[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 februari 2026. Het beroep ziet op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer] .H.07.01 en bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Belanghebbende heeft pro forma bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020. De inspecteur heeft vervolgens in de uitspraak van 13 februari 2026 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd met € 10.069,-. Belanghebbende komt in beroep omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld het bezwaar inhoudelijk te motiveren. Ook heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden. Belanghebbende verzoekt om de uitspraak op bezwaar te vernietigen, de aanslag te verminderen dan wel de zaak terug te wijzen naar de inspecteur en de inspecteur te veroordelen in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
De inspecteur heeft in het verweerschrift aangegeven dat belanghebbende geen mogelijkheid is geboden om het dossier in te zien en ook niet om deel te nemen aan een hoorgesprek. Ook is ten onrechte bij de afronding van het boekenonderzoek een vermindering van de aanslag verwerkt als uitspraak op bezwaar. De inspecteur verzoekt de rechtbank de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de behandeling van het bezwaar terug te verwijzen.
De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan belanghebbende in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord, voordat op het bezwaar wordt beslist. Aan de schending van het hoorrecht kan worden voorbijgegaan, indien aannemelijk is dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur belanghebbende in de bezwaarfase niet heeft gehoord en dat de inspecteur daarmee de hoorplicht heeft geschonden. Ook is niet in geschil dat de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen het pro forma bezwaarschrift aan te vullen. De rechtbank acht beide standpunten juist en volgt partijen daarin.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de inspecteur. De inspecteur dient belanghebbende, alvorens opnieuw uitspraak op het bezwaar van belanghebbende te doen, in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Omdat de rechtbank de zaak zal terugwijzen naar de inspecteur komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de navorderingsaanslag en de bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen, omdat belanghebbende geen proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.