ECLI:NL:RBZWB:2026:3716

ECLI:NL:RBZWB:2026:3716

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer C/02/446376 / JE RK 26-500
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446376 / JE RK 26-500

Datum uitspraak: 3 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING regio Zeeland-West-Brabant,

locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [plaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gecertificeerde instelling, hierna de GI en ook JBB te noemen.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 maart 2026;

de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2026.

Bij voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2026 heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en is de zaak in de stand waarin zich deze bevindt, verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

[minderjarige] is erkend door de vader.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]

[minderjarige] woont bij haar moeder.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de Raad

Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. De ouders hebben een relatie gehad waaruit [minderjarige] is geboren. [minderjarige] heeft een halfzusje (7 jaar oud) uit een vorige relatie van de vader. In september 2024 is moeder samen met [minderjarige] vertrokken uit de gezamenlijke woning. Zij heeft zich in januari 2025 ingeschreven samen met [minderjarige] op een geheim adres. Er is sprake van een bij beschikking vastgestelde voorlopige regeling, waarin is bepaald dat er contact tussen [minderjarige] en de vader plaats vindt elke zondag gedurende twee aaneengesloten uren bij de vader thuis in aanwezigheid van de moeder. De voorlopige contactregeling is in de praktijk maar éénmaal uitgevoerd.

Er zijn zorgen over de emotionele veiligheid en de sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Zij heeft op jonge leeftijd in de periode dat de ouders nog bij elkaar waren, spanningen en geweld tussen haar ouders meegemaakt. Gezien wordt dat [minderjarige] terughoudend/vermijdend, wantrouwend en waakzaam gedrag laat zien en dat zij geen contact maakt met volwassenen. Dit wijst erop dat zij spanning en/of onveiligheid ervaart. [minderjarige] komt daardoor niet toe aan het ontwikkelen van zichzelf.

De moeder heeft twee maal aangifte gedaan tegen de vader met betrekking tot huiselijk geweld naar [minderjarige] . Volgens de moeder is ook zijzelf het slachtoffer geweest van fysiek geweld door de vader en is [minderjarige] daarvan getuige geweest. De ouders hebben uiteenlopende opvattingen over de voorgeschiedenis. De vader ontkent fysiek geweld te hebben gebruikt. Ook heeft hij benoemd dat [minderjarige] nooit in gevaar is geweest of dat zij zich door hem onveilig heeft hoeven voelen. [minderjarige] heeft bij haar gastouders aangegeven dat haar papa altijd boos was en dat haar ouders ruzie maakten en zij op dat moment boven was.

Bij de moeder is PTSS vastgesteld. Zij heeft hulpverlening/behandeling in de vorm van EMDR. De moeder laat blijken dat zij wil dat de vader geen zeggenschap meer over [minderjarige] heeft. Ook wil zij niet dat er tussen hen contact plaatsvindt. De vader heeft, nadat aan hem in mei 2024 een tijdelijk huisverbod is opgelegd, vrijwillig een behandeling ondergaan bij de [accommodatie] om aan zijn emotieregulatie problematiek te werken. Volgens de vader is dit traject afgerond, naar zijn zeggen omdat de behandeldoelen zijn behaald.

Een door beide ouders gevolgd traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) heeft niet het gewenste resultaat gehad. Ook is dit traject door de op dat moment betrokken hulpverlenende instanties en ondersteuners, te weten Veilig Thuis, De Gezinsmanager, de gastouders waar [minderjarige] in 2025 drie maal per week heen ging, het consultatiebureau, [hulpverlening] en de gastouders, als ongeschikt bestempeld. Als reden daarvoor werd door alle betrokkenen expliciet gewezen op de gebleken signalen van gevoelens van onveiligheid en kwetsbaarheid bij zowel de moeder als bij [minderjarige] en uitlatingen van de vader erop wijzend dat hij in zijn beleving “geframed” wordt, waar hij last van heeft.

De Raad concludeert op grond van de onderzoeksresultaten dat hulpverlening in een verplicht kader in de vorm van een ondertoezichtstelling met regievoering door een neutrale derde op dit moment in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Zonder deze regie bestaat het risico dat bij de ouders de gebleken verschillen in opvatting, perspectief en tempo blijven voortbestaan en daardoor de noodzakelijke stappen in het belang van [minderjarige] niet (kunnen) worden gezet of stagneren.

Concreet dient te worden gewerkt aan de volgende doelen:

- [minderjarige] kan zich emotioneel uiten, passend bij haar leeftijd;

- [minderjarige] voelt zich veilig in het contact met volwassenen;

- [minderjarige] ervaart rust en duidelijkheid van haar beide ouders;

- [minderjarige] heeft ouders die neutraal over elkaar spreken;

- Er is zicht op de veiligheid en op beschermende factoren bij de ouders en [minderjarige] ;

- Zodra er meer zicht is op de dynamiek van het geweld tussen ouders in het

verleden dient bezien te worden in hoeverre van de moeder verwacht mag

worden dat zij [minderjarige] emotioneel toestemming kan geven voor contact;

- Het zorgvuldig verkennen van de voorwaarden waaronder contact tussen [minderjarige]

en de vader in de toekomst mogelijk zou kunnen zijn.

Er dient in de eerste plaats te worden ingezet op rust, voorspelbaarheid en passende ondersteuning, die nodig is om ervoor te (kunnen) zorgen dat [minderjarige] zich overeenkomstig haar huidige leeftijd emotioneel veilig kan voelen, zij zich kan en durft te uiten en zij zich vrij voelt in het contact met volwassenen. De moeder dient haar persoonlijke hulpverlening voort te zetten en mee te werken aan gesprekken/ondersteuning om op de veiligheid en beschermende factoren voldoende zicht te krijgen. Van de vader wordt geduld verwacht en daarnaast medewerking aan de hulpverlening, wanneer dit nodig is, zoals het (alsnog) meewerken aan onderzoek volgens de Masic methode en gesprekken om de veiligheid en beschermende factoren te onderzoeken. Daarnaast dient te worden onderzocht of en zo ja in hoeverre de vader, indien/zodra [minderjarige] weer toe zal zijn aan contact, voldoende bij haar behoeften weet aan te sluiten.

Omdat de hulpverlening nog opgestart dient te worden en het naar verwachting veel tijd zal vragen om het stress systeem van [minderjarige] goed af te stellen en haar vertrouwen in anderen te herstellen acht de Raad een ondertoezichtstelling voor een periode van twaalf maanden noodzakelijk. Eerder heeft de Raad overwogen niet de Stichting Jeugd-bescherming Brabant (hierna: JBB) maar het Leger Des Heils (hierna: LDH) voor te stellen als de uitvoerende gecertificeerde instelling, omdat laatstgenoemde gecertificeerde instelling landelijk werkt en de ouders ver uit elkaar wonen. Echter rekening houdend met alle relevante factoren, te weten de complexe scheidingsproblematiek waarvan sprake is, de specialisaties van beide gecertificeerde instellingen en wachtlijstproblematiek acht de Raad het aangewezen dat in geval van toewijzing van het verzoek JBB met de uitvoering van de ondertoezichtstelling wordt belast.

5. Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat, hoewel zij het liever anders had gezien, zij op dit moment geen andere mogelijkheid ziet dan een ondertoezichtstelling van [minderjarige] om te kunnen gaan werken aan de factoren en omstandigheden die ervoor zorgen dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Al eerder is geprobeerd hulpverlening in een vrijwillig kader in te zetten, maar die heeft niet het gewenste effect gehad. Dit is in de visie van de moeder ook voor een belangrijk deel te wijten aan onvoldoende medewerking en instemming van de kant van de vader. De moeder hoopt/verwacht dat in het belang van [minderjarige] de vader zijn opstelling zal veranderen, ook als dit betekent dat hij aan onderzoek volgens de Masic methode dient mee te werken. Met deze toelichting kan de moeder achter het verzoek van de Raad staan, ook waar dit verzoek erop ziet dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan JBB wordt opgedragen.

6. Het standpunt van de GI

Namens de GI is opgemerkt dat zij de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , zoals die in de raadsrapportage zijn beschreven, volledig onderschrijft. Ook ziet zij de noodzaak van een verplicht kader middels een ondertoezichtstelling om aan de door de Raad geformuleerde doelen ter afwending van de ontwikkelingsdreiging te kunnen gaan werken. De GI kan daarom achter het verzoek van de Raad staan. Wel wijst zij erop dat er niet binnen afzienbare tijd een vaste jeugdbeschermer benoemd zal kunnen worden, nu er een wachttijd is van circa 5 maanden. Wel zal er, vooruitlopend daarop, al met de ouders contact worden gezocht om te inventariseren welke hulpverlening er nodig is en zal die hulpverlening waar mogelijk alvast in gang worden gezet.

7. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De relatie van de ouders van [minderjarige] is beëindigd. Gezien wordt bij [minderjarige] dat zij spanning en onveiligheid ervaart en dat sprake is van terughoudend, vermijdend, wan-trouwend en waakzaam gedrag. Uit het raadsonderzoek is aannemelijk geworden dat spanningen en geweld tussen haar ouders en deels mogelijk ook naar [minderjarige] gericht daaraan (mede) ten grondslag liggen. Hulpverlening voor de ouders en voor [minderjarige] is nodig gebleken om eraan te kunnen gaan werken dat [minderjarige] zich emotioneel en veilig leeftijdsadequaat kan uiten, dat er tussen de ouders sprake is van zodanige communicatie, samenwerking en afstemming in het belang van [minderjarige] dat dit aan haar houvast en duidelijkheid biedt en dat contact tussen [minderjarige] en haar vader (weer) mogelijk wordt. Gebleken is bij de ouders dat hun onderlinge visies daarover verschillen. Ook is bij beide ouders afzonderlijk sprake van kwetsbaarheid, nu beiden kampen met individuele problematiek. Bij elkaar heeft dit tot gevolg gehad dat de tot dusver geprobeerde hulpverlening in een vrijwillig kader niet of onvoldoende van de grond is gekomen. Een duidelijk en begrensd kader in de vorm van een ondertoezichtstelling is daarom nodig om de impasse, waarin de situatie is geraakt te kunnen doorbreken en ervoor te zorgen dat het belang van [minderjarige] bij een verantwoorde en veilige (verdere) ontwikkeling weer voorop komt te staan.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI, in dit geval JBB. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat ondanks de zorgelijke berichten vanuit JBB, snel een vaste jeugdbeschermer wordt aangewezen die [minderjarige] en haar ouders kan begeleiden.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 3 april 2026 tot 3 april 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 1 mei 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand