RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/435187 / FA RK 25-2378
beschikking d.d. 3 april 2026 op de vraag van de minderjarige in het kader van de informele rechtsingang
De minderjarige met een vraag is
[minderjarige 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 2] ,
en
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van [minderjarige 1] te adviseren.
1. Het verloop van de zaak
Op 8 mei 2025 heeft de kinderrechter een brief van [minderjarige 1] gekregen.
De kinderrechter heeft op 4 juni 2025 met [minderjarige 1] gesproken over zijn brief.
Daarna ontving de kinderrechter op 10 juni 2025 een brief van mr. E.A. Kazzaz-de Hoog namens de moeder en op 12 juni 2025 nog een e-mailbericht van mr. Kazzaz-de Hoog met bijlage. Op 23 juli 2025 stuurde de moeder nog een e-mailbericht.
Naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige 1] heeft een zitting met de ouders en de Raad plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Op 5 december 2025 is vervolgens een e-mailbericht van de vader ontvangen en op 6 december 2025 is een e-mailbericht van de moeder ontvangen.
De kinderrechter heeft op 24 februari 2026, voorafgaand aan de tweede zitting met
de ouders weer met [minderjarige 1] gesproken (via Teams). Daarna heeft de (tweede) zitting plaatsgevonden. De moeder, de vader en een vertegenwoordiger van de Raad waren daarbij aanwezig.
2. De feiten.
De vader en moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vader.
3. Het verzoek en de beoordeling
[minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij en zijn zusje [minderjarige 2] allebei aan een teamsport doen en dat zij in het weekend dat zij bij de moeder verblijven niet gelijktijdig naar de competitiewedstrijden kunnen gaan. Zij hebben toen zelf een keer moeten bepalen wie er dat weekend mee kon doen aan de wedstrijd. Dat vond [minderjarige 1] niet eerlijk en hij wil graag dat er een oplossing wordt gevonden zodat zij allebei kunnen deelnemen aan hun wedstrijden, ook in de weekenden dat zij bij hun moeder zijn. Ook vroeg hij om mr. Van Nuenen-Meulesteen (opnieuw) tot bijzondere curator over hem te benoemen.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 28 oktober 2025 blijkt, samengevat, het volgende. De ouders spraken af dat zij zich zouden inzetten om zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] naar hun competitiewedstrijd te brengen. [minderjarige 1] voetbalt en [minderjarige 2] zit op hockey. Indien het de moeder niet zou lukken om zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] op de zaterdag dat zij bij haar verblijven naar het sportveld te brengen, dan zou zij eerst hulp vragen aan haar partner en mocht dat niet lukken, dan zou zij de vader vragen om hulp. De vader verklaarde zich bereid om ook in het weekend dat de kinderen bij de moeder zijn in te springen om het spelen van de wedstrijd voor beide kinderen mogelijk te maken. Daarnaast spraken zij af dat zij nieuwe afspraken zouden gaan maken over de verdeling van de zorg- en contactregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader gaf aan dat de destijds geldende regeling problemen opleverde met de trainingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter oordeelde dat zij niet overging tot het benoemen van
mr. Van Nuenen-Meulesteen tot bijzondere curator (moeder was het oneens om haar tot bijzonder curator te benoemen) maar dat zij wellicht als ouders er samen niet uit zouden komen op zoek zou gaan naar een andere bijzondere curator voor [minderjarige 1] . De zaak werd in afwachting van de tussen de ouders nog te maken afspraken over de wijziging van de zorg- en contactregeling aangehouden tot begin december 2025.
Uit de e-mailberichten van 5 december 2025 van de vader en van 6 december 2026 van de moeder bleek dat het de ouders niet is gelukt om nadere afspraken te maken. Daarom heeft de kinderrechter besloten om weer een gesprek met [minderjarige 1] te hebben en om ook weer met de ouders en de Raad te spreken.
[minderjarige 1] heeft tijdens het tweede gesprek, kort samengevat, verteld dat [minderjarige 2] en hij nadat hij zijn brief had geschreven steeds hun competitiewedstrijden hebben kunnen spelen. Zij zijn nu, in plaats van op donderdag tot vrijdag, van woensdagmiddag tot donderdagochtend bij hun moeder. Voor hem is dat prima, hij kan zijn trainingen doordeweeks volgen. Voor [minderjarige 2] is dat anders, zij kan nu op de vrijdag voor het omgangsweekend niet trainen omdat de baby dan moet slapen en de moeder haar dan niet naar de training kan brengen. Omdat de trainingstijden in de toekomst steeds weer anders zullen zijn, hoopt hij dat de ouders in de toekomst de zorgregeling kunnen aanpassen aan de trainingen.
Tijdens de tweede zitting hebben de ouders, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij zijn erop uitgekomen dat doordeweeks de kinderen om de week van woensdag op donderdag bij de moeder zijn. [minderjarige 2] traint dan om de week op vrijdag niet.
