RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/446562 / JE RK 26-532 – C/02/446564 / JE RK 26-533
Datum uitspraak: 3 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OUDENBOSCH,
hierna te noemen het college,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet te Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de tussenbeslissing van de kinderrechter van 27 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
de verklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper betreffende gesloten jeugdhulp, gedateerd 27 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met haar advocaat;
de vader;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van het college.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [accommodatie 1] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 maart 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 10 april 2026.
3. Het (resterend) verzoek
Ter beoordeling ligt voor of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat de spoedbeslissing van 27 maart 2026 moet worden herroepen. Daarnaast ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek van het college in de zaak met het kenmerk C/02/446562 / JE RK 26-532 tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken en het verzoek in de zaak met het kenmerk C/02/446564 / JE RK 26-533 tot het verlenen van een aansluitende reguliere machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken. De ouders hebben schriftelijk ingestemd.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek is door het college schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] bekend is met ADHD, wat zich uit in impulsiviteit. Er zal nog onderzoek worden verricht naar haar intelligentieniveau. [minderjarige] laat een patroon zien van snel escalerend gedrag, waaronder wegloopgedrag, agressie, zelfbeschadigend gedrag en het dreigen met messen. [minderjarige] geeft aan onvoldoende controle te ervaren over haar handelen. Ook geeft zij aan stemmen te horen die haar opdrachten geven en dat die stemmen er niet of minder zijn als zij niet thuis is. Deze situatie leidt tot acute onveiligheid voor haarzelf en voor haar omgeving. In het verleden is hulp-verlening ingezet vanuit [hulpverlening 1] en vervolgens in de afgelopen maanden crisishulp door middel van een opname op een groep, crisisbeoordelingen door FACT Jeugd vanuit GGZ WNB, ambulante Hulp bij Spoed, een opname op de [afdeling] (HIC) en tweemaal een opname bij [accommodatie 2] . Al deze vormen van hulpverlening hebben niet het beoogde resultaat gehad. Gedurende deze hulpverlening en opnames heeft [minderjarige] ook suïcidaal, dreigend/agressief en kopieergedrag laten zien. De ouders van [minderjarige] hebben recent aangegeven dat zij gaan scheiden. Het gezinssysteem is overbelast geraakt. De vader ontvangt voor zichzelf hulpverlening wegens een burn-out. [minderjarige] heeft het MBO niveau 2 afgerond. Zij zou starten met een tussen halfjaar en doorstromen naar niveau 3. Dit is niet door gegaan sinds medio januari 2026 de problemen bij haar zijn gaan spelen.
Op 25 maart 2026 is [minderjarige] thuis gekomen na een opname van [accommodatie 2] . Vrijwel direct na thuiskomst is de situatie heftig geëscaleerd. [minderjarige] heeft een schilmesje gepakt en zij heeft daarmee in het rond gezwaaid en fysiek agressief gedrag vertoond. Toen de vader haar wilde overmeesteren is dit uitgemond in een fysieke confrontatie waarna politie-interventie noodzakelijk bleek en de situatie thuis onhoudbaar werd. [minderjarige] is diezelfde avond heropgenomen bij [accommodatie 2] . Echter betrof dit eerder en ook nu een opname op basis van coulance, wat betekent dat naar een andere hulpverlenende instelling moest worden gezocht. Vervolgens kon [minderjarige] niet eerder dan per 2 april 2026 elders, te weten bij [accommodatie 1] worden geplaatst.
[minderjarige] heeft laten zien dat zij gedragsmatig zaken inzet waardoor er onveilige situaties ontstaan voor haarzelf en voor anderen. Waar deze acties eerst nog op haarzelf waren gericht gaat zij nu de confrontatie met anderen aan. Ook op open groepen heeft zij meermalen laten zien dat zij zichzelf in onveilige situaties brengt, dat zij wegloopt en er niet altijd zicht is op waar zij verblijft. Gesloten jeugdhulp ziet het college nog als enige optie om de veiligheid van [minderjarige] en die van anderen te kunnen borgen. Hoewel het niet de bedoeling is dat [minderjarige] langdurig gesloten geplaatst zal zijn, acht het college het op dit moment van belang dat vanuit de geslotenheid onderzoek wordt gedaan naar wat [minderjarige] nodig heeft, gelet op haar complexe (gedrags)problematiek, om voldoende veilig en verantwoord naar een open groep te kunnen doorstromen. Aan de hand van deze onderzoeksresultaten zal het college vervolgens kunnen bepalen welk vervolgtraject voor [minderjarige] het meest aangewezen is en welke machtiging tot uithuisplaatsing daarvoor nodig is.
5. Het standpunt van [minderjarige] en haar advocaat
[minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft verklaard dat zij zich bij [accommodatie 1] niet prettig voelt. Zij heeft daar nauwelijks vrijheden en zij heeft ook geen dagbesteding. Bij de GGZ had zij wel een fijne plek en beschikte zij over voldoende mogelijkheden om te sporten en creatieve activiteiten te ondernemen. Zij heeft inmiddels minder last van stemmen in haar hoofd. Liever vandaag nog dan morgen wil zij weg uit [accommodatie 1] . Zij wil ofwel terug naar de GGZ of eventueel geplaatst worden op een open groep.
De advocaat van [minderjarige] heeft - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] op een leeftijd is die met zich brengt dat er met haar mening serieus rekening dient te worden gehouden. [minderjarige] is duidelijk in haar standpunt. Zij realiseert zich dat zij op dit moment niet terug naar huis kan. Echter wil zij ook niet langer bij [accommodatie 1] blijven, nu zij zich daar niet prettig voelt. Als haar advocaat volgt zij [minderjarige] in deze wens. Daarbij betrekt zij in de eerste plaats dat de gedragswetenschapper heeft ingestemd met gesloten jeugdhulp voor slechts 4 weken. Dit terwijl er geen concreet plan van aanpak ligt, waaruit blijkt of er in dat tijdsbestek sprake zal zijn van onderzoek, dan wel hulpverlening en/of behandeling. Het lijkt er nu op dat deze beperkte periode alleen zal (kunnen) worden gebruikt ter observatie. In dat geval kan [minderjarige] gedurende de resterend verzochte, waarvoor de gesloten jeugdhulp is verzocht, beter bij de GGZ verblijven. Het ligt daarom op de weg van het college om daartoe de mogelijkheden te onderzoeken.
6. De standpunten van de belanghebbenden
De moeder heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] sinds een aantal maanden een gedragsverandering laat zien, waardoor er situaties ontstaan, waarmee zij zichzelf en anderen in gevaar brengt. [minderjarige] laat ook zien dat haar hoofd continu vol zit en dat zij hulpverlening nodig heeft. Hoewel zij begrijpt dat [minderjarige] , nu zij pas sinds kort bij [accommodatie 1] is geplaatst, moeite heeft met de daar gehanteerde aanpak, ziet zij op dit moment geen andere optie dan deze vorm van gesloten jeugdhulp om ervoor te zorgen dat [minderjarige] de hulpverlening en behandeling krijgt die zij nodig heeft.
De vader sluit zich aan bij dat wat door de moeder naar voren is gebracht. Hij licht toe dat hem en de moeder is gebleken dat [accommodatie 1] vergeleken met de GGZ over meer mogelijkheden beschikt qua hulpverlening, behandeling en dagbesteding om aan [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft.
7. De beoordeling
De kinderrechter stelt in de eerste plaats vast dat niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeslissing van 27 maart 2026 moet worden herroepen.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting zeer duidelijk maken dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp ook op dit moment nog noodzakelijk is, nu daaruit blijkt van een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of zij daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. Daarbij betrekt de kinderrechter dat [minderjarige] thuis een terugkerend patroon liet zien van snel escalerend gedrag in de vorm van zelfbeschadiging, weglopen en agressief/dreigend gedrag waaronder met behulp van messen. Deze situatie leidde tot acute onveiligheid voor haarzelf en voor personen in haar directe omgeving. Ook stagneerde daardoor haar schoolopleiding en is het gezinssysteem overbelast geraakt. Uiteindelijk is op 25 maart 2026 de situatie thuis zodanig geëscaleerd dat politie-interventie noodzakelijk was om de situatie thuis te stabiliseren. [minderjarige] is per direct heropgenomen bij [accommodatie 2] . Echter bij gebreke van een indicatie en/of machtiging kon [minderjarige] daar niet opgenomen verblijven.
Per 2 april 2026 is [minderjarige] bij [accommodatie 1] geplaatst. Hoewel aangenomen wordt dat [minderjarige] kampt met individuele problematiek, nu zij aangeeft stemmen te horen en dat haar hoofd vol zit, heeft de tot dusver ingezette hulpverlening, te weten in het verleden door onder meer [hulpverlening 1] en meer recent [hulpverlening 2] en GGZ (FACT) geen of althans onvoldoende resultaat gehad. Gesloten jeugdhulp wordt daarom noodzakelijk geacht om vanuit rust en stabiliteit onderzoek te kunnen laten plaats vinden naar wat [minderjarige] nodig heeft om veilig en verantwoord naar een open groep te kunnen doorstromen. Dit betekent op dit moment, hoe vervelend en spijtig ook voor [minderjarige] , dat zij bij [accommodatie 1] geplaatst dient te blijven. Van het college wordt verwacht dat zij in overleg met [accommodatie 1] ervoor zal zorgen dat, zodra de onderzoeksresultaten voorhanden zijn, er een plan van aanpak wordt opgesteld, dat aan [minderjarige] en haar ouders duidelijkheid biedt welk traject er gevolgd zal gaan worden om haar uiteindelijk naar een open groep te kunnen laten doorstromen en zich verder op haar toekomst te kunnen gaan richten.7.4 De kinderrechter stelt vast dat de gedragswetenschapper heeft ingestemd met gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken, rekenend vanaf 27 maart 2026. Dit betekent dat de kinderrechter thans maximaal een machtiging kan afgeven voor deze duur. De kinderrechter zal de machtiging mitsdien afgeven tot 24 april 2026 en de verzoeken voor het overige afwijzen.
8. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp tot 24 april 2026.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: