ECLI:NL:RBZWB:2026:3697

ECLI:NL:RBZWB:2026:3697

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer C/02/440534 / FA RK 25-5142
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Afwijzing verzoek tot wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig ouderlijk gezag.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/440534 / FA RK 25-5142

Datum uitspraak: 3 april 2026

Beschikking over wijziging ouderlijk gezag

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers in Dongen,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende in [plaats] ,

zonder advocaat,

over de minderjarige:

[minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020,

hierna te noemen: [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het procesverloop

In het procesdossier zitten de volgende stukken:

het op 6 oktober 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 t/m 4;

het F9-formulier van 14 oktober 2025 van mr. Rademakers, met productie 5.

Als productie 4 bij het verzoekschrift is een handgeschreven en door (vermoedelijk) de man ondertekende verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat de man zou instemmen met het verzoek, dat hij geen behoefte heeft om te worden gehoord tijdens een zitting in deze zaak en dat deze zaak wat hem betreft dan ook schriftelijk kan worden afgedaan. Deze referteverklaring voldoet echter niet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in artikel 3.4 van het Procesreglement Gezag en Omgang (versie januari 2026), namelijk dat de schriftelijke en ondertekende referteverklaring is geautoriseerd door een advocaat en dat deze verklaring door zowel de belanghebbende, in dit geval de man, als door de advocaat is ondertekend. Om die reden heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor de zitting op 13 maart 2026.

Op 13 maart 2026 heeft de rechtbank aldus het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Tijdens die zitting zijn partijen verschenen, waarbij de vrouw is bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast was er een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

2. De feiten

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren.

De man heeft [minderjarige] op 6 november 2024 erkend. Partijen hebben op dat moment samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] gekregen. Deze gezagssituatie is nadien niet veranderd.

[minderjarige] woont bij de vrouw.

3. Het verzoek van de vrouw en de onderbouwing daarvan

De vrouw verzoekt om te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan haar toekomt. Daarnaast verzoekt zij om de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Namens en door de vrouw is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Partijen hebben zich niet gerealiseerd dat de man, door [minderjarige] te erkennen, het ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft verkregen, met als gevolg dat partijen vanaf dat moment gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vrouw wist dan ook niet van de mogelijkheid om bij de erkenning te verklaren dat het eenhoofdig ouderlijk gezag van de vrouw over [minderjarige] in stand gelaten wordt. In het verleden is er weliswaar gedurende ruim drie jaren geen sprake geweest van contact tussen de man en [minderjarige] , maar omdat er ten tijde van de erkenning weer sprake was van contact, heeft de vrouw het er destijds bij gelaten. Het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] is echter niet werkbaar gebleken. Vanwege zijn drank- en drugsgebruik en persoonlijke problematiek, is de man namelijk onvoldoende bereikbaar en beschikbaar voor de vrouw en is hij niet in staat om de belangen van [minderjarige] blijvend voorop te stellen. Vorig jaar kon een geplande vakantie(reis) van de vrouw en [minderjarige] niet doorgaan, omdat de man niet heeft gereageerd op meerdere verzoeken van de vrouw om het daarvoor benodigde toestemmingsformulier te ondertekenen. Momenteel is de verstandhouding tussen partijen nog steeds niet goed. Het probleem is niet dat partijen geen afspraken met elkaar kunnen maken, maar dat de man zich daar vervolgens niet aan houdt. Bovendien had de man tot een aantal dagen geleden het telefoonnummer van de vrouw geblokkeerd, waardoor de vrouw hem niet kon bereiken. Ook geeft de man tot op heden geen invulling aan zijn ouderlijk gezag. De vrouw heeft dan ook geen vertrouwen (meer) in (de toezeggingen van) de man. Aangezien de huidige woning van de vrouw binnenkort zal worden gesloopt, zal de vrouw samen met [minderjarige] moeten verhuizen, mogelijk zelfs naar een andere stad, met als gevolg dat de vrouw voor het regelen van meerdere (gezags)zaken en voor het nemen van (gezags)beslissingen over [minderjarige] de toestemming nodig zal hebben van de man, zoals bij het aanmelden van [minderjarige] bij een andere school, huisarts en tandarts. De vrouw wil daarbij niet afhankelijk zijn van de wisselende medewerking van de man. Daarbij komt nog dat de huidige, moeizame verstandhouding tussen partijen tot discussies, frustraties en onrust leidt, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is.

Gelet op het voorgaande stelt de vrouw zich op het standpunt dat een wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig ouderlijk gezag (anderszins) in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.

Dit betekent overigens niet dat de vrouw vindt dat de man en [minderjarige] geen contact met elkaar mogen hebben. De vrouw zal deze contacten juist blijven stimuleren. Partijen wonen momenteel dichtbij elkaar in de buurt. Wat de vrouw betreft kunnen en mogen zij dan ook dagelijks contact met elkaar hebben, mits de man geen middelen (heeft) gebruikt.

De vrouw vindt het voeren van oudergesprekken onder leiding van een (jeugd)professional gericht op het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking niet nodig, omdat het probleem volgens de vrouw is gelegen in het middelengebruik van de man en omdat de vrouw niet van hem op aan kan. De vrouw vindt een raadsonderzoek, waarbij er zicht wordt verkregen op de beide (opvoed)situaties van partijen, ook niet nodig.

4. Het standpunt van de man en het advies van de Raad

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man heeft daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De man wil graag blijven meedenken en beslissen over [minderjarige] . Hij wil het ouderlijk gezag over haar niet kwijtraken. Wanneer de vrouw hem zou vragen om schriftelijk zijn toestemming te geven voor (gezags)zaken die [minderjarige] aangaan, dan zal de man zijn toestemming daarvoor verlenen. De referteverklaring die door de vrouw is overgelegd, heeft de man in augustus 2025 opgesteld en ondertekend. In die periode ging het volgens de man minder goed met hem. Onder andere de problemen die hij ervoer met betrekking tot de vrouw werden hem even te veel. De man heeft zich toen tijdelijk teruggetrokken en wat afstand genomen van de vrouw. Over wat er precies met hem aan de hand was en waar hij toen verbleef, daar wil hij nu niet verder uitweiden. Het gaat nu namelijk beter met hem. De man stelt dat hij momenteel geen middelen gebruikt, dat hij niet verslaafd is en dat hij bereikbaar en beschikbaar is voor de vrouw voor zaken die [minderjarige] aangaan. Daarnaast heeft de man een aantal keer per maand contact met [minderjarige] . Partijen hebben geen vaste zorg- en contactregeling afgesproken. De man zou dit wel graag willen. De onderlinge oudercommunicatie en samenwerking tussen partijen verloopt nog altijd niet goed. Het klopt dat de man het telefoonnummer van de vrouw tot een aantal dagen had geblokkeerd, maar de man stelt dat de vrouw zijn telefoonnummer eveneens had geblokkeerd. De man stelt verder dat hij persoonlijke hulpverlening heeft geaccepteerd vanuit [hulpverlening] , waaronder cognitieve gedragstherapie en emotieregulatietherapie. De man staat er eventueel voor open om samen met de vrouw een mediationtraject te doorlopen en hij kan indien nodig instemmen met een raadsonderzoek, maar buiten dat wil hij geen overheidsbemoeienis. Aan het einde van de zitting heeft de man aangegeven dat hij het zat is en dat hij, anders dan hij hiervoor heeft gezegd, bereid is om alsnog afstand te doen van zijn ouderlijk gezag.

De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad vindt dat een gezagdragende ouder te allen tijde bereikbaar en beschikbaar moet zijn voor zijn of haar kind. Dat de man zich tijdelijk heeft teruggetrokken, waarbij hij onbereikbaar en onbeschikbaar was voor de vrouw, is dan ook niet in het belang van [minderjarige] . Voor de Raad is het onduidelijk wat er precies aan de hand is. Vanwege de beperkte informatie die in deze procedure beschikbaar is, kan de Raad op dit moment niet inhoudelijk adviseren over het verzoek. De Raad is bereid om, indien gewenst, een onderzoek te verrichten.

5. De beoordeling door de rechtbank

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dit kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over [minderjarige] krijgt.

De rechtbank overweegt dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] is ontstaan (op 6 november 2024), omdat de onderlinge verstandhouding tussen partijen destijds beter was dan die nu is. Gelet hierop kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal het verzoek daarom hierna inhoudelijk beoordelen en daarop beslissen.

In artikel 1:253n lid 2 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt dat als wettelijk uitgangspunt heeft te gelden dat ouders na hun scheiding of na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kind uitoefenen, tenzij sprake is van één of meerdere hiervoor genoemde gronden voor wijziging van het gezag. Namens en door de vrouw is in dat verband naar voren gebracht dat de man, onder meer vanwege zijn drank- en drugsgebruik, onvoldoende bereikbaar en beschikbaar is (geweest) voor de vrouw en, als gevolg daarvan, dat zij vreest dat meerdere aanstaande gezagszaken en -beslissingen niet tijdig geregeld en genomen kunnen worden. Het is de rechtbank gebleken, ook op basis van de dynamiek die zij tijdens de zitting tussen partijen heeft waargenomen, dat de onderlinge communicatie en samenwerking tussen partijen zeker verbetering behoeft. De rechtbank kan op basis van de haar beschikbare informatie echter niet vaststellen of de moeizame verstandhouding tussen partijen, al dan niet gedeeltelijk, te wijten is aan het gedrag en de houding van de man en voortkomt uit eventueel middelengebruik van de man, zoals namens en door de vrouw is gesteld. Dat de communicatie en samenwerking tussen partijen momenteel moeizaam verloopt, is op zichzelf onvoldoende voor een wijziging van het ouderlijk gezag. Dat de geplande vakantie(reis) van de vrouw en [minderjarige] vorig jaar kennelijk niet kon doorgaan vanwege het ontbreken van de toestemming daarvoor van de man is namens en door de vrouw niet onderbouwd. Enkel de vrees dat toekomstige gezagsbeslissingen niet (tijdig) genomen zouden kunnen worden vanwege de houding en het gedrag van de man vormt ook onvoldoende grond om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat hij zijn medewerking zal (blijven) verlenen aan het regelen van (gezags)zaken en het nemen van (gezags)beslissingen over [minderjarige] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de man deze toezegging zal nakomen. De omstandigheid dat de man aan het einde van de zitting riep dat hij het zat is en alsnog afstand wil doen van het gezamenlijk gezag, maakt dit voor de rechtbank niet anders. De man riep dit in een opwelling, vanuit emotie. Met het oog op het gewicht van het onderwerp dat op de zitting aan de orde was, te weten het ouderlijk gezag over de dochter van partijen, zal de rechtbank aan deze uitlating van de man geen rechtsgevolgen verbinden.

Gelet op het voorgaande is het de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] klem of verloren is geraakt of dreigt te raken wanneer het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand gelaten wordt of dat een wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag (anderszins) in het belang van [minderjarige] te achten is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag daarom afwijzen.

De rechtbank overweegt tot slot dat het van belang is dat de man zich bereikbaar houdt, dat hij openstaat voor communicatie vanuit de vrouw en dat hij gezamenlijk overleg tussen partijen mogelijk maakt. De man moet namelijk, zeker in een spoedsituatie, bereikbaar en beschikbaar zijn voor de vrouw voor het regelen van (gezags)zaken en voor het nemen van (gezags)beslissingen die [minderjarige] aangaan, ook wanneer de man onverhoopt opnieuw een mindere periode in zijn eigen leven doormaakt.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Vos, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Wallerbos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand