RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439144 / JE RK 25-1548
Datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 13 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI van 27 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
Bij beschikking van de kinderrechter van 13 oktober 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 13 oktober 2025 en tot 13 april 2026.
3. Het verzoek
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen met ingang van 13 april 2026 en tot 13 oktober 2026.
4. Het standpunt van de GI
De GI heeft op 27 maart 2026 nader gerapporteerd zoals verzocht in voornoemde beschikking van 13 oktober 2025. De GI verzoekt de rechtbank om het resterende deel van de ondertoezichtstelling uit te spreken tot en met 12 oktober 2026, zodat de ingezette hulpverlening kan worden voortgezet en de positieve ontwikkeling binnen het gezin verder kan worden bestendigd. Gezien de complexiteit van de problematiek op meerdere leefgebieden, is ervoor gekozen te werken volgens de MDA++-methodiek (Multi Disciplinaire Aanpak). Dit betreft een intensieve, intersectorale en specialistische aanpak gericht op het stoppen van onveiligheid, het realiseren van duurzame veiligheid en het bevorderen van herstel binnen het gezin. In het kader hiervan is praktische en ambulante ondersteuning ingezet vanuit [hulpverlening] , gericht op zowel moeder als de kinderen. Deze ondersteuning richt zich op het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven en het versterken van praktische opvoedsituaties. Ten aanzien van de opvoedvaardigheden van moeder bestaan op dit moment geen zorgen; zij heeft laten zien over voldoende opvoedcapaciteiten te beschikken en stelt de kinderen centraal. Wel is er aandacht voor haar lage zelfbeeld, waarvoor verdere ondersteuning wenselijk is. Ook vader ontvangt ondersteuning vanuit [hulpverlening] , passend bij zijn WLZ-indicatie. Daarnaast is de reclassering betrokken. Vader toont zich afsprakengetrouw en volgt momenteel een agressieregulatietraining. Tevens is [dagbesteding] betrokken om vader te ondersteunen bij het realiseren van een zinvolle dag invulling, waaronder het stimuleren van sportactiviteiten. Op financieel gebied is recent een wijziging doorgevoerd: de eerdere curatele is medio maart 2026 omgezet naar bewindvoering, met als doel vader meer eigen verantwoordelijkheid te laten dragen. Er wordt een positieve, stapsgewijze ontwikkeling bij vader waargenomen.
Op 5 en 12, en 13 januari jl. zijn er opnieuw meldingen gedaan bij Veilig Thuis, betrekking hebbend op de woonsituatie van moeder en de kinderen en de onderlinge dynamiek tussen ouders. Naar aanleiding van deze meldingen zijn direct aanvullende maatregelen getroffen. Er is opnieuw ambulante ondersteuning ingezet en er zijn hernieuwde veiligheidsafspraken gemaakt met ouders en het netwerk, waaronder de zus van vader. Vader beschikt daarnaast over een eigen woning waar hij zich indien nodig kan terugtrekken, wat bijdraagt aan het waarborgen van rust en veiligheid. Binnen het MDA++-traject is tevens het GIA ingezet, waarbij beide ouders hebben aangegeven gemotiveerd te zijn om hieraan mee te werken. Deze ondersteuning wordt vormgegeven vanuit de WMO. Daarnaast is het belang benadrukt van een passende dag structuur en dag invulling voor de kinderen. Dit dient enerzijds ter ontlasting van ouders, zodat zij kunnen werken aan hun persoonlijke ontwikkeling en onderlinge relatie, en anderzijds ter bevordering van de ontwikkeling van de kinderen, onder meer door interactie met leeftijdsgenoten en professionele monitoring. Hoewel moeder het lastig vindt om de zorg deels uit handen te geven, erkent zij het belang hiervan. De verwachting is dat de kinderen begin mei kunnen starten bij [kinderopvang] in [plaats 1] . Tot slot is bekend dat er een derde kind op komst is. Hoewel deze zwangerschap niet gepland was, is deze wel gewenst. De komst van een derde kind zal naar verwachting een extra beroep doen op de draagkracht van ouders, maar kan mogelijk ook invloed hebben op de huidige gezinsdynamiek. Ouders hebben aangegeven gemotiveerd te zijn om samen te blijven en actief te willen werken aan hun relatie. Samenvattend ziet de GI dat er stappen worden gezet binnen het gezin, waarbij ouders zich in toenemende mate openstellen voor hulpverlening en ontwikkeling laten zien. Tegelijkertijd blijft er sprake van kwetsbaarheden en spanningen, waardoor voortzetting van de ingezette ondersteuning en monitoring noodzakelijk blijft.
Beide ouders hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat zij instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er door ouders positieve stappen zijn gezet, maar evenals de GI acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling op zijn plaats. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de begeleiding voor ouders alsmede de hulpverlening voor ouders en de kinderen wordt voortgezet. Om dit te kunnen waarborgen is het voortzetten van de hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk. Van belang is daarbij dat de GI ouders kan blijven monitoren en daarbij de kinderen kan blijven ondersteunen.
Gelet op het voorgaande zijn de gronden uit artikel 1:255 BW nog steeds aanwezig. De kinderrechter zal het restende verzoek – dat niet is weersproken – dan ook toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad;
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 13 april 2026 en tot 13 oktober 2026;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter als griffier, en op schrift gesteld op 20 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.