RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer : 11542543 \ MB VERZ 25-156
CJIB-nummer : [CJIB-nummer]
uitspraakdatum : 12 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.R. Coffi
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Rijksweg te Rucphen op 4 september 2023 om 16:26 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Uit de gegevens uit het zaakoverzicht blijkt onvoldoende hoe de verbalisant heeft vastgesteld dat het daadwerkelijk om een mobiele telefoon zou gaan. Er wordt enkel aangegeven dat het een mobiele telefoon zou zijn. Betrokkene blijft er bij dat het zijn e-sigaret is geweest, deze houdt hij wel in zijn rechterhand en ter hoogte van het stuur. De e-sigaret heeft ook de afmetingen van een mobiele telefoon en bij een korte blik kan betrokkene zich voorstellen dat de agent deze aanziet voor een telefoon. Betrokkene is eerder ook een keer wél staande gehouden omdat men er van uit ging dat hij een telefoon vast hield, maar toen bleek bij de staandehouding dat het om zijn e-sigaret ging en kreeg hij geen boete. Ditmaal is er geen staandehouding geweest en blijft het helaas bij de aanname dat het een telefoon moet zijn geweest. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de officier van justitie om een aanvullend proces-verbaal heeft verzocht, maar dat de verbalisant aan dat verzoek geen gevolg heeft gegeven en geen aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt over de kenmerken van het mobiel elektronisch apparaat. Ten aanzien van de proceskosten stelt betrokkene zich op het standpunt dat artikel 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing zijn, reeds omdat Coffi Advocatuur niet werkt op basis van no cure no pay. In dat verband wordt verwezen naar het verbod op resultaatsgerelateerd honorarium in art. 7.7. lid 1 Voda in relatie tot ECLI:NL:HR:2025:46 r.o. 3.5.1 e.v. Dit standpunt werd onlangs gehonoreerd in een uitspraak die werd gepubliceerd als ECLI:NL:RBMNE:2026:635, r.o. 13.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het feit dat er geen respons komt op het verzoek van de officier van justitie om aanvullende informatie in deze zaak, kan niet eenduidig leiden tot de conclusie dat hetgeen door de betrokkene wordt gesteld zodanige twijfel teweegbrengt dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De boete dient daarom met 25% gematigd te worden.
Overwegingen
Inhoudelijk
De officier van justitie heeft verbalisant per brief van 25 juli 2024 in de gelegenheid gesteld aan te geven op basis van welke kenmerken verbalisant heeft vastgesteld dat het een mobiel elektronisch apparaat betrof en niet iets anders. Van deze gelegenheid heeft de verbalisant geen gebruik gemaakt. De kantonrechter deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat het niet responderen op een verzoek om aanvullende informatie in deze zaak niet kan leiden tot de conclusie dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan.
Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter, gezien de door betrokkene aangevoerde feiten en omstandigheden, onvoldoende grond om ervan uit te gaan dat de verweten gedraging is verricht. Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de bestreden beslissing moet worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Ten aanzien van de door de huidige gemachtigde verrichte proceshandeling geldt bovendien het volgende. De wetgever heeft het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel er onder meer uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay. Gevallen die kennelijk dit kenmerk niet hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985, punt 5.2 en 5.3. De huidige gemachtigde van de betrokkene is advocaat. Aan advocaten is het verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay buiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal als Europees niveau. Dat volgt uit artikel 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten en uit paragraaf 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe. Uit de hoedanigheid van de gemachtigde als advocaat volgt dat hij aan de betrokkene geen rechtsbijstand verleent op basis van no cure no pay en dat ten aanzien van de door hem verrichte proceshandeling ook op die grond geldt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast.
Voor de telefonische hoorzitting bij de officier van justitie, met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt 0,5 punt toegekend (zie ECLI:NL:GHARL:2021:7004).
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00
telefonische hoorzitting: 0,5 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 166,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00
€ 1.433,50
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 389,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 1.433,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: