor de Kinderbescherming kan adviseren over het belang van de kinderen in de gezagskwestie.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De standpunten
Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd.
De vrouw acht een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk, omdat de uitoefening van het gezamenlijk gezag sinds het verkrijgen hiervan door de man niet mogelijk is gebleken. De vrouw moet voortaan zelf beslissingen over de kinderen kunnen nemen zonder dat de man dit blokkeert. De vrouw moet nu elke keer toestemming vragen aan de man, onder meer voor vakanties. De vrouw heeft meerdere procedures moeten voeren omdat de man zijn medewerking niet wilde verlenen. Er is een procedure gestart in verband met de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige 1] en één over de vakantie van de vrouw met de kinderen naar Egypte. De man vindt dat de kinderen binnen Europa moeten blijven en dat een ID-kaart daarom voldoende is. De man is een procedure gestart om de verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [plaats 1] tegen te houden.
De man lijkt zijn gezag te misbruiken om controle over de vrouw te houden en beperkt de vrouw en de kinderen in hun bewegingsvrijheid. Hij zegt wel dat hij meewerkt, maar de praktijk wijst uit dat dit niet zo is.
Daarnaast acht de vrouw de man niet in staat om invulling te geven aan zijn plichten en taken als ouder, omdat hij geruime tijd gedetineerd zal zijn vanwege het meermalen beschieten van een andere ex-partner van de man. Aan hem is door de rechtbank een gevangenisstaf voor de duur van twaalf jaren opgelegd. De vrouw is enorm geschrokken van dit feit. Het gaat om femicide. De vrouw realiseert zich dat dit ook haar had kunnen overkomen. De vrouw is bang voor de man en heeft in verband met haar veiligheid een geheim adres.
Door de detentie is overleg en afstemming tussen beide ouders onmogelijk geworden. Hierdoor kan het gezamenlijk gezag niet meer goed functioneren. Partijen hebben nog maar minimaal contact met elkaar en het communiceren gaat niet goed. Tot op de dag van vandaag scheldt de man de vrouw uit. Door het grensoverschrijdende gedrag van de man naar de vrouw kan niet van haar worden verwacht dat zij met hem communiceert. Bovendien vroeg de man vóór de detentie maar slechts af en toe naar de kinderen. Hij deed niets met de kinderen en weet niets van hen. Nu hij zich door zijn eigen toedoen in detentie bevindt, heeft hij ineens wel belangstelling voor de kinderen. Dit terwijl het contact door de detentie extra lastig is.
Doordat partijen niet in staat zijn om op een behoorlijke wijze met elkaar te communiceren, dreigen de kinderen steeds verder klem en verloren te raken tussen beide ouders. De ernstige spanningen, het gebrek aan contact, het niet nakomen van afspraken door de man, het gebrek aan communicatie en het gebrekkige communiceren tussen partijen, maakt dat de kinderen in een onmogelijke en risicovolle positie tussen beide ouders in zitten. Een basis voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is niet langer aanwezig. De door de man in het verweerschrift aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2021 betreft geen vergelijkbare situatie en is daarom niet van toepassing in deze zaak.
De vrouw heeft op de zitting toegezegd dat zij er voor zorgdraagt dat de kinderen contact blijven houden met de man en dat zij de man over hen zal blijven informeren. De rechtbank te Zutphen heeft bij beschikking van 11 augustus 2025 beslist dat de vrouw eenmaal per maand met de kinderen naar de P.I. in [plaats 2] moet gaan en dat de man en de kinderen wekelijks een belcontact hebben. De vrouw komt deze zorgregeling na. De kinderen hebben hier plezier van. Wel is de uitvoering van het wekelijkse belcontact soms lastig, omdat de man zich niet altijd houdt aan de afgesproken tijd (dinsdag om 14.30 uur). De uitvoering van de zorgregeling vraagt veel van de vrouw.
Tenslotte is aangevoerd dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden omdat de man sinds het verkrijgen van het gezamenlijk gezag meerdere keren niet heeft meegewerkt en in verband met zijn detentie. Omdat de man op vrijwel alle fronten weigerde als gezaghebbende ouder (schriftelijke) toestemming te geven bij beslissingen over de kinderen, wil de vrouw voortaan alleen en zelfstandig beslissingen kunnen nemen. Zij verzorgt de kinderen fulltime en kan beter bepalen wat in het belang van de kinderen is.
Door en namens de man is in het verweerschrift en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd.
Van de zijde van de vrouw is niet aangevoerd dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden of dat de rechtbank bij een eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens zoals bedoeld in artikel 1:253n lid 1 BW. Daarom dient de vrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek. In elk geval moet het verzoek van de vrouw worden afgewezen, waarvoor wordt verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:1989). Ten onrechte stelt de vrouw dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag sinds de verkrijging ervan niet mogelijk is gebleken. In de procedure van partijen die is geëindigd met de beschikking van 5 december 2023 heeft de Raad het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat de man gezagsbeslissingen tegenwerkt.
De Raad heeft toen geadviseerd dat het niet in het belang van [minderjarige 1] was dat het gezamenlijk gezag zou worden beëindigd en dat het in het belang van [minderjarige 2] was dat de ouders worden belast met het gezamenlijk gezag. Inmiddels zijn twee jaren verstreken sinds de laatste procedure over vervangende toestemming in verband met een vakantie. Het staat alles behalve vast dat de man in de toekomst zijn medewerking niet zal verlenen. Hij geeft die toestemming wel in het belang van de kinderen. Betwist wordt dat de man zijn gezag misbruikt en/of weigerachtig zou zijn toestemming te geven in het belang van de kinderen. Gelet op de leeftijd van de kinderen achtte hij het niet in hun belang om buiten Europa te reizen, waardoor een paspoort niet nodig was. Dat de vrouw de procedure over de verhuizing aanhaalt als voorbeeld is niet redelijk. De vrouw heeft de man niet tijdig geïnformeerd over de verhuizing naar [plaats 1] en de informatie die zij hem gaf was erg beperkt. De man verbleef toen al in de P.I. [plaats 2] en vreesde dat de zorgregeling door de verhuizing niet meer zou worden nagekomen. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de man in de toekomst geen toestemming zal verlenen voor belangrijke beslissingen over de kinderen.
Het is niet zo dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken tussen de ouders. De man betwist nadrukkelijk dat aan de eisen van de wettelijke maatstaf voor beëindiging van het gezamenlijk gezag wordt voldaan. Dit wordt niet onderbouwd door de vrouw en is ook niet in het belang van de kinderen. Gezamenlijk gezag is het uitgangspunt van de wetgever.
Door toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vrouw zal de situatie verslechteren. De man wordt nu al nauwelijks betrokken in het leven van de kinderen. Bijvoorbeeld komt de vrouw de afspraken over het videobellen van de kinderen met de man vaak niet na. Ook ontvangt de man weinig tot geen informatie over het leven en de gezondheid van de kinderen. Hij wordt uit het leven van de kinderen gehouden en dat zal niet beter worden als de vrouw alleen het gezag heeft. Het recht op family life in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM komt zo in het gedrang. Uit de door de man overgelegde producties blijkt dat het weinige contact dat er tussen de man en de kinderen is goed verloopt en dat de kinderen aan de man zijn gehecht. De stelling dat de man geen interesse toont in de kinderen is onjuist en wordt betwist. Onder verwijzing naar een aanbeveling van de Raad van Europa van 4 april 2018 over kinderen met gedetineerde ouders wordt aangevoerd dat het noodzakelijk is dat het recht en de behoefte van het kind op een emotionele en voortgezette relatie met de gedetineerde ouder wordt beschermd. Uit onderzoek blijkt dat het in het belang van het kind is dat een gedetineerde als ouder de verantwoordelijkheid die eigen is aan ouderschap kan blijven nemen. Het gaat niet alleen om het regelmatig hebben van contact van de kinderen met de gedetineerde ouder. De omstandigheid dat de man is gedetineerd, mag niet in de weg staan aan het recht van de man om betrokken te zijn bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen. Via de casemanager in de P.I. kan de vrouw toestemmingsformulieren aan de man voorleggen en laten tekenen. De detentie maakt niet dat de man het gezamenlijk gezag niet effectief samen met de vrouw kan uitoefenen. Uit het penitentiair dossier blijkt bovendien dat de man prettig is in de omgang, aanspreekbaar is, meewerkt en spijt heeft van het door hem gepleegde delict. Als de vrouw het nodig acht, is de man bereid om mee te werken aan een mediation traject.
Ook is door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Begin februari 2026 heeft de man toestemming gegeven voor een reis van de kinderen met de vrouw, waardoor het maandelijkse bezoekmoment van de kinderen aan de man in de P.I. niet door kon gaan. Hieruit blijkt dat de primaire zorg van de man is gelegen bij het belang van de kinderen. De man heeft de toestemming gegeven zodat de kinderen vakantie kunnen houden en niet met het oog op deze procedure. Tenslotte heeft de man op de zitting toegezegd dat hij mee zal werken aan het aanvragen van nieuwe paspoorten voor de kinderen als de huidige paspoorten verlopen.
De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vrouw om het eenhoofdig gezag toe te wijzen. Een nader onderzoek door de Raad wordt niet nodig geacht.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft naar voren gebracht dat de Raad in 2023 onderzoek heeft gedaan en heeft geadviseerd dat de ouders samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar wel met de aanbeveling dat de ouders een hulpverleningstraject in zouden gaan om de ouderrelatie en de onderlinge communicatie te verbeteren. De Raad bemerkt dat er over en weer veel wantrouwen is en dat de ouderrelatie sinds 2023 eerder verslechterd is dan verbeterd. Doordat de man in detentie zit, kan er geen hulpverleningstraject voor de verbetering van het gezamenlijk ouderschap worden opgestart. Partijen zitten nu weer tegenover elkaar in de rechtszaal. Het is voor de kinderen belangrijk dat er rust komt. Als er rust is in de relatie tussen de ouders, komt er rust voor de vrouw en daarmee ook voor de kinderen. Daarom adviseert de Raad dat de vrouw voortaan alleen het gezag over de kinderen zal hebben. De Raad bemerkt dat de man vreest dat de kinderen hem niet meer zullen bezoeken op het moment dat de vrouw eenhoofdig gezag krijgt. Het gezag staat echter los van het contact tussen de man en de kinderen. De Raad benadrukt dat het belangrijk is dat de kinderen contact hebben met de man en dat de omgang doorgaat.
5. De beoordeling
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of één van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen zij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarigen krijgt.
In artikel 1:253n lid 2 BW is bepaald dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders of verloren raakt als allebei de ouders het gezag houden en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert. De rechter kan dit ook beslissen als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is op grond van de door de vrouw geschetste feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van een voldoende relevante wijziging van de omstandigheden die een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw rechtvaardigt. Met name de huidige, langdurige detentie van de man levert een relevante verandering van de omstandigheden op. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek.
De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag houden. Om samen het gezag te kunnen hebben, is het wel nodig dat de ouders samen beslissingen kunnen nemen over de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Dat moet op een manier die hun kinderen niet belast en hun veiligheid niet in gevaar brengt. Als de ouders niet meer bij elkaar wonen en moeilijk of niet met elkaar kunnen communiceren, kan dat betekenen dat de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor de kinderen. De andere ouder moet deze beslissingen dan niet (telkens) blokkeren. Ook is het dan belangrijk dat als sprake is van ouders die met elkaar blijven strijden, het hen tenminste lukt om hun kinderen buiten die strijd te houden.
De rechtbank stelt voorop dat zij zich met het advies van de Raad op de zitting voldoende voorgelicht acht. Anders dan de man ziet de rechtbank in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om de Raad te verzoeken verder onderzoek te doen naar het gezag.
Partijen hebben kort een relatie met elkaar gehad. Uit die relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren. De ouders hebben onderling inmiddels meerdere gerechtelijke procedures gevoerd die verband houden met het gezamenlijke ouderschap over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bij beschikking van 5 december 2023 van de rechtbank Gelderland (productie 3 van de vrouw) is het verzoek van de vrouw om het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] afgewezen en is op verzoek van de man bepaald dat partijen voortaan ook gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . De rechtbank heeft toen overwogen dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken én dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd onvoldoende verbetering te verwachten valt. Weliswaar was er bij aanvang van die procedure veel strijd tussen de ouders, maar de communicatie en verstandhouding was in de loop van de procedure verbeterd. De man heeft in die procedure aangegeven dat hij een reis van de vrouw met de kinderen buiten Europa niet in de weg wil staan, iets waar de vrouw bang voor is. In die procedure hebben beide ouders op de zitting aangegeven dat zij zich herkennen in de positieve ontwikkeling, maar ook dat zij zich allebei afvragen of het de komende tijd beter zal gaan. In dat kader heeft de rechtbank in navolging van de Raad overwogen dat een ouderschapstraject helpend kan zijn om de communicatie en verstandhouding verder te verbeteren. De vrouw stond daar op dat moment echter niet voor open, omdat zij vindt dat zij respectvol communiceert terwijl de man haar heeft uitgescholden en bedreigd.
Na de beschikking van de rechtbank Gelderland van 5 december 2023 heeft de vrouw zich genoodzaakt gezien nog een procedure aanhangig te maken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Uit de beschikking van 3 februari 2025 van de rechtbank Gelderland (productie 4 van de vrouw) blijkt dat de vrouw een verzoek om vervangende toestemming heeft ingediend voor een reis met de kinderen naar Egypte. Zij heeft dit verzoek vervolgens ingetrokken omdat de man alsnog het toestemmingsformulier heeft getekend. Ondanks de toezegging in de vorige procedure, blokkeerde de man dus aanvankelijk een vakantie van de vrouw met de kinderen buiten Europa en heeft zij een verzoekschrift bij de rechtbank moeten indienen om zijn toestemming te verkrijgen.
Medio 2025 heeft de man op zijn beurt bij de rechtbank Gelderland een procedure aanhangig gemaakt over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Die procedure is geëindigd met de beschikking van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2025 (productie 5 van de vrouw). Daarin is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen en hen daar op een school in te schrijven. De man bevond zich toen al in detentie. Uit de beschikking van 11 augustus 2025 blijkt dat de man sinds 17 december 2024 in voorlopige hechtenis zit en zijn huurwoning in [plaats 3] heeft opgezegd. De rechtbank Gelderland heeft in die beschikking een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een informatieregeling over de kinderen vastgesteld. De rechtbank heeft bepaald dat de man en de kinderen één keer per maand contact hebben tijdens de ouder-kind-dag in de P.I., waarbij de vrouw de kinderen brengt en haalt. Daarnaast is in die beschikking vastgelegd dat de man en de kinderen één keer per week videobellen en ook dat de vrouw de man iedere eerste dag van het nieuwe kwartaal schriftelijk verslag uitbrengt van de ontwikkelingen van de kinderen en van de voortgang op school en daarbij recente foto’s van de kinderen toezendt.
De vrouw stelt dat zij de zorgregeling goed nakomt. Zij gaat iedere maand vanuit [plaats 1] met de kinderen naar de ouder-kind-dag in de P.I. [plaats 2] . Slechts eenmaal is zij niet geweest, namelijk op 7 december 2025 toen zij ziek was en het haar niet lukte om vervanging te regelen. De man vindt dat de vrouw de afspraak over het videobellen niet goed nakomt en de verbinding vaak snel verbreekt of helemaal niet opneemt. De vrouw geeft op haar beurt aan dat het wekelijkse videobellen soms lastig is omdat de afspraak met de P.I. is dat er op dinsdag om 14.30 uur wordt gebeld, maar de man zich niet altijd aan dat tijdstip houdt. Daardoor loopt het videobellen dan mis. Voor de rechtbank is duidelijk dat het videobellen van de man met de kinderen zorgt voor discussies tussen partijen.
Op grond van de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank vast dat het gezamenlijk ouderschap over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al meerdere jaren zeer moeizaam verloopt. Het onderlinge wantrouwen tussen de ouders is groot en de onderlinge communicatie verloopt slecht. Er zijn, zoals vermeld, over en weer procedures aangespannen over de kinderen. Dit duidt op een zeer gespannen ouderrelatie. Deze spanningen tussen de ouders zijn niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Om te voorkomen dat zij klem of verloren zullen raken tussen hun ouders is het nodig dat partijen werken aan het onderlinge vertrouwen en de verbetering van de onderlinge communicatie. In 2023 adviseerde de Raad dat partijen zouden deelnemen aan een ouderschapstraject om de communicatie en verstandhouding te verbeteren, maar de vrouw zag daar toen geen ruimte voor. De man geeft nu aan dat hij bereid is tot mediation als de vrouw dat nodig acht. Zowel wat betreft een ouderschapstraject als mediation is inmiddels echter een groot praktisch probleem dat de man zich sinds 17 december 2024 in detentie bevindt. Hij zal naar alle waarschijnlijkheid nog geruime tijd in de gevangenis moeten verblijven. Uit het penitentiair dossier van de man (productie 6 van de man) blijkt dat hij bij vonnis van 4 november 2025 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, ter zake van een poging tot moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar. Het gaat hierbij om de door de vrouw genoemde strafzaak waarin de man een andere ex-partner meerdere keren heeft beschoten. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld, maar de man betwist niet dat hij jegens een andere ex-partner een zeer ernstig strafbaar feit heeft gepleegd.
De lange detentie van de man vormt een grote complicatie voor het gezamenlijk ouderschap van partijen. Het komt de toch al moeizame communicatie tussen partijen niet ten goede en het zal voor de ouders uit praktisch oogpunt zeer lastig, zo niet onmogelijk zijn om deel te nemen aan een ouderschapstraject of mediation. Deelname aan een dergelijk traject zal stuiten op grote uitvoeringsproblemen.
Daarbij komt dat de man wordt verdacht van een poging tot moord op een inmiddels ex-partner. De aard en de ernst van het delict hebben gezorgd voor een verdere verslechtering van de onderlinge verstandhouding van partijen. De vrouw ervaarde eerder al gevoelens van onveiligheid ten opzichte van de man. Haar angstgevoelens zijn door het niet-voltooide levensdelict verder toegenomen. Het gaat hierbij om een vorm van femicide, die weliswaar niet was gericht tegen de vrouw maar wel tegen een andere ex-partner van de man. Het wantrouwen van de vrouw en haar haar weerstand om met de man te communiceren en samen met hem het gezag uit te oefenen zijn hierdoor alleen maar groter geworden. Gelet op de aard en de ernst van het delict waarvoor de man zich thans in voorlopige hechtenis bevindt, is de weerstand van de vrouw niet onbegrijpelijk. Het is een situatie die is gecreëerd door de man, de vrouw kan daarvan geen verwijt worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat onder de huidige omstandigheden niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij samen met de man werkt aan verbetering van de onderlinge verstandhouding en communicatie.
Het langdurige verblijf van de man in detentie heeft ook gevolgen voor zijn betrokkenheid bij de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zoals blijkt uit artikel 1:247 lid 1 BW houdt het ouderlijke gezag een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, bijvoorbeeld de bevoegdheid om belangrijke beslissingen te nemen over de schoolkeuze en medische zaken. Om het gezag goed te kunnen invullen, moet een ouder belangstelling hebben voor het kind, bekend zijn met de ontwikkeling ervan en weten wat het kind bezighoudt. De vrouw verwijt de man dat hij voor zijn detentie weinig belangstelling voor de kinderen toonde en niets met hen ondernam en dat hij sinds zijn detentie ineens wel interesse voor hen toont. Dit wordt door de man betwist. Er is in elk geval nu contact tussen de man en de kinderen, maar dit is beperkt tot een maandelijkse bezoek van de kinderen in de P.I. [plaats 2] en een wekelijks videobelmoment.
Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de beslissingen over hen worden genomen door een ouder die hun omstandigheden goed kent en die in overleg met hen kan afwegen wat in hun belang is. De lange detentie van de man vormt ook daarom een complicatie voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Indien in de strafzaak in hoger beroep aan de man opnieuw een gevangenisstraf van twaalf jaren wordt opgelegd, zullen de kinderen (bijna) volwassen zijn tegen de tijd dat de man vrijkomt. Door de detentie is het voor de man in de komende jaren niet mogelijk om de kinderen te begeleiden bij het beoefenen van bijvoorbeeld hobby’s, met hen naar een arts te gaan of hun school te bezoeken. Het zich onvoldoende op de hoogte kunnen stellen van de dingen die de kinderen bezighouden, ziet de rechtbank als een belemmering voor het goed kunnen uitoefenen van het ouderlijk gezag.
Uit het hiervoor staande blijkt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het ouderschap over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vrijwel volledig op de vrouw rust en dat daarin door de detentie van de man de komende jaren geen verandering zal komen. Daarnaast is de relatie tussen partijen ernstig verstoord. Zoals vermeld, is het onderlinge wantrouwen groot en is sprake van een slechte oudercommunicatie. Omdat een ouderschapstraject of mediation door de detentie van de man zal afstuiten op praktische uitvoeringsproblemen, ziet het er niet naar uit dat dit de komende jaren zal verbeteren. De rechtbank acht een minimale vorm van communicatie en enig wederzijds vertrouwen tussen de ouders een vereiste om het ouderlijk gezag samen te kunnen uitoefenen. De spanningen tussen partijen die onlosmakelijk verbonden zijn aan de slechte ouderrelatie, zijn niet in het belang van de kinderen. Een extra complicatie in deze zaak wordt gevormd door de aard en de ernst van het strafbare feit waarvoor de man door de rechtbank Noord-Nederland (weliswaar niet onherroepelijk) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar. Dit strafbare feit zorgt voor gevoelens van onveiligheid bij de vrouw en extra spanningen binnen de ouderrelatie. Deze spanningen zullen ook voelbaar zijn voor de kinderen. De weerslag hiervan op de kinderen is niet in hun belang.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk is dat de spanningen tussen de ouders afnemen en dat er rust komt in de ouderrelatie. Gelet op het hiervoor staande, is de rechtbank van oordeel dat de voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag noodzakelijke vertrouwensbasis ontbreekt. Partijen zijn daardoor niet in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Anders dan de man, voorziet de rechtbank niet dat de situatie verslechtert als het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. De rechtbank verwacht juist dat er meer rust komt als de vrouw de beslissingen over de kinderen voortaan ook zonder medewerking van de man kan nemen. Gelet op alle omstandigheden van het geval, zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag toewijzen en beslissen dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft op de grond dat dit anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Namens de man is in deze zaak aandacht gevraagd voor de Aanbeveling van de Raad van Europa van 4 april 2018 aan de lidstaten over kinderen met gedetineerde ouders (Recommendation CM/Rec(2018)5). Volgens deze aanbeveling geldt als uitgangspunt dat de vrijheidsbeneming van een gedetineerde ouder zoveel mogelijk wordt uitgevoerd met inachtneming van de belangen van het kind. De rechtbank onderschrijft dat het over het algemeen belangrijk is dat kinderen contact kunnen blijven houden met een gedetineerde ouder, alhoewel moet worden onderkend dat niet alle contact tussen een gedetineerde ouder en een kind positief en gezond is. In beginsel moet een gedetineerde ouder met gezamenlijk gezag ook in staat worden gesteld om samen met de andere ouder beslissingen over de kinderen te nemen. Dit is echter anders wanneer dit niet bevorderlijk is voor het welzijn van het kind of om een andere reden niet in het belang is van het kind. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak sprake, gelet op de slechte ouderrelatie en grote spanningen tussen partijen.
De man heeft op de zitting zijn zorg uitgesproken dat de kinderen hem niet meer zullen bezoeken als de vrouw alleen het gezag over hen heeft. De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat eenhoofdig gezag ertoe leidt dat hij uit het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gedrongen. Uit de stukken en wat is besproken op de zitting blijkt niet dat de vrouw daar op uit is. De rechtbank wil benadrukken dat haar beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag niet af doet aan het recht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man op contact met elkaar. De vrouw dient nog steeds uitvoering te geven aan de zorgregeling die is vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2025. De vrouw heeft op de zitting toegezegd zij dat de zorgregeling ook bij beëindiging van het gezamenlijk gezag zal blijven nakomen. Daarnaast dient de vrouw de man over de kinderen te informeren overeenkomstig de in die beschikking vastgestelde informatieregeling. Verder wordt de vrouw door deze uitspraak niet ontslagen van haar plicht om de man te raadplegen bij het nemen van beslissingen over belangrijke aangelegenheden rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is geregeld in artikel 1:377b lid 1 BW. Ervan uitgaande dat de vrouw aan deze verplichtingen zal blijven voldoen, wordt voorkomen dat de man verder vervreemdt van de kinderen en wordt zijn recht op family life in de zin van artikel 8 EVRM voldoende gerespecteerd.
Deze beslissing zal, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle partijen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
6. De beslissing
De rechtbank:
- beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarigen:
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
- wijst het meer of anders verzochte af.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.