Het voorstel van de vader is dat de moeder de kinderen op vrijdagavond na de training bij hem ophaalt. Dat kan op elk willekeurig tijdstip. Hij kan de kinderen niet op vrijdagavond bij de vrouw brengen, of pas heel laat, omdat hij werkt op die vrijdagavonden. Hij zou eventueel wat kunnen proberen te regelen met zijn partner of familie; dat zou echter wel extra kosten met zich meebrengen. Het baart hem zorgen dat [minderjarige 2] op een gegeven moment tot de conclusie kwam dat zij misschien maar beter zou kunnen stoppen met hockey.
De moeder heeft aangegeven dat zij aan haar limiet zit, gelet op de zorg voor haar jonge baby, haar werk en het halen en brengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doordeweeks en in het omgangsweekend. Het is eigenlijk al teveel. Zij kan [minderjarige 2] dan ook niet op ‘haar’ vrijdag naar de hockeytraining brengen. Het is voor haar een half uur heen en een half uur terug rijden en zij moet de baby meenemen. Het slaapritme van de baby wordt daardoor verstoord. Zij zou het liefst zien dat de man of zijn partner [minderjarige 2] en [minderjarige 1] na de training van [minderjarige 2] op vrijdag naar haar komen brengen. Haar partner kan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dan ook niet rijden omdat hij vanwege zijn werk door het hele land reist. De uren die de moeder daardoor met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de vrijdagen mist, wil zij in de vakanties inhalen. Naast de weekendregeling wil zij de zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal per twee weken van woensdag op donderdag bij haar zijn vastleggen.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven het verdrietig te vinden voor [minderjarige 2] dat zij met de huidige zorgregeling eenmaal per twee weken de hockeytraining op de vrijdag mist. De Raad zou het wel graag anders zien, maar ziet op het moment ook geen andere oplossing dan dat de zorgregeling blijft zoals die nu loopt.
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Het kan dan bijvoorbeeld gaan over de zorgregeling. Naar aanleiding van de vraag van [minderjarige 1] hebben de ouders met de kinderrechter gepraat en zijn zij daarna met elkaar in gesprek gegaan. Zij hebben nu afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die hun hoofdverblijf bij de vader hebben, om de week bij de moeder zijn van woensdag op donderdag (voor school) en in de andere week van vrijdag uit school tot maandag voor school. Ook hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de weekenden allebei hun competitiewedstrijden kunnen spelen. Als het de moeder niet lukt om zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] op de zaterdag dat zij bij haar verblijven naar de competitiewedstrijd te brengen, dan vraagt zij eerst hulp aan haar partner en mocht dat niet lukken, dan vraagt zij de vader om hulp. Verder hebben zij afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun trainingen zoveel mogelijk moeten kunnen volgen. [minderjarige 2] kan alleen eens per twee weken op de vrijdag van het weekend dat zij bij de moeder is, niet de hockeytraining volgen. Tijdens de tweede zitting is gebleken dat het voor beide ouders vanwege praktische omstandigheden niet mogelijk is om daar een oplossing voor te vinden. De ouders hebben wel toegezegd dat zij blijven proberen om ook voor die training van [minderjarige 2] een oplossing te vinden. De kinderrechter gaat ervan uit dat zij zich aan die belofte houden.
De kinderrechter zal vanwege de afspraken van de ouders ambtshalve de zorgregeling wijzigen.
De kinderrechter ziet geen taak meer voor een bijzondere curator weggelegd.
Brief aan [minderjarige 1]
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] de volgende brief geschreven over de beslissing.
Beste [minderjarige 1] ,
In mijn vorige brief aan jou heb ik jou verteld dat je ouders zelf nieuwe afspraken zouden gaan maken over wanneer jij en [minderjarige 2] bij jullie moeder zijn. Ik heb nu begrepen dat de doordeweekse dag waarop jullie bij jullie moeder zijn is gewisseld van de donderdag naar de woensdag en dat daarmee een deel van de problemen rond jullie trainingen is opgelost. Jammer genoeg zijn jullie ouders het niet eens geworden over de vrijdagavond waarop jullie bij jullie moeder zijn. Daarom kan [minderjarige 2] dan niet naar haar training. Omdat jouw ouders daarover zelf geen afspraken hebben kunnen maken, kan ik daar verder niets over beslissen, want jouw brief ging daar niet over.
Ik ga nu geen bijzondere curator benoemen, die zou nu niet veel meer toevoegen.
Ik beslis dat de zorgregeling, zoals je ouders nu hebben afgesproken, de officiële regeling wordt.
Dit is de laatste brief die ik aan jou schrijf omdat er een beslissing is genomen over jouw vraag. Ik hoop dat jouw ouders goed met elkaar blijven praten en dat zij ook met jullie blijven praten over de dingen die voor jullie belangrijk zijn. Ik wens jou en [minderjarige 2] het allerbeste.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter.
4. De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
bepaalt ambtshalve dat de voorheen geldende zorgregeling wordt gewijzigd in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw verblijven:
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in aanwezigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier.