ECLI:NL:RBZWB:2026:3708

ECLI:NL:RBZWB:2026:3708

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer C/02/411006 / FA RK 23-2952
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verzoek tot eenhoofdig gezag toegewezen. Dwingende controle.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/411006 / FA RK 23-2952

datum uitspraak: 3 april 2026

nadere beschikking over gezag

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout,

voorheen advocaat: mr. T. Kremers uit Breda,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [plaats] ,

zonder advocaat,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie Tilburg,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over het thans voorliggende gezagsverzoek geadviseerd.

1. Het verdere procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2025 en alle daarin vermelde stukken;

- de brief van de GI van 23 januari 2026 met 3 bijlagen;

- de brief van de man van 25 januari 2026 met 3 bijlagen;

- het onttrekkingsbericht van mr. Kremers van 10 maart 2026;

- het stelbericht van mr. Avontuur van 11 maart 2026;

- het op 16 maart 2026 ontvangen aanvullende verzoekschrift van de vrouw met12 bijlagen;

- het e-mailbericht van de man van 18 maart 2026;

- het bericht van de griffier van de rechtbank van 19 maart 2026 gericht aan partijen, de GI en de Raad;

- de twee berichten van mr. Avontuur van 19 maart 2026.

De brief van de man van 25 januari 2026 behoort tot de processtukken, met uitzondering van de verzoeken die de man in deze brief aan de rechtbank heeft gedaan. Volgens de regels van het procesrecht kan de man zonder advocaat namelijk geen zelfstandige verzoeken indienen.

De vrouw heeft bij het aanvullend verzoekschrift van 16 maart 2026 haar eerder ingediende verzoek met betrekking tot het contact en de omgang tussen de man en [minderjarige] gewijzigd, in de zin dat zij thans verzoekt aan de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Tevens heeft zij een nieuw verzoek ingediend, te weten het verlenen van vervangende toestemming om met [minderjarige] voor een vakantie naar het buitenland te reizen.

De man heeft bij e-mail van 18 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting van 23 maart 2026. De rechtbank heeft aan dat verzoek gedeeltelijk gehoor gegeven, te weten voor wat betreft de eveneens op die datum geplande behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , die gelijktijdig met de behandeling van deze zaak zou plaatsvinden. Verder heeft de rechtbank aan partijen, de GI en de Raad bericht dat ter zitting van 23 maart 2026 uitsluitend het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag zal worden behandeld en dat voor de behandeling van de overige (gewijzigde/nieuwe) verzoeken een nadere zitting wordt bepaald.

De behandeling van het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 23 maart 2026. Tijdens de zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, die aan de zitting heeft deelgenomen door middel van een digitale verbinding via Teams;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

Na de zitting heeft de GI aanvullende stukken, te weten een verslag van [hulpverlening 1] en afschriften van e-mailberichten tussen de man, de GI en [hulpverlening 1] , overgelegd aan de rechtbank. Deze stukken worden door de rechtbank niet meegenomen in haar beoordeling van het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag, omdat de stukken zijn ingebracht buiten de daarvoor gestelde termijn. De stukken zijn wel aan het procesdossier toegevoegd, en in verband met de behandeling van de nog resterende verzoeken zal de rechtbank daarvan te zijner tijd kennisnemen.

2. Het verzoek betreffende gezag

Thans is aan de orde het verzoek van de vrouw aan de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

De man is het niet eens met dit verzoek van de vrouw en verzoekt het verzoek af te wijzen.

3. De nadere feiten

Bij beschikking van 7 mei 2025 is het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag aangehouden voor de duur van negen maanden tot 23 januari 2026 pro forma. Overwogen is dat de rechtbank zich zorgen maakt over de ongelijkwaardigheid in de relatie tussen partijen en over het gebrek aan communicatie tussen partijen. Binnen de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , die is uitgesproken per 23 april 2025 tot 23 april 2026, zal bekeken moeten worden of partijen kunnen komen tot constructief gezamenlijk ouderschap en of een voortzetting van het gezamenlijk gezag haalbaar is en blijft in het belang van [minderjarige] . Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is een voorlopige zorgregeling bepaald, inhoudende dat de man en [minderjarige] voorlopig recht hebben op contact met elkaar eenmaal per week op zaterdag of zondag van 8:30 uur tot 19:00 uur, waarbij onder regie van de GI gekeken gaat worden naar een uitbereiding van de zorgregeling en eventueel hulp bij de overdrachtsmomenten. De definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden tot (eveneens) 23 januari 2026 pro forma.

Bij (spoed)beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2025, opgevolgd door de beschikking van 30 juni 2025, is de bij beschikking van 7 mei 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling gewijzigd en is bepaald dat de GI de regie heeft over de zorgregeling.

Partijen en [minderjarige] zijn in juni 2025 aangemeld bij [hulpverlening 1] voor een hulpverleningstraject voor onder meer gezinsdiagnostiek, ouderschapsbemiddeling en omgangsobservatie- en begeleiding.

In juni 2025 is de man door de politie aangehouden na een aangifte van de vrouw van stalking. De man is in voorlopige hechtenis genomen, welke hechtenis is geschorst onder oplegging van schorsingsvoorwaarden, waaronder een contact- en gebiedsverbod jegens de vrouw. Ook is reclassering en Fivoor bij de man betrokken geraakt. De vrouw heeft, samen met [minderjarige] , twee weken bij de vrouwenopvang verbleven met “code rood”. Ook heeft de vrouw een draagbaar alarmsysteem (Aware) gekregen met bijbehorende ambulante begeleiding voor drie maanden.

Begin oktober 2025 is het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 1] gestart. In aanloop naar dit traject heeft de GI in augustus en september 2025 de omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] begeleid met een frequentie van één uur per week. Daarna is dit overgedragen aan [hulpverlening 1] . De man heeft in december 2025 voor het laatst contact gehad met [minderjarige] .

4. De standpunten

Door en namens de vrouw is, samengevat en voor zover van belang met betrekking tot het voorliggende verzoek tot wijziging van het gezag, aangevoerd dat de man zich gedurende de relatie van partijen naar de vrouw schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat moet worden gekenmerkt als intieme terreur en dwingende controle, een ernstige vorm van huiselijk geweld. Deze intieme terreur en dwingende controle heeft zich ook na het verbreken van de relatie voortgezet. De man hield zich niet aan afspraken tussen partijen over het contact met [minderjarige] , waardoor ingrijpen van de politie meerdere malen nodig is geweest. Ook zette de man [minderjarige] in om druk te zetten op de vrouw en het contact met haar af te dwingen. Er was sprake van stalking door de man richting de vrouw, waarvan de vrouw aangifte heeft gedaan. De betreffende strafzaak moet nog behandeld worden. Aan de man is in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een contact- en gebiedsverbod opgelegd, maar de man houdt zich hier niet aan. De man bezoekt de LinkedIn-pagina van de vrouw en hij stuurt haar berichtjes die hij weer verwijdert. Evenmin staat de man open voor samenwerking met de thans betrokken instanties, waaronder de GI en [hulpverlening 1] , met als gevolg dat de omgang tussen de man en [minderjarige] sinds begin december 2025 stil is komen te liggen. De man weigert de man informatie te overleggen over en inzicht te geven in zijn problematiek en hulpverlening en/of behandeling, terwijl dit wel nodig wordt geacht om te kunnen beoordelen of en hoe de omgang tussen de man en [minderjarige] veilig kan plaatsvinden. Daarnaast stelt de man zich niet meewerkend op in het behandeltraject van [minderjarige] . De man houdt het contact af met de instanties en/of plaatst vraagtekens bij de conclusies en adviezen van de instanties, waardoor dit traject reeds de nodige vertragingen heeft opgelopen. Verder weigert de man zijn toestemming te verlenen voor een vakantie van de vrouw samen met [minderjarige] naar Spanje eind april/begin mei van dit jaar. De vrouw heeft de man benaderd over deze vakantie, maar de man wil precies weten waar de vrouw naar toe gaat. De precieze details wil de vrouw echter niet verstrekken, uit vrees dat de man haar op haar vakantiebestemming gaat lastigvallen. De GI heeft tevergeefs geprobeerd hierin te bemiddelen tussen partijen, maar de man heeft aangegeven zijn toestemming alleen te willen geven als hij de details van de vakantie kent. De man laat met dit alles zien niet in het belang van [minderjarige] te kunnen handelen. Daarnaast zorgt het gedrag van de man tot heel veel onveiligheid voor de vrouw en [minderjarige] , met bijkomende angsten, spanningen en (toxische) stress. Zowel de vrouw als [minderjarige] lijden onder het gedrag van de man, waarbij niet uit te sluiten is dat de gebrekkige spraakontwikkeling van [minderjarige] hierop terug te voeren is dan wel mede zijn oorzaak vindt. Van de vrouw kan niet (langer) worden verlangd dat zij met de man in overleg gaat over [minderjarige] . Dit vraagt teveel van haar. Bovendien staat het huidige contactverbod gezamenlijke uitoefening van het gezag in de weg. De vrouw grondt haar verzoek om het gezag te wijzigen op het internationaal juridische kader, te weten artikel 3 jo artikel 19 IVRK, artikel 3 EVRM en artikel 31 lid 1 en 2 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul).

De man voert, samengevat, aan dat de vrouw een beeld over hem lijkt te schetsen waarin zij slachtoffer is van het gedrag van de man en dat sprake zou zijn van intieme terreur en dwingende controle. De man herkent zich niet in dit beeld. Er hadden dingen beter gekund, maar de man neemt zijn verantwoordelijkheid voor zaken die hij niet goed heeft gedaan. De man hoopt dat hij en de vrouw van hun fouten uit het verleden kunnen leren en dat zij samen, met behulp van de GI, gaan werken een goede communicatie. Hierop heeft de GI nog niet echt ingezet. [minderjarige] is heel belangrijk voor de man. Voor hem wil de man een stabiele vader zijn. De man is onder behandeling bij Fivoor. De man begrijpt dat de GI en [hulpverlening 1] over zijn behandeltraject informatie willen krijgen, maar de man vindt dat hij het recht heeft om dit privé te houden. Bovendien dient zijn vertrouwen in de GI en [hulpverlening 1] nog te groeien om informatie met hen te kunnen delen. Dit neemt niet weg dat de man verantwoordelijkheid wil nemen voor [minderjarige] . Een kind heeft twee ouders nodig, en dat geldt ook voor [minderjarige] . Voor zover de GI stelt dat hij onvoldoende zou meewerken, niet zou reageren op berichten, regelmatig omgangsmomenten zou verzetten en dat omgang tussen hem en [minderjarige] niet heeft plaatsgevonden vanwege zijn afwezigheid, betwist de man dit zoals door hem uiteengezet in zijn brief van 25 januari 2026. Hij is steeds beschikbaar geweest op de afgesproken momenten en heeft hieraan meegewerkt. De man heeft meerdere concrete voorstellen gedaan om de omgang in het weekend praktische mogelijk te maken zodat het contact tussen hem en [minderjarige] binnen de bestaande juridische kaders kan worden voortgezet. Op deze voorstellen is onvoldoende inhoudelijk gereageerd of zij zijn niet opgepakt. Op dit moment verblijft de man in Kenia en kampt hij met burn-out gerelateerde gezondheidsklachten. In april krijgt de man meer ruimte voor omgang met [minderjarige] . Tot op heden heeft de man voor alle aan hem gedane verzoeken zijn toestemming gegeven, met uitzondering van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de door haar gewenste vakantie samen met [minderjarige] eind april/begin mei. Hiervoor heeft de man tot op heden zijn toestemming niet gegeven omdat hij het zorgelijk vindt dat [minderjarige] lopende een behandeltraject, waarover nog veel onduidelijkheid bestaat, op vakantie gaat. De man staat op dit moment niet in contact met de betrokken instanties, maar heeft zijn zorgen hierover neergelegd bij de GI. De man is overal bij betrokken waar hij betrokken bij kan zijn. Hij wil het beste voor [minderjarige] .

De vertegenwoordigers van de GI hebben, onder verwijzing naar hun brief van23 januari 2026, aangegeven dat binnen het hulpverleningstraject van [hulpverlening 1] uitvoering is gegeven aan begeleide omgangsmomenten. Hoewel het observatie-onderzoek van [hulpverlening 1] nog niet helemaal gereed is, komt uit de observaties naar voren dat de man in staat is om tijdens de omgangsmomenten aan te sluiten bij [minderjarige] . In de interactie met [minderjarige] laat de man tijdens de omgangsmomenten aldus goede dingen zien, maar hij laat dit onvoldoende zien in de samenwerking met de GI en [hulpverlening 1] . De man reageert niet op berichten van [hulpverlening 1] en evenmin op voorstellen over andere onderwerpen. Ook wil de man de omgangsmomenten vaak verzetten en geeft hij er blijk van niet meer open te staan voor het nabespreken van de omgangsmomenten met [hulpverlening 1] . In december 2025 heeft de man bericht dat hij de komende weken niet in Nederland is voor omgang tussen hem en [minderjarige] . In december 2025 heeft het laatste omgangsmoment plaatsgevonden. De GI en [hulpverlening 1] hebben daarom serieuze zorgen over hoe het in de toekomst moet gaan in het contact met [minderjarige] en de man. Daarnaast is het voor een uitbreiding van de omgang en om de veiligheidsrisico’s te kunnen analyseren noodzakelijk om meer informatie over de man en zijn behandeling te ontvangen dan nu voorhanden is. De man heeft zijn (reclasserings)hulpverlener en/of behandelaar van Fivoor tot op heden echter geen toestemming gegeven voor het uitwisselen van informatie. De man lijkt hiermee onvoldoende in te zien dat hij daarmee [minderjarige] dupeert en dat het belang van [minderjarige] vraagt om duidelijkheid over veiligheid(sririco’s). In het kader van re-organisatie ouderschap voert [hulpverlening 1] gesprekken met de vrouw om te kijken naar hoe de vrouw het ouderschap zou kunnen inrichten met de man. Het is de bedoeling dat dergelijke gesprekken ook met de man gevoerd gaan worden, maar dat is tot op heden niet gelukt. Hierin, maar ook in het behandeltraject van [minderjarige] , wordt weerstand en tegenwerking vanuit de man ervaren. Er worden veel zorgen gezien in de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] spreekt niet. Hij kent wel enkele woordjes, maar dit is nauwelijks een woordenschat die verstaanbaar is voor derden. In de zomer van 2025 heeft de vrouw [minderjarige] aangemeld voor een traject bij [hulpverlening 2] in het kader van een taalontwikkelingsstoornis. Het heeft langere tijd geduurd voordat de man hiervoor zijn toestemming gaf. In januari 2026 is [minderjarige] gestart bij [hulpverlening 2] , echter enkele weken nadien heeft [hulpverlening 2] aangegeven de communicatieve problematiek van [minderjarige] niet te kunnen behandelen vanwege het moeilijke onvoorspelbare gedrag van [minderjarige] dat voorliggend is. [hulpverlening 2] heeft besloten om de groepsbehandeling van [minderjarige] te stoppen per 26 maart 2026. Naar aanleiding hiervan hebben de GI en [hulpverlening 1] partijen uitgenodigd voor een gesprek, afzonderlijk van elkaar. De vrouw is op gesprek geweest, maar de man niet, ook niet nadat de GI de man nog een aantal keren opnieuw had uitgenodigd. Besloten is om [minderjarige] medisch te laten onderzoeken. De vrouw heeft een intake gehad met een arts van het [kinderziekenhuis] , die aangaf geen aanleiding te zien om [minderjarige] te onderzoeken en de vrouw heeft verwezen naar een kinderpsycholoog. De GI heeft daarop gevraagd om een second opinion, die in gang wordt gezet. De man is hierin meegenomen nadat hij uiteindelijk naar de evaluatie op 27 februari 2026 is gekomen. Op 2 maart 2026 heeft de man hiervoor schriftelijk zijn toestemming gegeven, evenals voor een aanmelding van [minderjarige] bij [dagopvang] voor begeleiding in het kader van dagopvang. De man weigert tot op heden zijn toestemming te geven voor een vakantie van de vrouw samen met [minderjarige] naar Spanje eind april/begin mei. De GI ziet geen belemmeringen voor deze vakantie, maar de man wil de vakantieplannen van de vrouw in detail weten voordat hij hiermee, naar zijn zeggen, akkoord gaat. Vanwege zijn problematiek heeft [minderjarige] een opvoeder nodig die tijd en energie in hem steekt. De vrouw is al lange tijd feitelijk de enige opvoeder van [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat de vrouw door het gedrag van de man aan het wankelen wordt gebracht; zij moet in het belang van [minderjarige] voor hem beschikbaar blijven. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vraagt onder de huidige omstandigheden heel veel van de vrouw, nog los van de omstandigheid dat overleg tussen partijen in verband met het contactverbod al langere tijd niet mogelijk is.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft aangevoerd dat tijdens het raadsonderzoek dat begin 2025 heeft plaatsgevonden er bij de Raad twijfels bestonden in hoeverre het continueren van het gezamenlijk gezag haalbaar zou blijven. Daarom heeft de Raad in haar rapport geadviseerd om de beslissing op het verzoek over het gezag aan te houden, om te bezien hoe een en ander zich zou ontwikkelen. Gebleken is dat in de uitoefening van het gezamenlijke gezag in de afgelopen maanden geen verbetering is gekomen. Het gedrag dat de man heeft laten zien baart de Raad grote zorgen. De man heeft [minderjarige] als pressiemiddel naar de vrouw ingezet, waarbij hij [minderjarige] heeft gebruikt om zijn eigen doelen te behalen. Daarmee heeft de man geenszins in het belang van [minderjarige] gehandeld. Daarnaast geeft de man niet op een passende wijze toestemming voor zaken die voor [minderjarige] belangrijk zijn. Zo heeft het onder andere vier maanden geduurd voordat de man zijn toestemming gaf voor het behandeltraject van [minderjarige] bij [hulpverlening 2] . Ook ontbreekt tot op heden de toestemming van de man voor een vakantie van de vrouw samen met [minderjarige] . De man stelt zich hierin dwingend en eisend op, hetgeen de Raad zeer zorgelijk acht. Daarnaast weigert de man tot op heden om zijn toestemming aan Fivoor te verlenen voor het uitwisselen van informatie met de GI en/of [hulpverlening 1] . Dit vormt een belemmering voor de omgang tussen de man en [minderjarige] , die bovendien al maanden stil ligt. De Raad ziet geen mogelijkheden meer voor gezamenlijk gezag. Zij acht de uitoefening van gezamenlijk gezag te stresserend voor de vrouw. De vrouw wordt zeer onder spanning gezet door het gedrag van de man. Voorkomen moet worden dat de vrouw hierdoor uitvalt, omdat dit in het ergste geval zou betekenen dat [minderjarige] tijdelijk naar een pleeggezin moet gaan. Dat acht de Raad allerminst in het belang van [minderjarige] .

5. De beoordeling

Het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag zoals bepaald in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders het gezag gezamenlijk over hun kind uitoefenen. Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW evenwel worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt.

Hoewel niet expliciet in voornoemde wettelijke bepalingen over gezag genoemd, neemt de rechtbank bij beantwoording van de vraag welke gezagsbeslissing in het belang van het kind is, onveiligheid van een ouder en kind als gevolg van (huiselijk) geweld als relevante omstandigheid in aanmerking.

Niet in geschil is, en ook de rechtbank is op basis van de voorliggende stukken en de ter zitting geschetste feiten en omstandigheden van oordeel, dat voldoende is komen vast te staan dat de omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] zijn gewijzigd. Zo is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden, staat [minderjarige] sinds 23 april 2025 onder toezicht van de GI en zijn partijen een hulpverleningstraject bij [hulpverlening 1] gestart. Gelet hierop kan de vrouw worden ontvangen in haar verzoek om alleen met het gezag over [minderjarige] te worden belast.

De rechtbank overweegt dat bij beschikking van 7 mei 2025 de beslissing op het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag is aangehouden om te bezien of in het kader van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , waarbij hulpverlening in een gedwongen kader wordt ingezet, gewerkt kan worden aan een verbetering van de wijze waarop partijen uitvoering geven aan het gezamenlijk gezag. Gebleken is dat er na afronding van het onderzoek door de Raad geen verbetering is opgetreden. In juni 2025 heeft de vrouw aangifte gedaan van stalking door de man. Die aangifte heeft geleid tot een aanhouding van de man. De man heeft enkele dagen vastgezeten en is met oplegging van voorwaarden, waaronder en contact- en gebiedsverbod, geschorst uit de voorlopige hechtenis in afwachting van de behandeling van de strafzaak. De vrouw heeft samen met [minderjarige] twee weken bij de vrouwenopvang met code rood moeten verblijven, en zij heeft tot december 2025 een Aware bij zich gedragen ter bescherming van haar veiligheid. In verband met een incident op 14 juni 2025 rondom een omgangsmoment tussen de man en [minderjarige] , waarbij de man zich in het bijzijn van [minderjarige] verbaal agressief uitte tegen politiebeambten, is een melding gedaan bij Veilig Thuis. In het meldformulier is aangetekend dat een gedragsdeskundige van jeugdzorg de man heeft gekwalificeerd als hoog risico scorend op de femicide-ladder.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw aan de hand van concrete stellingen en bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een al langdurig patroon van intieme terreur en dwingende controle door de man. Het grensoverschrijdende en bedreigende gedrag van de man zorgt voor onveiligheid, stress en angst bij de vrouw en ook bij [minderjarige] ; zowel direct nu hij getuige is van het gedrag en het handelen van de man als indirect via de vrouw. Hoewel de man stelt aan zichzelf te werken, weigert de man tot op heden aan de GI en [hulpverlening 1] openheid van zaken te geven over de hulpverlening en/of de behandeling die hij krijgt, noch over de resultaten die hierin bereikt zijn. Hierdoor kan de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw niet worden beoordeeld. Vanwege de veiligheidsrisico’s samenhangend met ongelijkwaardigheid in de relatie tussen partijen, is het niet wenselijk dat een gezamenlijk traject gericht op de inrichting van het voortgezet ouderschap na scheiding wordt ingezet. De rechtbank begrijpt dat de GI inzet op individuele gesprekken met beide ouders over de organisatie en inrichting van het ouderschap na scheiding, maar de man werkt daaraan tot op heden onvoldoende mee. De minimaal noodzakelijke basis om gezamenlijk gezag uit te oefenen ontbreekt, en de rechtbank acht het allerminst aannemelijk dat in deze situatie binnen afzienbare tijd verandering zal komen.

Als relevante omstandigheid weegt de rechtbank ook mee dat de man zich tot op heden niet of onvoldoende meewerkend opstelt in het behandeltraject van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbare jongen en hij laat in zijn (uitblijvende) ontwikkeling en gedrag zorgelijke signalen zien die nopen tot onderzoek en mogelijke behandeling en hulpverlening. Daarom zullen in de nabije toekomst nog de nodige gezagsbeslissingen moeten worden genomen. De man is echter moeilijk bereikbaar voor de GI voor overleg en gesprekken, is slechts onder zijn voorwaarden bereid om in gesprek te gaan of mee te werken, en hij houdt het contact met de bij [minderjarige] betrokken instanties af. Tot op heden heeft de man zijn toestemming voor behandeling en/of onderzoek van [minderjarige] uiteindelijk wel gegeven, maar telkenmale met de nodige vertraging. Het belang van [minderjarige] vraagt, mede gezien de ernst van zijn problematiek, dat voortvarend beslissingen over hem worden genomen door ouders die betrokken zijn bij de in te zetten hulpverlening en die aansluiten bij gesprekken daarover. Die betrokkenheid laat de man niet zien en dat resulteert erin dat de man onvoldoende geïnformeerd is. De man geeft aan dat hij het ingewikkeld vindt om afspraken met de hulpverlening te combineren met zijn werk, maar dat vindt de rechtbank geen valide argument. Van de man mag verwacht worden dat hij hiervoor een oplossing zoekt.

Het gezamenlijk gezag brengt met zich dat de vrouw als hoofdopvoeder van [minderjarige] telkens de communicatie en het overleg met de man, al dan niet via de tussenkomst van een derde zolang het contactverbod geldt, moet opzoeken. Elk contact met de vrouw kan het stalkingsgedrag van de man voeden, hetgeen bedreigend is voor de vrouw en leidt tot angst en spanningen, die onmiskenbaar een negatieve weerslag op [minderjarige] hebben. Bij voortduring van het gezamenlijk gezag blijft het risico bestaan dat de man via het medegezag dwingende controle op de vrouw uitoefent. Het is daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de vrouw in de situatie wordt gebracht waarin zij niet langer door middel van gezamenlijk gezag verbonden is aan de man. Dit geldt eens temeer nu [minderjarige] vanwege zijn problematiek kwetsbaar is en aldus moet kunnen steunen, bouwen en vertrouwen op een sterke en stevige ouder die zijn belangen waarborgt. Belangrijk is dat de vrouw zich als hoofdopvoeder van [minderjarige] staande weet te houden, en dat zij in de gezagsuitoefening van [minderjarige] niet langer hinder ondervindt omdat niet met de nodige voortvarendheid de voor [minderjarige] noodzakelijke beslissingen kunnen worden genomen, terwijl de situatie van [minderjarige] hierom juist vraagt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat de vrouw overeenkomstig haar verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast. De rechtbank zal aldus beslissen.

6. De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021 en bepaalt dat het gezag over voornoemde minderjarige voortaan aan de vrouw alleen toekomt;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing op de nog resterende verzoeken van de vrouw aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand