RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/445456 / JE RK 26-334
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing en wijziging zorgregeling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.L.J. de Vos, kantoorhoudende te Goes,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
tegen
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam Zuidoost, hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 5 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordigster namens de GI.
Hoewel naar behoren opgeroepen, maar niet verschenen zijn de moeder en de vader.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Daar heeft hij geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 24 juni 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 juni 2024 en tot 8 juli 2024. Tevens is bij deze beschikking een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 juni 2024 en tot 8 juli 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 2 juli 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juli 2024 en tot 2 juli 2025 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 juli 2024 en tot 2 juli 2025. Daarna zijn deze maatregelen steeds verlengend, te weten tot 2 juli 2026.
Op grond van de machtiging uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] .
De GI heeft op 23 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &
Jeugdreclassering stelt de volgende regeling vast:
[minderjarige] gaat om het weekend een weekend naar huis.
De weekenden dat het gezin op bezoek gaat bij [accommodatie] vervallen voor de komende drie maanalen. Er zijn geen bezoeken op [accommodatie] .
De volgende afspraken blijven gelden zoals ook in de eerdere regeling het geval was:
[minderjarige] is niet alleen tijdens het weekend, één van de ouders is altijd bij [minderjarige] .
[minderjarige] wordt opgehaald vanaf de groep om tussen 13.00 uur en 14.00 uur.
[minderjarige] wordt teruggebracht op de groep uiterlijk om 17.00 uur.
Ouders laten de hulpverlening binnen in het weekend en ook doordeweeks.
Als er toch een escalatie plaatsvindt met of rondom [minderjarige] , dan zal moeder zorgen dat [persoon 1] en [persoon 2] naar de buren gaan of naar de ouders van de vriendin van [persoon 2] . Moeder zal zorgen dat ook [persoon 3] veilig is. Moeder zal contact opnemen met [accommodatie] om te bespreken hoe [minderjarige] terug naar de groep gaat.
Als er wat gebeurt dan vertellen ouders dit aan [persoon 4] , [persoon 5] of andere hulpverlening. Er wordt dus open gesproken met elkaar.
De regeling geldt voor de duur van drie maanden, tot 26 april 2026.”
3. Het verzoek
De moeder heeft de rechtbank verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren;
II. een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 13:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de moeder verblijft, althans één weekend per veertien dagen, dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
4. De standpunten
Namens de moeder is gesteld dat zij alleen bezwaar heeft tegen het vervallen van het bezoek aan [minderjarige] in het weekend bij [accommodatie] voor de komende drie maanden. Zij heeft geen bezwaar tegen de overigens opgesomde afspraken van de schriftelijke aanwijzing. Daartoe wordt aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is onderbouwd en niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Tevens is de schriftelijke aanwijzing niet in het belang van [minderjarige] . De moeder acht het meest in het belang van [minderjarige] dat hij zijn gezin ieder weekend ziet. Het liefst ziet de moeder dat dit contact bij haar thuis plaatsvindt; zij ziet geen redenen waarom dat niet zou kunnen. Desalniettemin kan de moeder zich er ook vinden in dat de eerdere regeling herleeft waarbij in de niet-thuisweekenden het contact zal plaatsvinden bij [accommodatie] .
De GI heeft verweer gevoerd en toegelicht dat de moeder de bezoekmomenten aan [minderjarige] op [accommodatie] structureel niet nakomt. Zij zegt op het laatste moment de bezoeken af. Dit zorgt voor onduidelijkheid bij [minderjarige] , met als gevolg dat hij volledig escaleert en er gevaarlijke situaties ontstaan waarbij hij bijvoorbeeld gefixeerd moet worden. De GI heeft samen met de moeder en haar hulpverlening gezocht naar oplossingen om tot een bezoekregeling te komen die de moeder wel kan nakomen. Dit is echter niet gelukt. De problemen liggen voornamelijk op praktisch vlak, zoals in beperkingen vanwege de gezondheid van de moeder, financiële beperkingen, werk, het vervoer en de zorg voor haar andere kinderen. Tot op heden lijkt de moeder de bezoekregeling zoals omschreven in de schriftelijke aanwijzing wel na te kunnen komen. De GI heeft de komende periode nodig om te evalueren hoe de bezoekregeling loopt. Als dit goed blijft gaan, kan na 26 april 2026 worden gekeken of uitbreiding van de regeling mogelijk is.
5. De beoordeling
Het wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouders of de ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op.
Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken bedraagt en die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
Artikel 1:265f lid 1 BW bepaalt dat de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige kan beperken. Lid 2 bepaalt dat de beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing. De artikelen 1:264 en 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt
Beoordeling van het verzoek vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Vast is komen te staan dat aan de moeder, als gezaghebbende ouder, een schriftelijke aanwijzing is gegeven op 23 januari 2026, welke kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Awb. Nu de GI op 23 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven en het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing op 5 februari 2026 door de rechtbank is ontvangen, is het verzoek tijdig ingediend. De kinderrechter zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.
De kinderrechter overweegt voorts dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat kader dient de kinderrechter te beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Wat de inhoudelijke toets betreft, dient de kinderrechter te beoordelen of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige is. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beziet of er in de gegeven omstandigheden voldoende grond is om een schriftelijke aanwijzing te geven. Dit is een beoordeling ex nunc, waarbij de kinderrechter rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden.
Het geven van een aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing waartoe pas dient te worden overgegaan als de gewenste medewerking van de ouders dan wel de minderjarige niet door overleg en overreding kan worden bereikt. De aanwijzing moet in elk geval het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd komen met het recht. Daarvoor dient te worden beoordeeld of het besluit van de GI zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd.
Zorgvuldige totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing
Niet in geschil is dat de GI aan de moeder een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing heeft verstuurd, namelijk op 22 januari 2026. Daarnaast is de GI op 22 januari 2026 bij de moeder langs geweest om mondeling de aankondiging te geven. Dit wordt ook niet door de moeder betwist. Op 23 januari 2026 heeft de GI de schriftelijke aanwijzing naar de moeder verstuurd. Voor de kinderrechter staat op grond van de stukken en hetgeen naar voren is gekomen tijdens de zitting voldoende vast dat de GI zich gedurende een lange periode heeft ingespannen om met de moeder in overleg te treden om te komen tot een passende oplossing zodat de zorgregeling voor de moeder wel haalbaar is. Echter is dit niet gelukt. Dat de GI zich heeft ingespannen wordt door de moeder ook niet betwist. Het wordt door de moeder ook niet betwist dat het haar niet altijd lukt om de zorgregeling na te komen. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en tot stand is gekomen. Dat de moeder een andere visie dan de GI heeft op wat goed is voor [minderjarige] , maakt de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing naar het oordeel van de kinderrechter niet onzorgvuldig.
Deugdelijke motivering schriftelijke aanwijzing;
De moeder heeft betoogd dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is onderbouwd. De GI heeft nagelaten te onderbouwen waarom [minderjarige] niet ieder weekend naar huis zou kunnen komen. [minderjarige] reageert namelijk negatief wanneer er in een weekend geen contact met de moeder plaatsvindt. Wekelijks fysieke omgang in het weekend is dan ook het meest in het belang van [minderjarige] . Daarbij komt dat de GI geen rekening heeft gehouden met de redenen waarom de moeder de omgangsweekenden bij [accommodatie] incidenteel heeft afgezegd. Er is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat er sprake is van onmacht en geen onwil (financiële situatie, de zorg voor de andere kinderen van de moeder, haar werk en vervoersproblemen). Er ontbreekt dan ook een concrete, kenbare belangenafweging.
De kinderrechter volgt dit standpunt van de moeder niet. Het verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing van de moeder ziet op het contact tussen de moeder en [minderjarige] . De GI wil graag dat de moeder zich aan de afspraken rondom de zorgregeling gaat houden, zodat [minderjarige] niet teleurgesteld wordt. In de schriftelijke aanwijzing wordt toegelicht dat de afspraken over de weekenden dat moeder en het gezin naar [minderjarige] gaan vaak niet worden nagekomen en dat deze bezoeken pas op het laatste moment worden afgezegd. Dit zorgt voor onduidelijkheid bij [minderjarige] , met als gevolg dat hij volledig escaleert. Bij een escalatie moet hij vastgehouden worden en er moet een vrijheidsbeperkende maatregel ingezet worden. Dit is voor [minderjarige] erg ingrijpend en de GI is dan ook van mening dat dit zoveel mogelijk voorkomen moet worden. De Gl heeft daarom afgewogen wat het minst schadelijk is voor [minderjarige] . Zij concluderen dat het minst schadelijk voor [minderjarige] is als hij zo min mogelijk escalaties meemaakt en dit kan worden behaald bij een waardevol bezoek in het weekend eenmaal per twee weken bij de moeder thuis. De escalaties meemaken is erger dan een bezoek op [accommodatie] missen, omdat er een heel waardevol contact is tussen [minderjarige] en zijn gezin tijdens de weekenden dat hij thuis is. In de schriftelijke aanwijzing wordt aldus uitvoerig ingegaan op hoe de zorgregeling is verlopen, waarom de GI een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk heeft geacht en daarbij is een belangenafweging gemaakt.
Proportionaliteit en subsidiariteit;
Voorts heeft de moeder aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De moeder begrijpt dat duidelijkheid en structuur in het belang van [minderjarige] is, maar beperken van contact is niet het juiste middel.
Ook heeft de GI volgens de moeder nagelaten te onderzoeken of andere en/of minder ingrijpende alternatieven mogelijk waren.
Ook op dit punt volgt de kinderrechter de moeder niet. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing in verhouding staat met het beoogde doel (proportionaliteit) en een minder ingrijpende maatregel is momenteel niet voorhanden (subsidiariteit). Onbetwist is gesteld dat op het laatste moment afzeggen van de zorgregeling door de moeder enorme teleurstelling bij [minderjarige] teweegbrengt, met als gevolg dat de [minderjarige] volledig escaleert, hij zichzelf in gevaar brengt en op een heftige wijze moet worden ingegrepen. Omdat [minderjarige] op een laag niveau functioneert en emotioneel erg jong is kan hij zijn emoties ingeval van die teleurstelling niet reguleren. Deze escalaties moeten zoveel als kan voorkomen worden en gelet op zijn problematiek is het daarom extra van belang dat zijn omgeving voorspelbaar en duidelijk is. De onvoorspelbaarheid van de bezoeken van de moeder en het gezin aan [accommodatie] vormen voor [minderjarige] een enorme stressbron waar hij dus niet mee om kan gaan. Wat de reden van de afzegging door de moeder ook is, de kinderrechter is met de GI van oordeel dat er zoveel mogelijk duidelijkheid en rust voor [minderjarige] moet ontstaan. Zoals toegelicht door de GI tijdens de zitting is al geprobeerd om de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat er twee weekenden achter elkaar bezoeken bij de moeder thuis hebben plaatsgevonden en één weekend bij [accommodatie] . Ook toen kwam de moeder twee keer een bezoekregeling niet na waardoor [minderjarige] in één weekend elf keer is geëscaleerd. Al het contact bij de moeder laten plaatsvinden biedt aldus ook geen (alternatieve) oplossing en geeft [minderjarige] ook niet de duidelijkheid waar hij zo’n behoefte aan heeft. Dit maakt niet dat de kinderrechter zich er niet van bewust is dat [minderjarige] het contact met zijn moeder als prettig ervaart en dat dit ontzettend belangrijk is voor hem. Echter is het van belang dat er afspraken worden gemaakt die voor de moeder haalbaar zijn en die zorgen voor duidelijkheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige] . Een vermindering van de contacten lijkt op dit moment gelet op de huidige omstandigheden passend te zijn, omdat dit bijdraagt aan het creëren van rust en het bieden van meer duidelijkheid in de situatie.
Conclusie
Gelet op hetgeen is overwogen, zal de kinderrechter het verzoek van moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing afwijzen. Met het geven van deze aanwijzing heeft de GI als doel gehad om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] (verder) weg te nemen. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling dient.
Beoordeling van het verzoek vaststellen zorgregeling
De kinderrechter is op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken van oordeel dat de in de schriftelijke aanwijzing vastgestelde zorgregeling in stand moet blijven en het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht.
Zoals hiervoor overwogen, heeft de GI volgens de kinderrechter voldoende onderbouwd waarom de zorgregeling beperkt moet blijven tot de in de schriftelijke aanwijzing vastgestelde duur en frequentie. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de GI samen met de ingezette hulpverlening al verschillende mogelijkheden heeft geprobeerd om de meer uitgebreide zorgregeling haalbaar voor de moeder te maken. Echter is dit tot op heden niet gelukt. Momenteel lijkt de huidige zorgregeling wel haalbaar voor de moeder te zijn. Dit acht de kinderrechter het meest in het belang van [minderjarige] . Op dit moment ziet de kinderrechter daarom geen aanleiding om een andere zorgregeling vast te stellen. Het is aan de GI om aan de hand van de omstandigheden en de ontwikkelingen van [minderjarige] te bekijken of het contact tussen [minderjarige] en de moeder op een passende wijze in de toekomst uitgebreid kan worden.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026, in aanwezigheid van mr. De Haard als griffier.
Tegen de eindbeslissing in deze beschikking ten aanzien van het vaststellen van een zorgregeling is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen de eindbeslissing in deze beschikking ten aanzien van een vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing staat geen hoger beroep open.