beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/395223 / FA RK 22-945
Datum uitspraak: 3 april 2026
Eindbeschikking betreffende wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.M.G. Cox te Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr A.J.Y.M. Thomas te Breda,
en in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie te Tilburg, hierna te noemen de GI,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,
hierna: [minderjarige 1] ;
en[minderjarige 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014,
hierna: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt ook aangemerkt:
de bijzondere curator mr. L.E. SWART, advocaat,
kantoorhoudende te Roosendaal,
waargenomen door mr. B.P.A. van Beers,
hierna te noemen de bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over nader over de verzoeken geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van 3 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de bijzondere curator van 10 december 2025;
- het F9-formulier van mr. Thomas van 10 december 2026 met producties 7 tot en met 10;
- het F9-formulier van mr. Cox van 16 december 2025 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Cox van 20 januari 2026 met bijlagen, houdende een wijziging van het verzoek;
- het bericht van de bijzondere curator van 18 februari 2026 betreffende waarneming tijdens de mondelinge behandeling;
- het F9-formulier van mr. Thomas van 2 maart 2026 met bijlagen.
Op 12 maart 2026 is de mondelinge behandeling van de restverzoeken voortgezet. Bij deze behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook waren aanwezig de waarnemer van de bijzondere curator, een vertegenwoordigster namens de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad. De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een stagiaire van mr. Thomas.
De behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek strekkende tot wijziging van de verdeling zorg- en opvoedingstaken en het verzoek strekkende tot vervangende toestemming voor medische behandeling van [minderjarige 2] . Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers C/02/443117 / JE RK 25-2259 respectievelijk C/02/444948 / JE RK 26-24. De beslissing in de andere zaken wordt in aparte beschikkingen opgenomen.
2. De feiten
Bij beschikking van 11 juni 2024 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat de beschikkingen van 7 juni 2022, 22 december 2022 (C/02/395223 FA RK 22-945) en 18 april 2024 (C/02/421472 JERK 24-699) worden gewijzigd in die zin dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar minimaal twee keer per maand, waarbij de regie over de locatie, de begeleiding, de duur en een eventuele uitbreiding van de frequentie in handen is van de GI.
Bij beschikking van 3 juni 2025 is de verdere behandeling van de zaak nogmaals aangehouden tot 16 december 2025 in afwachting van het bericht van de GI, de advocaten van partijen en de bijzondere curator.
3. De gewijzigde verzoeken
Aan de orde zijn thans de navolgende verzoeken:
van de vrouw:
om te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd is tot contact met de minderjarigen éénmaal per maand gedurende één uur onder begeleiding van de GI.
van de man:
I. primair
om te bepalen dat de reguliere zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 14 december 2018 zal worden gecontinueerd, dan wel
subsidiair
te bepalen dat deze regeling zal worden gewijzigd/aangepast op de wijze zoals de regeling voorlopig is vastgesteld tussen partijen, in die zin dat de kinderen vanaf donderdag 08.30 uur (bij een vrije dag) dan wel donderdag uit school bij de man verblijven in plaats van vanaf woensdag 18.00 uur en dat de kinderen op vrijdag bij de man verblijven uit school om 14.45 uur in plaats van om 18.00 uur en dat de kinderen tot maandag 08.30 uur bij de man verblijven in plaats van tot zondag 18.00 uur en
meer subsidiair
te bepalen dat de kinderen voortaan hun hoofdverblijf zullen hebben bij de man en gedurende een weekend per veertien dagen bij de vrouw zullen verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school;
II. om te bepalen dat de kinderen gedurende de vakantieperiodes en feestdagen bij ieder van partijen zijn als volgt:
a. de door de vrouw voorgestelde vakantieregeling met betrekking tot de zomerperiode wordt bekrachtigd, doch met dien verstande dat de wisseling in de derde vakantieweek niet op vrijdag plaatsvindt maar op zaterdag 18.00 uur en dat de wisseling na de zesde vakantieweek plaatsvindt op maandag via school en niet op vrijdag om 16.00 uur;
b. de vakanties van een week van de kinderen te alterneren in die zin, dat de kinderen in de even jaren gedurende de voorjaarsvakantie bij de man zullen verblijven en gedurende de herfstvakantie bij de vrouw zullen verblijven en in de oneven jaren gedurende de voorjaarsvakantie bij de vrouw zullen verblijven en gedurende de herfstvakantie bij de man zullen verblijven;
c. ten aanzien van de vakanties van twee weken te bepalen dat deze tussen partijen zullen worden gealterneerd in die zin dat de kinderen in de even jaren tijdens de kerstvakantie bij de man zullen verblijven en tijdens de meivakantie bij de vrouw en in de oneven jaren tijdens de kerstvakantie bij de vrouw zullen verblijven en tijdens de meivakantie bij de man;
d. de regeling met betrekking tot Goede Vrijdag, Pinksteren, Hemelvaartsdag en de verjaardag van de kinderen zoals door de vrouw verzocht wordt bekrachtigd, met dien verstande dat de ouder waar het kind niet verblijft op de verjaardag van het kind, het kind die dag telefonisch of via beeldbellen kan feliciteren;
III. om te bepalen dat partijen worden veroordeeld om – indien [persoon] niet alsnog de hulp aan [minderjarige 2] wil bieden – samen binnen 14 dagen na de door de rechtbank af te geven beschikking in deze een nader door u of de huisarts aan te wijzen (particuliere) zorginstantie te benaderen, die de benodigde professionele hulp aan [minderjarige 2] op korte termijn kan gaan bieden en daarbij te bepalen dat ieder van partijen de helft van deze kosten dient te dragen.
4. De standpunten
De bijzondere curator heeft op 10 december 2025 bericht, dat er sinds de vorige beschikking weinig stappen zijn gezet. De minderjarigen zijn nog steeds bang voor de woede van de man en vrezen dat hij vragen gaat stellen en dat hij hen uithoort. De bijzondere curator vindt het jammer, dat een herstelgesprek tussen de man en de minderjarigen nog niet heeft plaatsgevonden. Het is volgens de bijzondere curator aan de hulpverlening en de man om een oplossing te vinden voor de angsten van de minderjarigen. Het is in het belang van de minderjarigen, dat zij weer een vrij en onbelast contact met de man kunnen hebben. De bijzondere curator proeft bij [minderjarige 1] wel ruimte voor uitbreiding van het contact. Volgens de bijzondere curator kan de zorgregeling wellicht worden uitgebreid, zij het dat de minderjarigen nadrukkelijk willen dat de contacten worden begeleid. De bijzondere curator licht nog toe, dat ervoor is gekozen om tijdens het gesprek met [minderjarige 2] de vrouw in de naastgelegen ruimte te laten wachten. [minderjarige 2] is bij een eerdere afspraak in paniek geraakt, toen hij de vrouw niet meteen zag na afloop van het gesprek. Volgens de bijzondere curator was er geen lichamelijk, visueel of auditief contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] . De bijzondere curator heeft gezien dat de man moeite heeft met het gebruik van de term “boosheid”, maar deze term is bewust gekozen. Gelet op het eerder gegeven advies door de bijzondere curator, kan zij instemmen met het gewijzigde verzoek van de vrouw.
