RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446538 / JE RK 26-525
Datum uitspraak: 3 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de door deze rechtbank mondeling op 26 maart 2026 gegeven tussenbeslissing, schriftelijk bevestigd op 27 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
twee vertegenwoordigsters van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
Tevens is verschenen mevrouw [persoon] , tolk in de Poolse taal, [registratienummer] .
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder - formeel - in een moeder- en kindhuis.
3. Het (resterende) verzoek
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 april 2026. Ter beoordeling ligt voor of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat de spoedbeslissing van 26 maart 2026 moet worden herroepen. Daarnaast ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek van de Raad tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode tot 26 juni 2026.
De beslissing op dit restantverzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling ter zitting, waarvoor de moeder, de Raad en de GI zijn opgeroepen.
4. Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat er veel zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de moeder en de relatie tussen de ouders die een ernstige bedreiging vormen voor de sociale, fysieke en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Die zorgen omvatten:
(vermoedelijk) middelengebruik door de ouders;
het onvermogen van de ouders om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] ;
structureel sociaal wenselijk gedrag van de ouders, waardoor risico-inschatting wordt bemoeilijkt;
het verlaten van de instelling zonder voorbereiding of het meenemen van de noodzakelijke spullen voor [minderjarige] ;
ouders die primair gericht zijn op elkaar in plaats van op de behoeften van [minderjarige] ;
verstoring van het dag- en nachtritme van [minderjarige] ;
het ontbreken van een stabiele, veilige en gestructureerde opvoedomgeving.
De Raad licht toe dat gezien wordt bij de ouders dat zij zorg mijdend zijn en dat er sprake is van afhankelijkheid van middelengebruik (drugs en alcohol) en van intieme terreur binnen hun relatie. Ten aanzien van de vader is bekend dat hij een psychose heeft doorgemaakt, waarvoor een zorgmachtiging ter behandeling is opgelegd. De GGZ heeft aangegeven dat de vader zich niet houdt aan de behandelafspraken en dat er onvoldoende zicht is op therapietrouw met betrekking tot het medicatiegebruik.
Per 4 februari 2026 is de moeder met [minderjarige] in het kader van een crisis-interventie geplaatst in een moeder-kindhuis. Waar het de moeder betreft geldt dat in eerste instantie sprake was van stabilisatie en werd tevens een positieve ontwikkeling gezien in de hechting tussen haar en [minderjarige] . Ook bleek de fysieke gesteldheid en uitstraling van [minderjarige] zichtbaar verbeterd. Er blijkt echter per 17 maart 2026 van een kentering sprake. Sindsdien houdt de moeder zich niet langer aan de geldende afspraken. Zo verschijnt de vader herhaaldelijk onaangekondigd en ongewenst op het terrein op uitnodiging van moeder. Ook is eerder met de ouders gesproken over het opstarten van begeleide omgangs-momenten, maar nemen de ouders hierin vervolgens een zelf bepalende houding aan. Dit blijkt onder meer uit de aanwezigheid van de vader in de avonduren (rond 20:00 uur en later), wat tot gevolg heeft dat het slaapritme van [minderjarige] verstoord is geraakt. Daarnaast is gebleken van signalen duidend op middelengebruik door de ouders.
Op 26 maart 2026 heeft de moeder - tegen de gemaakte afspraken in - via het raam met [minderjarige] de instelling verlaten. Hoewel er daarna contact is geweest met de moeder is niet duidelijk geworden waar zij ten tijde van de zitting met [minderjarige] verblijft. Inmiddels houdt de moeder zich onbereikbaar voor de hulpverlening. Verder contact met zowel de moeder als met de vader is niet mogelijk gebleken.
Het is in de opvatting van de Raad, rekening houdend met de zorgen zoals hiervóór toegelicht, voor de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] van belang dat zo spoedig mogelijk haar huidige verblijfplaats en omstandigheden worden achterhaald. Een OAT (Opsporing Aanhouding en Terugbrengen) wordt noodzakelijk geacht. Daarbij speelt in belangrijke mate een rol dat de ouders laten zien dat het hen ontbreekt aan voldoende inzicht in de zorgen rondom [minderjarige] . Dit ondanks dat hen herhaaldelijk daarover uitleg is gegeven met behulp van een Poolse tolk en betrokken Poolse ambulante begeleiding. Ook is [hulpverlening] al ruim een jaar betrokken bij het gezin en hebben de ouders laten zien, ondanks deze intensieve hulpverlening, er niet in te slagen voor [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedomgeving te creëren. De ouders tonen zich niet leerbaar en zij handelen structureel niet in het belang van [minderjarige] . Als mogelijke opties ziet de Raad ofwel een hernieuwde opname van de moeder en [minderjarige] in het moeder- en kindhuis, dat de plek voor de moeder en [minderjarige] nog open heeft, ofwel een uithuisplaatsing van [minderjarige] in het geval dat de moeder niet aan een veilig verblijf bij het moeder- en kindhuis meewerkt en zij zich ook niet aan de bestaande afspraken houdt.
5. Het standpunt van de GI
Namens de GI is mondeling naar voren gebracht dat zij vaststelt dat, ondanks dat de GI van de moeder op 2 april 2026 een Whats App bericht heeft ontvangen, waarin zij aangaf naar de zitting te zullen komen, zij alsnog niet is verschenen. De GI erkent de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , zoals door de Raad in de onderzoeksrapportage beschreven. Deze zorgen zijn zelfs toegenomen sinds de laatste berichtgeving vanuit het moeder- en kindhuis, waaruit blijkt van ernstige zorgen over de hygiëne en verzorging van moeder en kind en signalen duidend op middelengebruik door de moeder. Daarbij komt nog dat de GI op 30 maart 2026 het bericht heeft bereikt dat de moeder met [minderjarige] uit het moeder- en kindhuis zou zijn weggegaan en dat zij inmiddels met [minderjarige] in Polen zou verblijven. Uit de nadien door de GI verkregen gegevens is haar gebleken dat de moeder met [minderjarige] inmiddels (weer) in Nederland zou zijn. Zij zouden zich bevinden op het adres, waar de moeder op dit moment staat ingeschreven. De jeugdbeschermer heeft vervolgens aangebeld bij dit huisadres, maar daar werd niet open gedaan. Er is daarnaast een OAT uitgezet, maar ook dit heeft tot dusver niets opgeleverd.
Uit de uitlatingen van de moeder bij het moeder en kindhuis heeft de GI kunnen opmaken dat zij vreest [minderjarige] kwijt te zullen raken. Dit lijkt een belangrijke rol te spelen bij de problemen die de GI ervaart bij het komen tot (contact)afspraken met de moeder hetzij bij haar thuis, hetzij op het kantoor van de GI. De GI ziet zich voor de situatie geplaatst dat er forse zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] , zoals door de Raad in de rapportage beschreven en erkend door het moeder- en kindhuis. De GI wenst, nu aannemelijk is geworden dat de moeder met [minderjarige] (weer) in Nederland verblijft, alles in het werk te stellen om te proberen met de moeder in contact te komen en er op die manier voor te zorgen dat de voorlopige ondertoezichtstelling alsnog kan worden uitgevoerd. Met deze toelichting kan de GI achter de spoedbeslissing staan, waarbij [minderjarige] voorlopig onder toezicht is gesteld tot 9 april 2026, alsook achter een toewijzing van het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling tot 26 juni 2026.
6. Het (nader) standpunt van de Raad
In reactie op het standpunt van de GI is namens de Raad naar voren gebracht dat de Raad blijft bij zijn verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling, ook voor de resterend verzochte periode. De Raad wijst in dat verband op de uit het onderzoek gebleken zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , alsook de recente ontwikkelingen, zoals door de GI ter zitting toegelicht, waardoor de zorgen rondom [minderjarige] en met name haar veiligheid alleen maar zijn toegenomen. Uitgaande van die situatie heeft de Raad overwogen alsnog mondeling een verzoek aan de rechtbank te doen tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel de Raad om processuele redenen daarvan af ziet laat de Raad aan de GI ter beoordeling of/wanneer een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] alsnog noodzakelijk is en zo dit het geval blijkt bij de rechtbank een (spoed)verzoek in te dienen.
7. De beoordeling
Aangezien [minderjarige] en de moeder de Poolse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten dient de rechtbank vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de Raad.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de Raad te beoordelen, nu de minderjarige [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats had in Nederland. Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.
Naar het oordeel van de kinderrechter is uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken van feiten en/of omstandigheden, die maken dat de spoedbeslissing van 26 maart 2026 dient te worden herroepen.
Ook strekken de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds tot de overtuiging dat sprake is van een ernstig vermoeden dat de grond voor een ondertoezichtstelling, als bedoeld in artikel 1:255 BW, is vervuld en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat in het kader van een crisis interventie [minderjarige] en de moeder op 3 februari 2026 in een moeder- en kind huis zijn geplaatst wegens onophoudelijke ernstige zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders, signalen duidend op intiem terreur binnen het gezin, het niet (kunnen) nemen van beslissingen in het belang van [minderjarige] , zorg mijdend gedrag en afhankelijkheid van middelengebruik. Gedurende de plaatsing in het moeder- en kindhuis werd aanvankelijk een gunstige ontwikkeling gezien in de ontwikkeling van [minderjarige] en de hechting tussen haar en de moeder. Daarin is echter een omslag gekomen, omdat de ouders zich vervolgens niet meer aan de gemaakte bezoekafspraken en omgangsmomenten hielden. Daarbij komt dat de moeder op 26 maart 2026 het moeder- en kindhuis heeft verlaten. Er is vervolgens geen of althans sporadisch contact geweest tussen de moeder en de GI. Daardoor was de GI op dat moment niet op de hoogte van het werkelijke verblijf van [minderjarige] en de moeder en kon c.q. kan er tot op heden aan de voorlopige ondertoezichtstelling geen uitvoering worden gegeven.
Naar de GI veronderstelt zou de moeder op of omstreeks 30 maart 2026 met [minderjarige] in Polen hebben verbleven, maar verblijft zij inmiddels weer met [minderjarige] in Nederland op het adres waar zij op dit moment staat ingeschreven. Echter hebben pogingen van de jeugdbeschermer om de moeder op dat adres te bezoeken voor het maken van nadere contactafspraken geen resultaat gehad, omdat door de moeder niet werd open gedaan. Er is tevens een OAT uitgezet, echter vooralsnog ook zonder enig resultaat. Op grond van al deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, ter voorkoming dat zij en de moeder voor de GI geheel uit beeld zullen raken en er een situatie ontstaat waarin de GI niet over mogelijk-heden beschikt tot het inzetten van hulpverlening, het voeren van regie daarover, ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging, waarnaar hiervóór in alinea 7.4 is verwezen en het betrekken van de vader bij die hulpverlening.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige] op grond van artikel 1:257 BW voorlopig onder toezicht stellen van de GI, voor de resterend verzochte duur, te weten met ingang van heden tot 26 juni 2026.
8. De beslissing
De kinderrechter:
handhaaft de beslissing in deze zaak van 26 maart 2026;
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van heden tot 26 juni 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk bevestigd op 10 april 2026.