RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446094 / JE RK 26-450
Datum uitspraak: 3 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. A. Koop-Van Vliet uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
de op 30 maart 2026 en 1 april 2026 door mr. Koop- van Vliet overgelegde stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad (via een Teams-verbinding);
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Namens de Raad is naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor het afhechten van de laatste punten die nog openstaan. De ondertoezichtstelling is verlopen waardoor de GI daar niet aan toegekomen is. De Raad begrijpt dat de voormalige jeugdzorgwerker niet opnieuw aan de zaak kan worden gekoppeld. De Raad betreurt dit. Het is belangrijk dat de ouders in het komende half jaar afspraken kunnen maken over dingen die moeten gebeuren voor de minderjarigen. De GI had daar een duidelijke visie op. Daarnaast is het belangrijk dat moeder geholpen wordt om de minderjarigen ruimte te bieden om het onderwerp vader te bespreken. Daarnaast zal er nog met [minderjarige 3] gekeken moeten worden wat er nodig is om het grensoverschrijdende gedrag te verwerken.
Namens de GI is aangevoerd dat, mocht de ondertoezichtstelling worden uitgesproken, er op dit moment geen vaste jeugdzorgwerker beschikbaar is om deze zaak op te pakken. De ondertoezichtstelling zal in eerste instantie worden uitgevoerd door het Provinciaal Instroom Team. De voormalige jeugdzorgwerker komt niet terug in het gezin. Zij heeft andere zaken toebedeeld gekregen waardoor zij niet langer beschikbaar is. Gelet op deze omstandigheden vraagt de GI zich af in hoeverre de ondertoezichtstelling nog effectief zal zijn de komende zes maanden.
De vader stemt in met het verzoek van de Raad, maar vraagt zich af of een half jaar voldoende is om alle openstaande punten aan te pakken. De vader merkt daarnaast op dat hij weliswaar informatie krijgt conform de informatieregeling, maar dat de informatie die gedeeld wordt erg karig is. Met deze informatie blijft hij niet op de hoogte over hoe het echt gaat met de minderjarigen. Desgevraagd geeft de vader aan dat zijn wens om de ondertoezichtstelling te verlengen voornamelijk voortkomt uit de gebrekkige nakoming van de informatieregeling door de moeder. De vader heeft zijn verzoek in de omgangsprocedure ingetrokken en ook qua communicatie tussen partijen is het maximum bereikt.
Door en namens de moeder is aangegeven dat er in de afgelopen jaren veel hulpverlening is ingezet. Deze heeft spijtig genoeg niets aan de situatie veranderd. De weerstand bij de minderjarigen ten aanzien van het contact met hun vader blijft enorm groot. Hun belang is ermee gediend dat er rust gaat komen. De Raad ziet ten aanzien van de minderjarigen ook geen zorgen. In het verslag van [persoon] valt op te maken dat er op dit moment niet zoveel meer is om af te hechten. Dit brengt de moeder tot de conclusie dat er niet langer sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen die maakt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Daarbij komt dat deze zaak, blijkens de toelichting van de GI, op de wachtlijst belandt. Dan gebeurt er de komende zes maanden feitelijk niets. De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling af te wijzen. Ten aanzien van de informatieregeling merkt de moeder op dat zij zich houdt aan het destijds afgesproken format van [hulpverlening] . Foto’s deelt de moeder niet op verzoek van de minderjarigen.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn.
De kinderrechter overweegt dat er in de afgelopen jaren veel hulp is ingezet, maar dat dit niet heeft geleid tot contactherstel tussen de vader en de minderjarigen. Hierin lijkt het maximale bereikt en de vader heeft, met emotionele bezwaren, zijn verzoek in de omgangsprocedure ingetrokken. Verder is niet gebleken van zorgen over de minderjarigen die hun ontwikkeling op dit moment bedreigen. Wellicht dat [minderjarige 3] in de toekomst nog hulpverlening nodig heeft om gebeurtenissen uit het verleden te verwerken, maar die grond is onvoldoende om een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook afwijzen.
Tijdens de zitting is ook gesproken over de informatieregeling vanuit de moeder naar de vader. De vader heeft aangegeven dat de moeder weliswaar uitvoering geeft aan de informatieregeling, maar dat deze erg summier is. De kinderrechter begrijpt de wens om meer informatie te krijgen over de minderjarigen. Het is uiteindelijk ook in het belang van de minderjarigen om een vader te hebben die een inhoudelijk beeld van hen heeft. Ook zo nu en dan een foto helpt de vader enorm om een minimale band met de minderjarigen te behouden. De kinderrechter doet een beroep op de moeder als verzorgende ouder om de vader wat ruimer te voorzien van informatie over de minderjarigen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.