RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer.: 11591391 \ MB VERZ 25-173
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 9 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. R. Baltus (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen [naam] . De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 24 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom op de Deltaweg te Kats op 2 december 2023 om 11.02 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de officier van justitie een dwangsom moet toekennen over de periode 14 augustus 2024 tot en met 19 augustus 2024. De officier is op 30 juli 2024 in gebreke gesteld en de beslissing van de officier van justitie is pas op 20 augustus 2024 ontvangen. Daarnaast is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de redelijke termijn is overschreden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Hij stelt dat de beslistermijn is opgeschort door de brief waarin aan de gemachtigde een termijn is gegeven voor het indienen van aanvullende gronden, zodat de ingebrekestelling prematuur was. Subsidiair, als de kantonrechter de ingebrekestelling wel tijdig vindt, heeft de zittingsvertegenwoordiger verzocht een dwangsom toe te kennen over een periode van zeven dagen. Omdat de redelijke termijn is overschreden, moet de boete worden gematigd met 25%.
Overwegingen
Dwangsom
Op grond van artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie beslissen binnen 16 weken vanaf het einde van de beroepstermijn. De beroepstermijn eindigde in dit geval op 26 januari 2024 (6 weken na datum beschikking). De officier van justitie heeft per brief van 9 mei 2024 de beslistermijn met tien weken verlengd.
De kantonrechter volgt de officier van justitie niet in het standpunt de beslistermijn verder is opgeschort door de brief waarin een termijn is gegeven voor het indienen van aanvullende gronden. Deze opschorting volgt niet uit de Awb en is ook niet in die brief vermeld.
Dit betekent dat de officier van justitie uiterlijk op 26 juli 2024 een beslissing had moeten nemen.
De officier van justitie heeft op 30 juli 2024 een ingebrekestelling ontvangen. Dat is tijdig.
De eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Dit betekent dat de officier van justitie tot en met 13 augustus 2024 de tijd had om te beslissen. Bij brief van 14 augustus 2024 heeft de officier van justitie beslist op het administratief beroep. De gemachtigde stelt dat deze beslissing op 20 augustus 2024 is ontvangen. De kantonrechter ziet, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2025:4952, geen reden om hieraan te twijfelen, nu dit valt binnen de termijn van zeven dagen die hierbij wordt gehanteerd. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat het besluit op 19 augustus 2024 is verzonden.
Dit betekent dat de officier van justitie aan betrokkene voor 6 dagen (14 augustus 2024 tot en met 19 augustus 2024) een dwangsom heeft verbeurd. De berekening van die dwangsom is als volgt: 6 dagen x € 23,- = € 138,-.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 233,50.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 198,75, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 66,25, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ stelt vast dat de officier van justitie aan betrokkene een dwangsom is verschuldigd van € 138,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: