Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-801263-06
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 4 mei 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats] (Irak),
wonende op het [adres] ,
binnen [zorginstelling 1] , [afdeling] ,
hierna: betrokkene.
Raadsvrouw: mr. L.M. Oldenburg, advocaat te Westzaan.
1. Inleiding
Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 november 2007 is betrokkene betreffende de bewezenverklaarde doodslag ontslagen van alle rechtsvervolging, met oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs). De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De tbs is aangevangen op 28 november 2007 en laatstelijk verlengd bij beslissing van deze
rechtbank van 9 december 2024 voor een termijn van één jaar.
2. Procesverloop
De rechtbank heeft op 21 oktober 2025 van het Openbaar Ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 27 november 2025 besproken. Op die zitting heeft de officier van justitie verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om twee mogelijke vervolgtrajecten te onderzoeken. Dit betrof de mogelijkheid tot voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling en de mogelijkheid tot afgifte van een zorgmachtiging. De rechtbank heeft daarop, met instemming van de verdediging, het onderzoek ter zitting aangehouden. De stukken zijn in handen gesteld van de officier van justitie met de opdracht om de aanvraagprocedure voor een zorgmachtiging voor betrokkene op te starten. Daarnaast is in dat verband aan het Openbaar Ministerie de opdracht verstrekt om de in dat kader op te maken stukken aan de rechtbank te doen toekomen. De officier van justitie heeft ter zitting gemeld dat de reclassering tevens een maatregelenrapportage zal opstellen om de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging te onderzoeken.
Op 19 februari jl. zijn de stukken in het kader van het onderzoek naar de zorgmachtiging aan de rechtbank overgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft op 20 februari jl. laten weten dat er geen verzoekschrift tot het afgeven van een zorgmachtiging zal worden ingediend.
Op 24 februari 2026 is het onderzoek ter zitting hervat. De geplande bespreking van de verschillende opties was niet mogelijk, omdat de stukken van de zorgmachtiging niet door de officier van justitie waren ingeschreven bij de civiele griffie, waardoor er geen civiele advocaat was opgeroepen en evenmin de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke. Daarnaast was betrokkene vanwege zijn slechte gezondheidstoestand niet in staat om naar de zitting te komen en evenmin in staat geweest om met de psychiater te spreken. De rechtbank zag zich met inachtneming daarvan genoodzaakt tot het opnieuw aanhouden van het onderzoek ter zitting. De stukken zijn opnieuw in handen gesteld van de officier van justitie om een aanvraagprocedure voor een zorgmachtiging op te starten, dan wel de betreffende stukken zonodig te actualiseren en te completeren.
Het Openbaar Ministerie heeft op 9 april jl. de nieuwe stukken in het kader van de zorgmachtiging aan de rechtbank doen toekomen en daarbij laten weten dat in de nieuwe stukken geen aanleiding wordt gezien tot het alsnog indienen van een verzoekschrift tot het afgeven van een zorgmachtiging.
Op 21 april 2026 is het onderzoek ter zitting hervat. De officier van justitie mr. S. van der Wilt-Withfield is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg. Voorts zijn als deskundigen gehoord de heer [NIFP-psycholoog] , NIFP-psycholoog, en mevrouw [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog en hoofd behandeling bij de [kliniek] (hierna: de kliniek).
3. Adviezen
Advies kliniek
De kliniek heeft in het rapport van 26 september 2025 geadviseerd om de tbs te beëindigen mits verdere behandeling plaatsvindt binnen het kader van een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz). Betrokkene is gediagnosticeerd met schizofrenie en een depressieve stoornis, gedeeltelijk in remissie. Er is, naast forse negatieve symptomatologie, sprake van een actief waansysteem en somatische klachten.
Vanwege zijn somatische zorgbehoefte, die zwaarder is gaan wegen dan het forensisch psychiatrisch toezicht, is betrokkene op 11 december 2023 naar [zorginstelling 1] verhuisd, een afdeling op het terrein van [zorginstelling 1] gericht op ouderenpsychiatrie. Op deze afdeling functioneert betrokkene stabiel. Hij neemt consequent zijn medicatie en laat zich goed sturen door zijn begeleiders. Ook de onbegeleide verloven verlopen zonder problemen en doen hem zichtbaar goed. Wel zal betrokkene vanwege zijn complexe problematiek blijvend afhankelijk zijn van een kader met intensieve begeleiding, structuur en toezicht.
De inschatting is dat het risicomanagement in het kader van een zorgmachtiging voldoende vormgegeven kan worden bij voortzetting van het verblijf van betrokkene bij [zorginstelling 1] . Bij de overstap van het tbs kader naar het civiele zorgkader, is de verwachting dat het risico op terugval in gewelddadig gedrag enigszins oploopt van laag naar laag tot matig, maar dat met continuering van het verblijf bij [zorginstelling 1] geen sprake zal zijn van een noemenswaardige verslechtering. Beoogd wordt om voor betrokkene tot acceptatie te komen van realistische levensdoelen met behoud van hulpverlening en kwaliteit van leven.
Ter zitting heeft [deskundige] het advies van de kliniek toegelicht en onderschreven. Zij heeft daaraan toegevoegd dat [zorginstelling 1] ervaring heeft met patiënten met een zorgmachtiging die zijn uitgestroomd vanuit de tbs met dwangverpleging. [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] (een locatie van de kliniek) zitten op hetzelfde terrein en [zorginstelling 1] neemt de zorg van betrokkene nu al steeds meer over. Bij een zorgmachtiging heeft de kliniek geen rol meer, maar zij is wel beschikbaar voor ondersteuning en een eventuele crisisopname. Een zorgmachtiging met de mogelijkheid tot opname voor maximaal acht weken wordt voldoende geacht om betrokkene te stabiliseren in geval van (paranoïde) ontregeling. Er is sprake van een chronische situatie die niet gaat veranderen in de toekomst.
Adviezen externe gedragsdeskundigen
Advies psychiater
[psychiater] adviseert in zijn rapport van 22 juli 2025 om de tbs niet te verlengen met gelijktijdige oplegging van een zorgmachtiging krachtens de Wvggz, ervan uitgaande dat er voldoende draagkracht is bij het team van [zorginstelling 1] om het risicomanagement zelf te dragen en er helderheid is waar betrokkene terecht kan bij decompensatie. In het geval geen zorgmachtiging wordt afgegeven, wordt geadviseerd om de tbs met één jaar te verlengen en binnen dat jaar te werken aan de mogelijkheid dat het risicomanagement binnen het civielrechtelijk kader kan worden vormgegeven. Bij betrokkene is sprake van schizofrenie en van (vroeg opgetreden) ouderdomsverschijnselen, hoogst waarschijnlijk samenhangend met cognitief verval en met een slechte lichamelijke gezondheid. De bron van het recidiverisico is de paranoïde waan die therapieresistent is gebleken, waardoor het risicomanagement volledig extern is. Het recidiverisico is laag binnen de gestructureerde omgeving van [zorginstelling 1] . Buiten de passende context en het externe risicomanagement is de verwachting dat betrokkene zal ontregelen en stijgt de kans op ernstig gewelddadig gedrag tot matig.
Advies psycholoog
[psycholoog] adviseert in zijn rapport van 9 augustus 2025 om de tbs niet te verlengen als bij het team van [zorginstelling 1] voldoende draagkracht is om het risicomanagement te dragen binnen het kader van een zorgmachtiging en in dat kader voldoende opvangmogelijkheden bestaan in geval van paranoïde ontregeling van betrokkene of andersoortige crisis. In geval van het ontbreken van die draagkracht en opvangmogelijkheden wordt geadviseerd om de tbs te verlengen met één jaar en dat jaar te gebruiken om de overgang naar een zorgmachtiging voor te bereiden. Bij betrokkene is sprake van schizofrenie en een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Hij heeft een gebrekkig ziektebesef en ziekte-inzicht is afwezig. Betrokkene blijft sterk afhankelijk van intensieve zorg en begeleiding. Externe structurering en toezicht en verzekerd gebruik van medicatie zijn nodig om paranoïde psychotische ontregeling en maatschappelijke teloorgang te voorkomen. Bij het wegvallen van het tbs-kader is de kans op recidive op korte termijn matig en op langere termijn matig tot hoog.
Ter zitting van 21 april 2026 heeft [psycholoog] zijn advies toegelicht en onderschreven. Hij heeft daaraan toegevoegd dat de uitgebreide neurocognitieve stoornis weinig forensische relevantie heeft en geen rol heeft gespeeld bij het uiteindelijk gegeven advies. Deze stoornis heeft geen gevolgen voor de behandeling, de bejegening en het verblijf van betrokkene. In geval hier wel een risicoverhogende werking vanuit zou gaan, wordt het verblijf bij [zorginstelling 1] in het kader van een zorgmachtiging nog steeds passend gevonden. Een mogelijkheid tot een kortdurende opname voor maximaal acht weken wordt meer dan voldoende gevonden om betrokkene te kunnen stabiliseren in geval van paranoïde ontregeling. Daarbij acht de psycholoog die kans op paranoïde ontregeling klein, omdat betrokkene zich veilig en beschermd voelt bij [zorginstelling 1] . Belangrijk is wel dat het nemen van medicatie als verplichte zorg wordt voorgeschreven. Vanwege het afwezige ziektebesef en -inzicht kan niet worden gesteld dat betrokkene vrijwillig zijn medicatie neemt. Op basis van een zorgmachtiging kan bij [zorginstelling 1] het risicomanagement voldoende vorm worden gegeven. Het risico op recidive is dan aanvaardbaar klein.
Advies reclassering
De reclassering adviseert in haar advies van 26 januari 2026 om de verpleging van overheidswege niet voorwaardelijk te beëindigen. Een zorgkader wordt passender geacht dan een forensisch kader.
Het transmurale team van [zorginstelling 2] heeft de begeleiding en zorg van betrokkene vrijwel volledig overgedragen aan het team van [zorginstelling 1] . Dat team voorziet in de begeleidingsbehoeften van betrokkene en beschikt over voldoende ervaring met begeleiding van forensische patiënten. Het risicomanagement kan daar voldoende vorm worden gegeven. De verwachting is dat betrokkene bij [zorginstelling 1] zal blijven. Er is geen perspectief op uitstroom richting begeleid of zelfstandig wonen. De reclassering ziet daarom geen toegevoegde waarde om als partij aan dit traject te worden toegevoegd. Daarnaast zal betrokkene zich binnen een voorwaardelijke beëindiging vrijwillig moeten conformeren aan bijzondere voorwaarden, hetgeen onder meer vanwege het gebrek aan ziekte-inzicht onwenselijk wordt geacht. De inschatting van de reclassering is dat bijzondere voorwaarden geen risicoverlagend effect hebben ten opzichte van de transmurale verloffase waarin betrokkene zich momenteel bevindt, welk risico binnen de huidige setting als laag tot gemiddeld wordt ingeschat.
4. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is ter zitting gebleven bij de vordering om de tbs met één jaar te verlengen. Zij meent dat aan de wettelijke vereisten voor verlenging is voldaan en dat de verpleging van overheidswege moet worden voortgezet. Er is nog steeds sprake van een stoornis en een daaruit voortkomend recidivegevaar. De reclassering heeft negatief geadviseerd ten aanzien van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, zodat dit geen reële optie is. Betrokkene laten verblijven bij [zorginstelling 1] op basis van een zorgmachtiging wordt niet haalbaar geacht, omdat niet aan de eisen voor het afgeven van een zorgmachtiging wordt voldaan. Het Openbaar Ministerie heeft dan bovendien geen controle meer, speelt geen rol bij een verlenging van een zorgmachtiging en kan niet garanderen dat betrokkene bij [zorginstelling 1] blijft. Een zorgmachtiging is niet gericht op het terugdringen van het recidiverisico. Het risicomanagement binnen dit civiele kader biedt bovendien onvoldoende waarborgen in geval van (paranoïde) ontregeling van betrokkene. Het tbs-kader is momenteel nog steeds nodig en ook het meest passend. De wanen zijn nog steeds aanwezig bij verdachte en het indexdelict was een zeer ernstig delict. Door een verlenging met één jaar kan het jaar worden gebruikt om te bezien hoe het vervolgtraject eruit moet komen te zien, waarbij de tijd dan misschien wel rijp is voor een overgang naar een zorgmachtiging.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft afwijzing van de vordering bepleit onder verwijzing naar de over betrokkene opgemaakte rapportages, de door de deskundigen uitgebrachte adviezen en het behandelde ter zitting. De kliniek, de externe gedragsdeskundigen en de reclassering zijn het er unaniem over eens dat de tbs kan worden beëindigd, mits het civiele kader van de zorgmachtiging hiervoor in de plaats komt.
5. Beoordeling
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rechtbank stelt op basis van de opgemaakte adviezen en het verhandelde ter zitting vast dat er nog steeds een stoornis aanwezig is en dat daaruit ook recidiverisico voortkomt. Ook staat vast dat betrokkene vanwege de chronische aard en ernst van zijn psychiatrische problematiek voor de rest van zijn leven afhankelijk zal zijn van intensieve zorg, begeleiding en toezicht, waarbij medicatie een belangrijke rol speelt.
Betrokkene verblijft sinds december 2023 in het kader van transmuraal verlof bij [zorginstelling 1] , een afdeling bedoeld voor psychogeriatrische patiënten. Betrokkene gedijt goed op deze afdeling waar hem, naast structuur en begeleiding, ook de noodzakelijke somatische zorg en ondersteuning wordt geboden. Hij heeft flinke lichamelijke beperkingen, er is sprake van cognitieve achteruitgang en hij heeft veel ondersteuning nodig, ook bij de dagelijkse gang van zaken. Daarbij staat betrokkene onder bewind en is er een mentor aangesteld. Binnen deze verblijfssetting neemt betrokkene zijn medicatie en hebben er geen (delictgerelateerde) incidenten plaatsgevonden. Partijen en de betrokken deskundigen zijn het er unaniem over eens dat [zorginstelling 1] de meest geschikte plek is voor betrokkene.
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of het verblijf bij [zorginstelling 1] moet worden voortgezet onder de titel van de tbs met dwangverpleging of dat dit ook mogelijk is op basis van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. In geval van afgifte van een zorgmachtiging wordt het recidiverisico als laag tot matig ingeschat en is de verwachting dat betrokkene stabiel blijft functioneren binnen de omgeving van [zorginstelling 1] , die door betrokkene zelf als prettig en veilig wordt ervaren. De betrokken gedragsdeskundigen zijn het erover eens dat een zorgmachtiging met een passende mogelijkheid tot crisisopvang voldoende waarborgen biedt in geval toch sprake is van (paranoïde) ontregeling, waarbij de kans daarop als klein wordt ingeschat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met een zorgmachtiging het recidiverisico zoals dit nu nog aanwezig is op verantwoorde wijze kan worden ondervangen en dat verlenging van de terbeschikkingstelling niet langer noodzakelijk is.
De rechtbank heeft bij beslissing van heden op basis van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg ambtshalve een zorgmachtiging verleend ten behoeve van betrokkene voor de duur van zes maanden. Daarbij heeft de rechtbank ook op grond van art. 6:4 lid 3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg bepaald dat betrokkene tijdelijk kan worden overgeplaatst naar een tbs-kliniek, indien de geneesheer-directeur dit noodzakelijk acht vanwege de veiligheid in de kliniek.
In het kader van deze zorgmachtiging blijft zorg beschikbaar zolang betrokkene dit nodig heeft en aan de daarvoor vereiste criteria wordt voldaan. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:2:17, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal dan ook de vordering van de officier van justitie afwijzen waarmee de tbs tot een einde komt.
6. Beslissing
De rechtbank wijst af de vordering van de officier van justitie.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter,
en mr. P.A.M. Wijffels en mr. M.A.E. Dekker, rechters,
in tegenwoordigheid van H.J.E.M. Hoezen, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 mei 2026.
Mr. Collombon en mr. Wijffels zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.