De GI licht het verloop van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen toe. Er is veel tijd verstreken met het zoeken naar een passende zorgaanbieder, die het contact tussen de man en de minderjarigen zou kunnen begeleiden. [hulpverlening 1] is bereid gevonden om het contact te begeleiden en te evalueren. De GI heeft op basis van die evaluatie haar conclusies getrokken. De ondertoezichtstelling van de minderjarigen duurt al jaren en er is ontzettend veel hulpverlening ingezet ter verbetering van de oudercommunicatie en om te onderzoeken of partijen gezamenlijk de ouderlijke verantwoordelijkheid kunnen dragen. De contacten tussen de man en de minderjarigen blijven echter moeizaam verlopen, wat zijn weerslag heeft op de communicatie tussen partijen. De vrouw is de hoofdopvoeder van de minderjarigen. De zorg voor de minderjarigen vraagt veel van haar. De vrouw heeft met name in de zorg voor [minderjarige 2] ondersteuning nodig. Hij is voor behandeling van zijn autisme aangemeld bij [stichting] . Zijn gedrag vraagt veel aandacht van zijn opvoeders. De contacten tussen de man en de minderjarigen laten vaak hetzelfde beeld zien. Zij ondernemen samen een activiteit. De man stelt vragen aan de minderjarigen, zoals: “Hoe gaat het met je?” en “Hoe gaat het op school?”. Het is ook lastig voor de man, omdat hij de minderjarigen veel te weinig ziet. De man heeft in het contact met de minderjarigen begeleiding nodig. Met hem wordt doorgesproken wat hij gaat doen en op welke manier. Gedurende het uur dat er contact is, gaat het prima met de man en de minderjarigen. Zij ervaren het contact als leuk, mits er begeleiding bij is en het niet langer duurt dan een uur. De minderjarigen zijn daarover naar de GI steeds heel stellig geweest en dat zijn ze nog steeds. De GI heeft in het verslag van de bijzondere curator gelezen dat [minderjarige 1] mogelijk open staat voor meer contact met de man. Volgens de GI is [minderjarige 1] nog steeds angstig voor het contact met de man, wat blijkt uit haar nadrukkelijke eis dat het contact, ook bij uitbreiding, wordt begeleid. De GI ziet dat [minderjarige 1] het meest in een loyaliteitsconflict zit. Tegenover de GI heeft zij nooit gezegd dat zij meer contact met de man zou willen. Het is volgens de GI bovendien praktisch niet mogelijk om meer contact te organiseren. Partijen beschikken niet over een gezamenlijk netwerk, waar zij een beroep op zouden kunnen doen om de contacten te begeleiden. Het komt dan neer op professionals, die niet altijd even flexibel kunnen zijn. De mogelijkheid om uit te breiden wordt ook beperkt door de verschillende schooltijden en de reistijd naar [plaats 3] waar het contact plaatsvindt. Het is volgens de GI tijd om naast de minderjarigen te gaan staan en om rust te creëren. Al vier jaar is er geprobeerd om het patroon te doorbreken en om samen te werken met de man. De man blijft echter wijzen naar iedereen om hem heen. Het is aan hem om aan zichzelf te werken en om tot samenwerking te komen. Tot dat moment moet er volgens de GI niet meer gewerkt worden naar uitbreiding van het contact of om opvoedtaken bij de man te leggen. Het proberen moet volgens de GI nu stoppen. De minderjarigen zijn het meest gebaat bij een duidelijke zorgregeling, die wordt begeleid en geobserveerd door een professionele instantie. Als er dan ruimte ontstaat voor uitbreiding, dan kan daarop worden ingezet. Het zijn de minderjarigen die steeds weer de dupe zijn van de persoonlijkheidsproblematiek van de man. Zij moeten elke keer kennismaken met nieuwe hulpverleners, omdat de samenwerking met de man telkens stuk loopt. Het wil heel wat zeggen, dat de betrokken hulpverleners, die zeer ervaren zijn, uit de samenwerking stappen, omdat het contact met de man erg moeizaam is. De man heeft onvoldoende geprofiteerd van de geboden hulpverlening. Hij is uitgenodigd om met de minderjarigen een herstelgesprek te voeren, maar heeft nagelaten om daarvoor de eerste stap te zetten. Dit is voor de GI dan ook geen reden om tot een andere conclusie te komen.
De vrouw heeft haar standpunt uitgebreid toegelicht in de brief van 20 januari 2026. De minderjarigen hebben bij de bijzondere curator aangegeven dat zij een beperkt contact met de man wensen van éénmaal per maand, onder begeleiding. De vrouw betwist met klem dat zij de minderjarigen zou hebben beïnvloed over wat zij tegen de bijzondere curator zouden moeten zeggen. De vrouw heeft haar verzoek gewijzigd, overeenkomstig het verzoek van de GI over het contact tussen de man en de minderjarigen. Zij heeft echter twijfels of de man in staat is om deze regeling uit te voeren, zonder de minderjarigen te belasten. De vrouw zegt evenwel haar medewerking toe. Uit het gesprek tussen [minderjarige 2] en de bijzondere curator blijkt volgens de vrouw dat de man regelmatig boos is geworden op de begeleiding. Ook [minderjarige 1] heeft dit bevestigd. De vrouw trekt hieruit de conclusie dat het de man niet lukt om zich te focussen op de minderjarigen en te zorgen voor een veilige omgang met hen. Volgens de vrouw moet er geluisterd worden naar de wens van de minderjarigen. Zij stelt verder dat zij en de minderjarigen gebaat zijn bij rust en duidelijkheid. Ondanks de ingezette hulpverlening zijn partijen niet in staat gebleken om als ouders samen te werken en op respectvolle en gelijkwaardige wijze op te trekken. De vrouw wijst er hierbij op dat zij steeds heeft meegewerkt aan de ingezette hulpverleningstrajecten. Uit de stukken van de GI blijkt volgens de vrouw, dat het met name de man is geweest die, uit wantrouwen, het voortdurend heeft laten afweten en waardoor hulpverleningstrajecten voortijdig zijn beëindigd. De vrouw vindt het verder onbegrijpelijk dat de man geen inzage geeft in het bij hem afgenomen persoonlijkheidsonderzoek. Via [hulpverlening 2] krijgen [minderjarige 2] en de vrouw opvoedondersteuning, maar deze is niet gespecialiseerd genoeg om met de problematiek van [minderjarige 2] om te gaan. [minderjarige 2] is daarom voor behandeling van zijn autisme aangemeld bij [stichting] . Ook de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] is door problemen in de samenwerking met de man beëindigd. De man lijkt niet open te willen of kunnen staan voor de hulp en begeleiding van de tot op heden betrokken hulpverlening. De vrouw heeft er geen enkel vertrouwen meer in dat de man op enig moment wel in staat is om een vrij en onbelast veilig contact met de minderjarigen te hebben. De vrouw vraagt de rechtbank dan ook om te bepalen dat de man enkel nog begeleid contact heeft met de minderjarigen gedurende maximaal éénmaal per maand één uur, conform het verzoek van de GI. Zij heeft er geen bezwaar tegen als de omgang op termijn wordt uitgebreid, als die plaatsvindt onder begeleiding en onder regie van de GI. Zo’n uitbreiding mag de rechtbank meenemen in haar beslissing.
Door en namens de man wordt gesteld dat hij de minderjarigen sinds september 2025 niet meer heeft gezien. Volgens hem worden de belangen van de minderjarigen geschaad, omdat zij bij hem worden weggehouden. De man bevestigt dat het herstelgesprek nog niet heeft plaatsgevonden. Volgens de man zijn de begeleide contacten goed verlopen en zou er worden gewerkt naar een uitbreiding van het contact in uren en het uitbreiden van zijn ouderrol. De man heeft ongeveer elf keer eenmaal per veertien dagen een uur contact gehad met de minderjarigen. Van een vordering richting onbegeleid en onbelast contact gedurende een langere tijd is het tot dusver niet gekomen. Het doet de man verdriet dat zijn rol als vader langzaamaan wordt uitgewist. De minderjarigen vervreemden van hem, omdat er geen structureel contact is van enige omvang en betekenis. Volgens de man staat de inhoud van de gesprekken tussen de minderjarigen en de bijzondere curator haaks op de bevindingen tijdens de begeleide contacten. De man vreest dat de minderjarigen met haar niet vrijuit hebben kunnen spreken. De man zou graag zien dat de minderjarigen meerdere gesprekken hebben met een kinderpsycholoog of orthopedagoog, die in staat is om te achterhalen wat zij daadwerkelijk voelen of wensen. Het bevreemdt de man dat de bijzondere curator vaak de term “boosheid” bezigt, terwijl daarvoor geen aanleiding lijkt te zijn, gelet op de verslagen van de begeleide contacten. De man heeft het vermoeden dat de minderjarigen worden beïnvloed in wat zij vertellen over het contact met hem. Het doet de man groot verdriet, dat de vrouw en de GI willen berusten in de situatie zoals deze nu is. De regeling lijkt te stagneren, omdat het contact tussen de man en de hulpverlening niet goed verloopt. Het is echter in het belang van de minderjarigen, om alles op alles te zetten om de contacten uit te breiden, aldus de man. Volgens de bijzondere curator zou de man vragen stellen en boos reageren. Maar uit het verslag van [hulpverlening 1] blijkt dat de contacten goed zijn verlopen en dat er vorderingen zijn gemaakt. Het is dan ook nu het moment om de contacten uit te breiden, zodat de man zijn opvoedkundige kwaliteiten kan laten zien. Door een eenmalig incident, tussen de man en de begeleiding, is de zorgregeling gestopt. De begeleiding schorst, stopt en wisselt in de regeling, omdat zij het lastig vindt om met de man om te gaan. De man erkent dat hij kritisch is en veel vragen stelt, maar dat heeft ook te maken met zijn gevoel dat hij buiten spel wordt gezet. De man kan alleen maar door vragen te stellen informatie krijgen, om te weten hoe hij zich naar de minderjarigen moet gedragen, wat er voor hen nodig is en hoe het met hen gaat. Er is door de begeleiding naar de man geschreeuwd, waardoor hij zich onveilig voelt. De moeizame verstandhouding tussen de man en de hulpverlening mag echter geen reden zijn om een zeer beperkte zorgregeling vast te stellen. De noodzaak voor deze beperkte regeling wordt bovendien niet onderbouwd of gemotiveerd, aldus de man. Het lijkt er volgens de man op, dat de hulpverlening het opgeeft, omdat ze de samenwerking met de man te moeilijk vinden. De man kan een waardevolle toevoeging zijn voor de ontwikkeling van de minderjarigen. Hij kan hen helpen met hun huiswerk en hij begrijpt het gedrag van [minderjarige 2] . Wat de man betreft wordt de hulpverlening ten aanzien van de begeleide contactregeling hervat. Hij zou graag zien dat het herstelgesprek, waarvan de noodzaak ook door de rechtbank herhaald en benadrukt is, alsnog plaatsvindt. Ook moet worden onderzocht waarom de minderjarigen moeite met de man hebben. De informatie uit dat onderzoek kan vervolgens gebruikt worden in het herstelgesprek met de man. Pas dan wordt er volgens de man gewerkt aan de oorzaak van het probleem. De man verzoekt de rechtbank om de afdoening van de verzoeken aan te houden en te volgen of er later nog uitbreiding van de zorgregeling kan komen. De man heeft niet de illusie dat zijn oorspronkelijke verzoek nog gevolgd zal worden. Hij vindt echter dat er op zijn minst twee keer per maand gedurende een uur contact moet zijn, met als uitgangspunt dat [hulpverlening 1] wilde toewerken naar uitbreiding daarvan. Pas dan is de man in de gelegenheid om zijn opvoedkundige kwaliteiten te laten zien.
De Raad betreurt dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog niet heeft geleid tot het opbouwen van het contact met de man. In de afgelopen jaren is er door de GI veel hulpverlening ingezet, maar ook in de jaren voor de ondertoezichtstelling is er hulpverlening betrokken geweest. Steeds is de samenwerking met de man als moeizaam ervaren. Er is een patroon zichtbaar, waarin de hulpverlening wordt opgestart, er wantrouwen ontstaat en het traject vervolgens vastloopt. Daarna moet er weer worden gezocht naar een andere hulpverlener. Dit leidt de focus af van wat er moet gebeuren tussen de minderjarigen en de man. De Raad kan zich het standpunt van de GI en de vrouw dan ook begrijpen. De focus moet komen te liggen op het werken naar een contact dat zo prettig mogelijk en onbelast verloopt. Daar moet volgens de Raad voorlopig nog wel begeleiding bij zijn, omdat de man nog wel eens vanuit zijn emotie praat. De Raad vermoedt dat er bij de man sprake is van persoonlijke problemen. Een persoonlijkheidsonderzoek zou duidelijkheid kunnen geven over de kenmerken in de persoonlijkheid van de man en welke hulpverlening daarbij passend is. Pas dan kan er in de toekomst gewerkt worden aan het uitbreiden van het contact. De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw toe te wijzen, maar wel met de kanttekening dat er niet te rigide moet worden omgegaan met de frequentie en de duur van het contact. Als er bij [minderjarige 1] ruimte is voor meer contact, dan moet die ruimte wel geboden worden. De Raad ziet ook de noodzaak om de contacten nog begeleid te laten verlopen en om de regie over die contacten bij de GI neer te leggen. De verzoeken van de man zijn niet meer reëel te noemen. Deze moeten volgens de Raad worden afgewezen, omdat er onvoldoende zicht is op de persoonlijkheid van de man. Volgens de Raad is het voor de minderjarigen van belang dat er rust en stabiliteit komt door nu een eindbeslissing te nemen. De man heeft volgens de Raad meerdere keren de gelegenheid gekregen om meegenomen te worden in de hulpverlening aan de minderjarigen en om een herstelgesprek te voeren.
5. De beoordeling
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het BW van toepassing.
De rechtbank stelt vast haar niet is gelukt om ter zitting een vergelijk tussen partijen te bereiken.
Uit de inhoud van de stukken en de standpunten ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken. Partijen zijn sinds 2020 verwikkeld in scheidingsproblematiek, wat heeft gezorgd voor ernstige communicatieproblemen. In de jaren daarna zijn er in het vrijwillig kader en in het kader van de ondertoezichtstelling diverse hulpverleningstrajecten door verschillende hulpaanbieders ingezet, om het ouderschap gezamenlijk dan wel solo vorm te geven. Telkens wordt het hulpverleningstraject gestaakt, omdat de samenwerking met de man erg moeizaam verloopt of omdat de man geen vertrouwen meer heeft in de hulpverleners. Dit betekent niet alleen dat de noodzakelijke hulp aan de minderjarigen niet of onvoldoende geboden kan worden, maar ook dat er niet zonder meer gewerkt kan worden aan het verbeteren en uitbreiden van het contact tussen de minderjarigen en de man.
Vanuit [hulpverlening 1] , de hulpverlener die de begeleiding van de contacten faciliteerde, is het traject gestaakt, omdat de man regelmatig in een ongepaste of negatieve toon richting de hulpverleners communiceerde. Dit stond volgens [hulpverlening 1] het maken van duidelijke afspraken en een constructieve samenwerking tussen de man en de betrokken hulpverleners in de weg. Sinds september 2025 zijn er, door het wegvallen van de begeleiding door [hulpverlening 1] , geen contacten meer geweest tussen de man en de minderjarigen.
De bijzondere curator heeft op 27 november 2025 gesproken met beide minderjarigen. Zij vertellen onafhankelijk van elkaar dat zij bang zijn, dat de man boos wordt tijdens de contacten. Ook vragen zij nadrukkelijk om de contacten met de man begeleid uit te voeren. [minderjarige 1] zegt dat zij wel de duur van het contact wil uitbreiden, maar dan wel onder begeleiding. Volgens de bijzondere curator moet er gewerkt worden aan het wegnemen van de angsten van de minderjarigen, zodat zij vrij en onbelast contact met de man kunnen hebben.
Op basis van de recente ontwikkelingen, de bevindingen van de GI en de bijzondere curator stelt de rechtbank vast dat er geen stappen zijn gezet in het uitbreiden van de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen. De contacten zijn zelfs in het geheel gestaakt, na een conflict tussen de man en de begeleider van [hulpverlening 1] . De man zou graag zien dat de behandeling van de verzoeken worden aangehouden, om de zorgregeling nog te volgen en om te bezien of uitbreiding van die regeling tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank is van oordeel dat een verdere aanhouding van deze procedure niet meer in het belang van de minderjarigen is. De verzoeken liggen sinds februari 2022 voor aan de rechtbank. Steeds is de behandeling van de verzoeken aangehouden, in afwachting van het resultaat van de hulpverlening en de ontwikkelingen in het contact tussen de man en de minderjarigen. Het verstrijken van de tijd heeft echter niet geleid tot de gehoopte verbetering in het contact. Zelfs de inzet van een ondertoezichtstelling van de minderjarigen en een bijzondere curator heeft tot op heden niet het gewenste effect gehad. In de tussentijd zijn de minderjarigen belast met verschillende hulpverleningstrajecten en wisselingen in betrokken hulpverleners. Zij blijven aangeven dat zij bang zijn voor de boosheid van de man, zelfs in die mate dat zij alleen begeleid contact met hem willen. Het voormelde herstelgesprek heeft nog steeds niet plaatsgevonden. Met de GI is de rechtbank van oordeel dat het moment is aangebroken om duidelijkheid en rust te verschaffen aan de minderjarigen. Dat betekent dat er een beslissing in de vorm van een eindbeschikking moet komen.
De rechtbank zal de man dan ook niet volgen in zijn wens om de minderjarigen middels meerdere gesprekken met een kinderpsycholoog of orthopedagoog te laten aangeven hoe hun omgang met de man vorm moet worden gegeven. Zij hebben al gesprekken gehad met de bijzondere curator. Ook via andere bronnen is bekend wat zij willen. Duidelijk is dat zij wel contact met de man willen en had dit onder begeleiding dient te geschieden. Een herstelgesprek kan binnen de kaders van de ondertoezichtstelling plaatsvinden.
De rechtbank zal het gewijzigde verzoek van de vrouw, mede gezien de adviezen van de Raad, de GI en de bijzondere curator, toewijzen als na te melden, omdat dit nu het hoogst haalbare is gebleken. De GI houdt de regie over deze regeling en kan beslissen tot uitbreiding daarvan, zodra dit verantwoord is. Ook is het aan de GI om periodiek de noodzaak van begeleiding van de regeling te evalueren.
Met het oog op het hiervoor vermelde, moet het verzoek van de man worden afgewezen, omdat de basis voor een dergelijke zorgregeling ontbreekt.
De rechtbank zal het verzoek van de GI, geregistreerd onder zaaknummer C/02/444948 / JE RK 26-24, wat dezelfde strekking heeft als het gewijzigde verzoek van de vrouw, bij separate beschikking afwijzen.
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal geven, zal zij de bijzondere curator ontslaan van haar taak op grond van artikel 1:250 BW voor wat betreft deze procedure in eerste aanleg. Als er hoger beroep wordt ingesteld tegen (één van) deze beslissingen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen.
6. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op begeleid contact met elkaar gedurende éénmaal één uur per maand, onder regie van de GI gedurende de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, die kan besluiten tot het uitbreiden van deze regeling als dat verantwoord is en de begeleiding kan laten vervallen als dit niet meer nodig is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak op grond van artikel 1:250 BW.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.